Advertentie:

(Klik op de advertentie.)
* * * * * * * * * * * * * * * * * * Henk van Oosterwijk schreef vier boeken. Klik op de boeken voor meer informatie. .

Pruikentijd

Bij “pruikentijd” denk je aan zo’n drie à vierhonderd jaren terug. In de 17e en 18e eeuw was het mode bij de gegoede families om pruiken te dragen. Dat gaf je status!

Zowel mannen als vrouwen lieten zich in die eeuwen een mooi bos haar aanmeten. Of je nu kaal was, of gezegend met een mooie kop haar, dat maakte niets uit. Hoewel wij in de 21e eeuw vinden, dat het toenmalige volk, wat iets boven 'de gewone Nederlander' stond, er clownesk uitzag met die hoofdversierselen.

Mannen droegen platte pruiken met over het algemeen lang naar beneden vallend haar met op de schouders een grote krul. De dames lieten zich echter een hoog opstaand kapsel aanmeten, gecombineerd met een zeer diep decolleté. Daarbij droegen ze schoenen met hele hoge hakken. Door deze combinatie leken ze twee keer zo lang!

Als ze dan hun hoepelrokken aantrokken, ging de breedte ook meetellen en werd je als man overweldigd, als dat hele gevaarte op je afkwam!

Zo stel ik het mij tenminste voor.

 

Deze eerste decennia in de 21e eeuw kun je ook wel een pruikentijd noemen, maar dan met een negatieve klank. Gelukkig worden, vooral vrouwen, die een chemokuur hebben ondergaan en met tijdelijk haaruitval kampen, geholpen met een pruik. Maar ook hierbij denk ik niet aan het woordje 'pruikentijd'.

 

Ik heb er een heel ander beeld bij, omdat ik in de 70’er jaren zelf geconfronteerd werd met De Pruik. Sommigen van u moesten toen nog geboren worden; ik was echter getrouwd en vader van een prachtige zoon en dochter!

In die jaren, je zal het niet geloven, was de pruik volop in de mode. Niet voor de man (ik zie me al lopen!), maar voor de dames. Als je in die tijd pech had, kon je met je vrouw mee naar een 'pruikenpaswinkel' om een mooie bos haar uit te zoeken. En ik had een hekel aan shoppen!

Bovendien kon je op één vinger natellen, waarom je meegenomen werd. Om je portemonnee te trekken! Later kon er dan niet meer gediscussieerd worden over een ‘te hoge aankoopprijs’.

“Je was er toch bij,” was de steevaste reactie en daar moest je het mee doen. De dames wisten wel, dat je in de winkel geen heisa zou maken!

 

Ik was ook zo'n pechvogel.

Ik werd tegen mijn zin in meegenomen naar een pruikenpaswinkel. Natuurlijk wilde ook ik, dat mijn Rietje er goed uitzag. Voor mij was ze de mooiste van de wereld, dus was een pruik niet nodig. Maar zelf deelde ze die mening niet. Bovendien werkte het woord 'winkel' op mij al, als een rooie lap op een stier. Maar ik moest mee!

"Henk, jonge," zei ze op een keer tegen mij (ze begon de Brabantse taal al aardig onder de knie te krijgen, vooral als ze tegen mij sprak), "Ik zouw gère us nun pruik wille hebbe!"

"Nun pruik!?" Ik keek haar verrast aan. "Wa motte gij méej nun pruik?"

Ze glimlachte en dan moest ik op mijn hoede zijn, want dat hield in, dat ze haar zinnetje door ging drijven.

"Henkie, die twee bevallinge hebben ur veur gezurgd, da ‘k net nun takkebos brandhout op munne kop heb. Nun pruik zou fijn zijn as we eens uitgaan."

 

De discussie had iets langer geduurd, dan ik hier beschrijf, maar het eind van het liedje was, dat we op een zaterdag in de auto stapten, naar Breda reden en met een langharige blonde pruik terugkwamen. Riet had lang blond haar, toen ik ze leerde kennen, en dat lange blonde haar was dan ook het enige positieve punt, dat er voor mij aan deze inkoop zat. De nieuwe pruik voldeed niet helemaal aan mijn eisen, maar dat was niet belangrijk. Riet voelde zich er prettig mee en zij was niet de enige in die begin zeventiger jaren met een gekochte haardos. Vele vrouwen liepen met een bos nephaar rond. Daarom was ik voor haar argumenten door de knieën gegaan.

 

Het duurde gelukkig maar anderhalf jaar, toen zakte de pruikenkoorts bij Riet.  Haar eigen haar ging weer krullen en had haar glans terug; dat werkte uiteraard positief mee.

Geen pruiken meer in Huize van Oosterwijk.

Alleen wel met carnaval, natuurlijk!

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Efteling kabouter ”Kleine Boodschap”, daarachter mijn verbaasd kijkende zoon Raymond (verrast door de sprekende kabouter) en mijn vrouw Rietje met pruik!

 

Henk 's Leeshoek

Zie ook: www.facebook.com/Henksleeshoek 

Reacties naar: hDit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.   

 

Op deze pagina waargebeurde verhalen, gedichten en commentaren, geschreven door Henk M. van Oosterwijk, in de data volgorde:

17-01-2018:  Pruikentijd

12-01-2018:  Toos

08-01-2018:  Er brandde één kachel

02-01-2018:  Geen rijbewijs

30-12-2017:  IJsvrij

19-12-2017:  Kerstmis (Uit 'Mijn jeugdherinneringen')

16-12-2017:  Raok me us aon

08-11-2017:  Blote meid

16-10-2017:  Varkens verdwijnen uit dorpen

07-09-2017:  Gebraden haan

02-08-2017:  CAROLIEN

07-05-2017:  Vader ?

03-05-2017:  Frans

07-04-2017: De accordeon

15-02-2017:  De Tent van Willem I

12-02-2017:  Een baard

 

Toos

Ik ben verliefd.

Dat komt wel meer voor in mijn pubertijd, maar nu denk ik, dat ik de ware heb gevonden. Niet voor de eerste keer, dat wel, maar hier heb ik toch een goed gevoel bij. Dat het goed komt. Luister maar.

 

Een paar keer per week kan ik me bij haar aansluiten, als we naar Dongen fietsen. Zij naar de MMS (Middelbare Meisjes School) in de Hoge Ham bij de Zusters Franciscanessen, ik naar de Gerardus Majella Mulo bij de Broeders van Onze Lieve Vrouw van Lourdes. We babbelen gezellig, een kwartiertje lang fietsend, maar verder gebeurt er niets. We zijn net vijftien en doortastendheid is niet zo mijn ding.

Zij heet Toos.

Ze is een zwartharige leuke griet met alles er op en er aan. Ik kan er gezellig mee kletsen en ik heb wel het idee, dat er een klik is tussen ons.

 

Op een mooie zomerse middag dat jaar fiets ik naar natuurbad Surea, gelegen in de bosrijke streek De Vijf Eiken. Ik kom er ’s zomers dikwijls, vandaar dat mijn ouders me een jaarabonnement op dit zwembad hebben geschonken.

Het is warm en goed zwemweer.

In een van de houten kleedhokjes ontdoe ik me van mijn kleding en trek mijn zwembroek aan. Na een bezoek aan de garderobe en een blik in de spiegel (ik mag er wel zijn, denk ik), loop ik langzaam door het hete losse zand richting de diepe zwempoel, het Herenbad door ons genoemd, omdat enkele jaren hiervoor de dames en heren nog gescheiden moesten zwemmen.

Dan ontdek ik plotseling Toos, zittend tegen de houten beschutting, die het stuifzand weerhoudt in de zwempoel te waaien. Zij zit in een strak elastisch badpak, dat haar mooie volle maar toch slanke contouren accentueert maar wel voldoende bedekt, op haar badhanddoek.

Nu moet het gebeuren, denk ik, raap al mijn moed bij elkaar en roep: " Hey Toos, mag ik erbij komen zitten?" 

"Tuurlijk," antwoordt ze, "warm hè!"

Ik knik en duik in het losse witte zand naast haar. Warm heb ik het, ja, heel warm!

Voorzichtig schuif ik wat dichter naar haar toe en raak haar arm aan. Ze trekt die niet terug en dat geeft vertrouwen.

"Toos," ik kijk haar aarzelend aan, maar stel onmiddellijk mijn brandende vraag. "Wil jij verkering met mij?"

Het is eruit!

Ik heb haar gevraagd!

Verwachtingsvol kijk ik het meisje aan. Er trekt een veelbelovende glimlach over haar gezicht.

"Ge bent een leuke jongen, Henk, maar ik ben al bezet!"

Bam!

Alsof er een landmijn onder mijn lichaam ontploft!

Bezet? Daar hebben we het fietsend nooit over gehad.

"Maar ik zie je nooit met een vriend," klinkt het duidelijke teleurstellend uit mijn mond. Er valt een korte stilte, die echter snel door Toos wordt verbroken.

"Ik zie hem ook bijna nooit; hij vervult zijn militaire dienstplicht bij de marine en zit veel op zee. Je moet wel beloven, dat je het tegen niemand vertelt."

Dienstplicht? Maar dan ...

"Dan is hij al minstens achttien jaar! Jij bent pas vijftien!"

Mijn vriendin hoort de spijtige toon in mijn stem en antwoordt met een pruilerig mondje:

"Negentien is hij. Ik kan er niks aan doen, Henk. Jij bent lief, maar ik ben verliefd op hem. Al maandenlang. Maar ik moet op hem wachten totdat hij na zijn diensttijd definitief thuiskomt."

Ik knik begrijpend, maar blijf ondanks de grote deceptie dicht bij haar liggen.

"Is er geen enkele kans?" probeer ik nog.

"Reken er maar niet op," lacht ze tegen mij. "Toch vrienden?"

"Natuurlijk," antwoord ik, maar van binnen slaak ik een lichte vloek. Jammer, ik heb me dit toch anders voorgesteld!

 

Af en toe fiets ik hierna nog met Toos naar Dongen, minder frequent als hiervoor. Toos pinkt tijdens de gesprekken soms een traantje weg, als ze vertelt, dat bij de marine de diensttijd 21 maanden lang is. Dan heeft hij ook nog een streepje op zijn mouw gekregen en dat houdt weer in dat de dienst met drie maanden verlengd is!

"Twee jaar, Henk," snikt ze dan. " Twee jaar lang zie ik hem bijna niet."

 

Mijn verliefdheid is over, maar toch probeer ik haar te troosten. Veel tijd heb ik daar niet voor, want een nieuwe verliefdheid heeft al toegeslagen.

Ze heet Ria.

Nog twee verliefde avontuurtjes verder en ongeveer twee jaar later heb ik mijn levensgezel gevonden: Riet, waar ik vijftig jaar mee getrouwd blijf.

De zeeman van Toos is intussen afgezwaaid en nu kan ze hem elke dag zien. Twee maanden duurt het, dan vindt de marineman een voor hem leukere vriendin en zet Toos aan de kant. Hij weet niet wat hij vergooit!

Twee jaren wachttijd heeft ze daarvoor over gehad!

Na een behoorlijke tijd van rouw is Toos haar nieuwe prins tegen gekomen en - hoop ik - met hem gelukkig geworden.

Ik heb dat geluk in ieder geval wel gevonden!

 

 

© Henk M. van Oosterwijk

Er brandde één kachel

Wat was vroeger het leven toch eenvoudig.

Als ik vroeger zeg, ga ik terug naar de begin jaren vijftig in de 20e eeuw. Mijn ouders betrokken een nieuwgebouwd huis in de Laagstraat in Rijen, eigendom van mijn grootouders. Het pand was hartstikke nieuw. Wij waren toen goedkoop in het gebruik van energie, iets wat bij die tijd hoorde: zuinig zijn met alles. Vier flesjes bier en een halve liter jenever op de kelderbank voor eventueel bezoek en een fles prik voor ons op de zondag.

Soms heb ik heimwee naar die tijd, die levenswijze half weg de vorige eeuw.

 

Water kwam uit slechts één kraan: de keukenkraan boven de granieten gootsteen. Alleen koud water, wel te verstaan. Als er warmwater nodig was, werd dat in een fluitketel of pan op de keukenkachel warm gemaakt en dat gebeurde alleen maar voor de huishouding. Om soep te maken of aardappels te koken; maar ook om de kuip van ons houten wasmachine te vullen.

Eens, eind jaren ’50, trapte mijn vader samen met veel buurtgenoten, in het verkooppraatje van een handelaar, die de deuren langs ging met een elektrisch doorstroomapparaatje. Het was een 220 volt geisertje van twintig centimeter hoog – een beetje eivormig, dat in plaats van de koudwaterkraan in de keuken op de waterleiding werd geschroefd. Het duurde enkele weken en het apparaatje gaf de geest. En zo geschiedde bij al onze buren. Telefoneren en brieven schrijven naar de handige handelaar hielp geen zier; het telefoonnummer bestond niet en de brieven bleven onbeantwoord!

Ook toen kon dat gebeuren!

Maar goed, onszelf wassen werd opnieuw gewoon gedaan met koud water, of het nu twintig graden boven nul of eronder was! Dat gebeurde dus aan de gootsteen in de keuken en eenmaal per week in een zinken teil in de bijkeuken. Water werd dus niet zoveel gebruikt en kostte ook maar een paar centen per kubieke meter.

 

In de kelder stond een gasmeter opgesteld met een gasleiding naar slechts één gasaansluitpunt: een tweepits groen geëmailleerd gasstelletje, dat ook weer op dat granieten aanrechtblad stond. Het werd alleen gebruikt in de zomer, wanneer het te warm was om de kachel in de keuken te stoken, want het toenmalige stadsgas was veel duurder dan het in de jaren ’60 oprukkende aardgas uit Groningen.

 

Het meeste energieverbruik zat dus in het stoken van kachels.

Daarvoor ging ik een paar keer met ons moeder in augustus naar het bos. Niet om hout te sprokkelen, maar om mastappels (dennenappels) te rapen. Als in de keuken de kleine plattebuiskachel ’s morgens vroeg werd aangestoken, vulden we de vuurpot eerst met een oude krant en daarna met mastappels. Soms ook ging er nog een scheut petroleum bij om de kachel snel brandend te maken. Als die dennenappels goed branden werd met de kolenkit de pot verder gevuld met antracietkolen. Soms kocht mijn vader eierkolen – samengeperst kolengruis in een ronde vorm – of van die langwerpige kolenbriketten, eveneens samengeperst kolengruis. De eierkolen en briketten werden meer in de avond gebruikt, omdat ze lang doorgloeiden en dus lang voor warmte in huis bleven zorgen.

Verder werd alles wat brandbaar was in de keukenkachel gestopt, zodat er weinig afval overbleef. Ook oude schoenen, toen nog geheel van leer, zowel het boventuig als de zolen en hakken. De spijkertjes waren in de as terug te vinden.

Een kolenhok, gemetseld in de bijkeuken, werd door kolenboeren als De Hoon, Heijnen of Willebrords voor de winter volgestort met een mud (70kg) of zeven, acht antraciet, meestal genoeg om de winter door te komen.

 

De keukenkachel was de hoofdverwarming in ons huis. Ons hele gezinsleven speelde zich grotendeels af in de keuken: koken, eten en radioluisteren. Populair in die jaren was het programma ‘De Bonte Dinsdagavondtrein’ met artiesten zoals Snip en Snap, Willy Alberti, Toon Hermans, Rudi Carrell, accordeontrio The Three Jacksons, Bob Scholte en Bobbejaan Schoepen. Dat was lachen en muziek, ontspanning van de hoogste plank!

De kolenhaard in de huiskamer werd alleen aangestoken, als er ’s winters in het weekeinde bezoek kwam. Omdat het steeds aansteken met papier, mastappels en hout zo arbeidsintensief was, besloten mijn ouders hier een oliehaard, geleverd door de firma Dekkers, te plaatsen met een tweehonderd liter tankje op een stellage naast het huis. Deze haard verwarmde zowel huis- als voorkamer, die gescheiden waren door schuifdeuren. De voorkamer, die wel een schoorsteen had, maar geen kachel, was gevuld met salontafel en vier fauteuils; alleen hoog bezoek werd hier toegelaten. Als er bijzondere gasten werden verwacht, dan schoof ons moeder de deuren tijdig open, zodat de warmte uit de huiskamer naar de voorkamer kon trekken.

 

De slaapkamers op de eerste verdieping waren niet verwarmd. Als ‘Vadertje Winter’ flink te keer ging en de temperaturen ver beneden nul kwamen, werd de gangdeur ’s avonds een tijdje opengezet.

“Dan kan de wèèrmte un bietje naor boven trekke,” legde ons moeder uit.

Maar ja, soms vroor het tot vijftien graden of erger onder nul! De ijsbloemen stonden dan op de ruiten!

“Ge slôpt ut lekkerst mééj bevrore ore,” zei ons vader altijd, maar hij zorgde wel voor genoeg wollen dekens, een dikke sprei en een breed zwaar kussen op het voeteind van het bed om voor ons de kou tegen te houden. En die oren trokken we ook onder de dekens!

 

Dan de elektriciteit.

De benedenverdieping bestond uit een voorkamer, zitkamer, entreehal, woonkeuken, bijkeuken, toilet en kelder. De kelder deed dienst als ‘koelkast’ en was tevens voorzien van een spekkuip, een aardappelhoek en banken om conserven of wekflessen op te zetten. Allemaal voorzieningen om etend de winter door te komen.

Alle ruimtes hadden één lichtpunt met wandschakelaar. De voor- en zitkamer, en de keuken en bijkeuken waren voorzien van elk één stopcontact. Op de verdieping waren drie slaapkamers, maar slecht één stopcontact op de overloop.

Buiten de lampen werd er weinig stroom verbruikt. In de keuken stond een radio voor het nieuws en de arbeidsvitaminen (een populair muziekprogramma, dat er elke ochtend op de werkdag was tussen tien en twaalf uur. Pas toen ik een jaar of vijftien was (1958) kocht moeder een kofferplatenspeler, waar we 45- en 33-toeren platen op konden draaien en ik naar Elvis Presley kon luisteren.

 

In de bijkeuken werd, na enkele jaren, een wasmachine geplaatst. Het was een houten kuip met elektromotor, die op vernufte wijze drie houten armen heen en weer liet zwaaien tussen het wasgoed. Op de kant van de kuip stond een wringer om, na het spoelen, het water uit het wasgoed te persen.

 In het begin moest moeder een teiltje water op de kachel zetten om het warme water in de kuip te gooien. Later kocht vader een elektrisch dompelelement, dat los in de kuip werd gezet om het water te verwarmen. Als moeder dacht de goede temperatuur te hebben bereikt, werd het element uit de kuip gehaald en de wasmachinemotor ingeschakeld.

Dan had moeder nog een elektrisch strijkijzer en een stofzuiger.

Dat was het eigenlijk.

Later kwam er nog een stikmachine bij, waarop ons moeder thuis schoenen en tassen in elkaar naaide. Onze eigen naaimachine was overigens nog met zo’n trapplateau, dus voetaandrijving.

 

Geen telefoon, geen telvisie, geen computer en bedenk er zelf nog maar een stapel apparaten bij. We hadden het allemaal niet nodig en we leefden toch gelukkig met elkaar.

Tjonge, ik zou zo weer terug in die tijd willen stappen! Ik wil niet zeggen, dat het toen allemaal beter was dan nu. Maar wel simpeler.

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Geen rijbewijs

We leven in 1967 en wonen in het Brabantse dorpje Rijen.

Een paar maanden na onze trouwdag besluiten we een autootje te kopen. Veel geld hebben we niet overgehouden na het trouwfeest en de inrichting van onze woning. Daarom trekken we slechts driehonderd gulden uit om ons eigenaar te mogen noemen van een twaalfjarig Fiatje 600. Het wagentje ziet er ongeveer hetzelfde uit als zijn zusje in 2017, ongeveer; met voorin een kofferruimte en achterin de motor.

We zijn trots op ons karretje.

Ik heb al voor de eerste keer mijn rijbewijs verlengd, maar Riet is pas een viertal weken bezig met autorijlessen. Zestien weken later en totaal twintig rijlessen doet ze rijexamen. Theorie is geen probleem, maar voor het rijden zakt ze. Zelf is ze er van overtuigd, dat ze prima gereden heeft, maar helaas denkt de examinator daar anders over.

 

Intussen begint het voetbalseizoen en speel ik met RAC in de 2e klasse B de thuiswedstrijdjes op sportpark De Vijf Eiken in Rijen. Riet, anders een fanatieke supporter van mij, blijft die eerste zondag thuis.

Als ik ‘s avonds, na een pittige wedstrijd en een lekker pilsje in de RAC-kantine te hebben genomen,  tegen zeven uur thuis kom, valt me meteen een scherpe deuk in de achtermotorkap van ons Fiatje op.

"Wa hèdde nou wir uitgespôkt?" vraag ik met een beetje nijd in mijn stem aan mijn vrouwtje, "Dur zit nun deuk in dun auto!"

"Nou," antwoordt Riet, "als ge niet kwaad wordt, dan vertel ik het!"

Ik ben wel behoorlijk opgefokt, maar kan mijn boosheid verbergen en beloof niet boos te worden.

"Ik ben vanmiddag een beetje aan het oefenen geweest met de auto te keren," legt ze uit.

"Kére? Toch nie op straot?" Ik reageer blijkbaar te fel, want Riet draait zich om.

"Neije, wacht effe," reageer ik zo kalm mogelijk. "Prôt verder. Ik zeg niks mir"

"Ik heb hier achter de poort geoefend." Ze wijst richting achterkant van onze woning. Via de inrit van de boerderij van 'grijze Jaon' de Hoon kunnen wij achter onze woning komen, waar nog een veldje van ongeveer acht meter breed is. Onze tuin is afgescheiden van het veldje met een betonnen schutting. Hierin heb ik een dubbele poort gemaakt, zodat we ons autootje het erf op kunnen rijden en onder de waranda stallen.

"Ge hèt um aachteruit de poort deur geréje?" herhaal ik overbodig.

"Ja. Corrie van de soepboer heeft mee gekeken, of ik wel goed reed," legt Riet uit. Corrie en John 'soepboer' Weterings zijn onze buren. "En dat ging allemaal goed," gaat mijn vrouw verder.

"Hoe komt dieje deuk dan in ooze auto?"

Ik ben er wel benieuwd naar, hoe ze dan die vervelende scherpe deuk in die klep heeft gereden!

"Ik ging daarachter keren," gaat mijn vrouw weer verder met een jongensachtige lach op haar gezicht, "en dacht dat de versnelling in z'n één stond, gaf vol gas maar schoot achteruit tegen de schutting aan!"

Ik moet even bijkomen.

"Veuruit, aachteruit, de schutting?"

Ik loop naar buiten de tuin in en zie, dat de betonplaten tussen twee palen naast de inrijpoort verdwenen zijn. De platen zijn gebroken en naar beneden gevallen. Dat verklaart ook die scherpe deuk, waar een betonplaat op zijn kant de grove beschadiging wel gemaakt zal hebben.

Van binnen gloeiend loop ik terug het huis weer in.

"Lekkere deuk," brom ik zachtjes, mijn woede onderdrukkend. Ik heb beloofd om niet kwaad te worden. Zonder verder iets over de schade te zeggen, zet ik de teevee aan. Sport in Beeld begint en Feyenoord wil ik niet missen.

"As g'ut vôrt mar uit oew lijf laot om auto te rije, vurdè g'oew rijbewijs hèt," mompel ik er nog achter aan.

 

Een maandje later kopen we een Ford Taunus 1500 Sport, nog geen twee jaar oud. Als we met RAC een uitwedstrijd spelen tegen Terneuzen, blijft Riet opnieuw thuis. Nu met een rede: "Ge zit meer in de bus, dan dat er gevoetbald wordt!"

Ze heeft nog steeds geen rijbewijs en als ik die avond rond negen uur thuis kom, loop ik eerst een rondje om mijn mooie sportwagen heen om vast te stellen, dat er geen beschadigingen zijn.

Niets! Gelukkig! Ze heeft niet gereden!

Als ik mijn hand op de motorkap had gelegd, zou ik beter geweten hebben!

Pas nadat ze voor haar rijbewijs is geslaagd en we met een lekker wijntje aan het kerstdiner zitten, biecht ze lachend op, dat ze die bewuste dag even op en neer was gereden naar haar oudste zus Bep in .............Rotterdam!

© Henk M. van Oosterwijk

Oudejaars overpeinzing

Het leven is als ijspret op een koude winterse glijbaan: Het geeft veel plezier en je kunt er je energie in kwijt.

Maar je kan ook vallen en er een pijnlijk gevoel aan een uitglijder overhouden.

Dikwijls neem je een flinke aanloop, schuif met een versnellende vaart door over het gladde ijs en glijd dan langzaam uit naar het einde van de baan.

Soms wordt je afgeremd door een ‘bot’ stukje ijsbaan of kom je er zelfs tot stilstand.

Mijn vrouw Riet is zo’n bot stukje tegen gekomen en stilgevallen.

Hoe lang ik nog doorglijd met dat botte stukje in mijn gedachten?

Ik weet het gelukkig niet.

 

© Henk M. van Oosterwijk

IJsvrij

Als ik naar buiten kijk, zie ik de natte sneeuw naar beneden dwarrelen. De temperatuur is enkele graden boven nul, dus de vlokjes verdwijnen op de asfaltweg en veroorzaken een nat en glad wegdek.

Mijn gedachten dwarrelen nu ook, terug naar de jaarwisseling van 1955 in 1956.

De decembermaand was toen ook warm, zoals nu. Januari begon met regen en wij dachten een natte winter te krijgen. Niets daarvan!

De tweede helft van januari legde vadertje winter Oost-Nederland onder een dikke witte sluier. Langzaam schoof het winterse weer over geheel ons land en daalden de temperaturen ver onder de -10 graden! 

 

Februari bracht ons een echte winter!

Zeventien dagen lang bleef het tussen de 10 en 20 graden vriezen en werd Nederland toegedekt met een sneeuwlaag van bijna vijfentwintig centimeter!

In het plaatsje Uithuizermeeden (boven in de provincie Groningen) werd de laagste temperatuur gemeten van -26,8 graden! 

Alleen in het jaar 1823 was het kouder, verspreidde de winter zich over heel Europa, waarin toen ruim 700 doden vielen door de vrieskou!

Dat waren nog eens winters!

 

Terug naar februari 1956.

Ik ben dertien jaar oud en zit op de St. Gerardus Majella Mulo in Dongen.

Voor ons betekent deze aanhoudende winter veel sneeuw en ijspret. Alle sloten in 't Rijense Broek zijn bevroren en veranderen in glij- en schaatsbanen. De vispoelen, de Bagger (een grote poel in het Vijf Eiken bos nabij zwembad Surea) en het zwembad zelf hebben een dikke ijslaag. Helaas ook bedekt met een laag sneeuw.

Maar iedere schaatser brengt wel een zelfgemaakte sneeuwschuiver, platte schop of bezem mee om met vereende krachten een grote ronde schaatsbaan te creëren. Bijna drie weken kunnen we genieten van de natuurlijke ijsbanen. Er is echter één probleem: we moeten ook nog naar school en spijbelen is er in deze tijd niet bij. Er wordt door de broeders streng gecontroleerd!

 

De Route naar school is met de fiets amper te rijden.

De Kerkstraat (nu Hoofdstraat in Rijen) en de Dongenseweg zijn 'kinderkopkesstraten', een met kasseien gelegde weg, die ten behoeve van de waterafvoer ook nog een bol aangebracht was. Tegen de kasseien is een klinker fietspad van nog geen meter breed aangelegd. De gemeentelijke sneeuwruimslede (zie tekening) heeft alleen het midden van de weg ontdaan van sneeuw; de fietspaden zijn daardoor bedolven onder een meter dikke laag ijssneeuw.

Als we op de Dongenseweg café 't Halve Maantje passeren in het buurtschap 't Laareind, komen we bij het bos 'De Duiventoren', waar over de gemeentegrens de kasseien in asfalt veranderen. Er ligt wel een betonnen fietspad aan de linkerzijde van de weg, maar daar ligt de sneeuw no de baas te spelen. Zijn we de draaibrug over het Wilhelminakanaal gepasseerd, hebben we weer een kasseienweg, die tot voorbij Huize Overdonck en onze daarnaast liggende school loopt.

Niet te fietsen dus met dit weer.

Daarom nemen we de BBA-bus, die ons volgeladen tot bij Huize Overdonck brengt. 

 

Er bestaat 'ijsvrij' in onze schooltijd.

Ook de lesgevende Broeders van onze Mulo zijn zo meegaand, dat we in deze barre winter vrij krijgen om ijspret te kunnen beleven.

Maar we weten nooit wanneer!

Daarbij hebben deze liefhebbende kloosterlingen de onhebbelijke gewoonte het ijsvrijbericht, ondanks de rond gonzende geruchten, pas precies om twaalf uur (einde les) met een lachend gezicht aan ons mede te delen, "dat  er geen les is deze middag en dat we mogen gaan schaatsen!"

Om vijf minuten voor twaalf vertrok onze bus!

Kunnen ze ons nou niet even om kwart voor twaalf loslaten? Nou moeten we tot vijf voor twee wachten op de volgende rit naar Rijen! Voordat we nu thuis zijn en onze schaatsen hebben gepakt, wordt het weer donker!

"We gaan lopen!"

Of nou Frans Mertens, Bert Boomaars, Piet Peeters of ikzelf op dit idee komt, dat weet ik niet meer. Maar het is wel een feit, dat geheel de Rijense kolonie van Gerardus Majella de zware boekentassen tillen en gaan stappen. Richting Rijen.

"Het is een kilometer of vijf," zeggen we tegen elkaar om moed in te spreken. "Over een uurtje zijn we thuis en met de bus duurt het ruim een uur langer!"

 

We stappen lekker door.

De Wilhelminabrug kunnen we vlot over, want het kanaal ik compleet dicht gevroren. Alleen is er op dit ijs niet te schaatsen, omdat ijsbrekers de vrachtschepen zo lang mogelijk in de vaart hielden.

Bij de Duiventoren, pas half weg, begint de vermoeidheid bij vele jongens (meisjes zitten niet op onze school) toe te slaan. We hebben het gevoel, alsof onze boekentas steeds zwaarder wordt. Eerst dragen we hem met de rechter, dan weer met de linkerhand. Dat wordt daarna twee handen. Sommigen gooien de aktetas met twee handen over de schouder, maar dan moet je vooroverlopen en dat houden ze ook niet lang vol. Tenslotte wordt de tas met zware leerstof op het wegdek gelegd en naar voren geschopt. Dat gaat even goed, want de tas glijdt door over de door auto's en boerenkarren hard aangereden sneeuw. Maar uiteindelijk blijkt dit ook teveel energieverslindend.

 

Moe van de zware wandeling komen we om half twee thuis. Toch drie kwartier eerder dan de bus!

Het idee, dat we nu snel op de schaatsbaan zullen staan, geeft ons nieuwe energie en weg zijn we weer met de bootschaatsen over de schouders. Richting Rijens Broek, want daar wonen we tegenaan. 

We krijgen deze weken nog tweemaal ijsvrij, maar dan kiezen we toch maar voor de BBA-bus, ondanks het verlies van drie kwartier.

Van Dongen naar Rijen lopen is geen punt. Zelfs niet door die sneeuw, maar die zware boekentas!

 

© Henk M. van Oosterwijk

Kerstmis

Uit mijn boek "Mijn jeugdherinneringen", hoofdstuk 29: 50er jaren.

 

Kerstmis.

 ‘Kessemus’ betekent rust voor ons.

Rust, omdat ons vader en moeder die dagen niet hoeven te werken. Niet voor de baas natuurlijk. Het werk rondom thuis moet altijd gedaan worden.

Maar op de vierentwintigste december, als onze pa ‘aovund heeft’, dan kijgen zij twee dagen vrij:  twee dagen doorbetaald verlof op eerste en tweede kerstdag. Ook al vallen die dagen midden in de week en dat is het mooiste natuurlijk!

Het is in de vijftiger jaren en ik ben een jaar of acht negen oud. Onze pa maakt in die tijd achtenveertig uur per week. Op de zaterdag moet ‘s morgens ook gewerkt worden. En maar eenmaal per jaar één week vakantie, dat is alles.

Dus een paar dagen extra is voor het hele gezin een feest. Wij zelf hebben twee weken Kerstvakantie. Twee weken niet naar school, daar zijn wij dolgelukkig mee. Want ook wij lopen zes dagen in de week naar de Pius X school. Door de weeks hebben we les van negen tot twaalf uur en ’s middags zitten we om half twee weer in de banken en worden om kwart voor vier vrij gelaten. Op de woensdag en zaterdag is er maar een halve dag les en zijn we op het middaguur vrij. Geen gymles, geen natuurwandelingen, geen schoolreisjes! Daar hebben wij op de Rijen allemaal geen tijd voor.

Maar het einde van het jaar wordt dan speciaal. Het is echt pas de laatste week voor Kerstmis, dat wij aan het kindje Jezus en de vrije dagen gaan denken. Want dan schiet onze pa op een zekere avond de bossen in en zoekt daar een mooie Kerstboom uit. Op de fiets met de boom onder z’n armen komt hij dan naar huis gereden! Niet dat wij zo arm zijn, dat we geen kerstboom kunnen betalen. Maar ons vader voelt graag de spanning om dit soort dingen uit te halen.

Natuurlijk mogen er geen bomen in het bos gekapt worden.

Stelde voor, dat geheel Rijen dat gaat doen; ge houdt geen bos meer over. Maar onze pa zegt altijd:

“ ’t Bos is van iedereen, dus ok van oos! “

En hij kapt er zijn kerstboom.

 

Thuis wordt de boom dan met plangeskes aan de voetstam verstevigd en op een laag tafeltje gezet. In de hoek van de keuken, want daar leven wij in. En dan zit het karwij van ons vader er op en begint ons moeder de den op te tuigen.

Wij helpen daarmee, onze Wim en ik.

Mijn broer is nog maar een klein manneke, een jaar of vijf jonger dan ik. Hij denkt dat ie alles net zo goed kan als zijn oudere broer. Moeder laat hem daarom de Kerstkransjes in de boom hangen, die hoef je alleen maar over een klein takske te schuiven. Ze moet hem dan wel goed in de gaten houden, want die kransjes zijn van suikersnoep en hij heeft ze eerder in z’n mond zitten dan in de boom!

Ik hang de kerstballen, engeltjes en andere figuren  links en rechts aan de takken en ons ma draait de zilveren slinger in de boom. Ze begint bij de top en laat het sierlint langzaam op de boomtakken naar beneden draaien.

Dan plaatst ze de kaarsjes met een klemmetje op de takjes. Dat doet ze helemaal zelf, want die kaarsjes moeten zo in de dennenboom staan, dat ze geen brand kunnen veroorzaken.

Ze spuit dan hier en daar nog wat sneeuw op de takken.  Engelenhaar gebruikt moeder niet, want dat is te gevaarlijk met die brandende kaarsjes. En tenslotte gaat de grote zilveren ster boven in de top van de boom. Hij raakt bijna het plafond! 

En onze Kerstboom is klaar!

Maar wij nog niet! Onze pa heeft intussen de Kerststal van zolder gehaald. Met de bijbehorende dozen, waar allerlei beeldjes in zitten. De Kerststal zelf is iets speciaals:  met eigen handen gemaakt door onze ‘opa Vijf Eiken’.

Van witte berkenhouten takken, die een diameter van een dikke centimeter hebben, timmerde hij een stal in elkaar. Die werd bevestigd op een vlakke plaat hout. Het schuine dak beklede hij met uit de sloot gesneden riet.  De rietstengels bond opa met ‘klauwtouw’ aan elkaar. Dat is een soort vlieger touw, en dat was een secuur werkske! Het is een prachtige kerststal geworden. Zo ene konde in de winkel of op de markt niet kopen!

Het Kerststalletje is ruim een halve eeuw meegegaan. Uiteindelijk sneuvelde het – jammer genoeg - bij onze verhuizing van Rijen naar Oosterhout in 2002.

Dus dat stalletje wordt op de tafel onder de kerstboom gezet. Eerst een beetje opvullen met wat fijn hooi en wat namaak mos. Daarna krijgen de gipsen beeldjes elk hun eigen plaats. 

Kindje Jezus in z’n kribbe natuurlijk centraal in de stal. Daarnaast Maria en Jozef. De herderkes met hun schapen, de Drie Wijzen uit het Oosten met hun kamelen, de os en de ezel, niets ontbreekt er.

Ja, het een of het ander schaap verschilt wel van afmeting met een ander. Dat komt, omdat er van de ouwe serie wat gesneuveld zijn en de nieuwe serie net iets groter is uitgevoerd. Of er ontbreekt een kameel, die het einde van de Kerst vorig jaar niet gehaald heeft. Eén jaar is het zelfs zo, dat de Drie Koningen nog al wat kleiner zijn, dan bijvoorbeeld Sint Jozef!

“Dè komt,” legde ons vader uit, “omdè ze uit ’n aander laand kome. Daor zèn ze wa korter van postuur!”

Maar niemand die daar over valt. 

Voor op de stal wordt nog een ‘staartster’ geschroefd en boven de stal in de boom hangt een engel te bengelen.

“D’n dieje, die tege de herders kwaam vertelle, dè Jezus gebore was,” legt onze pa nog uit.

Ons moeder heeft het weer prachtig voor mekaar!

Naast de mooie Kerststal zijn er twee dingen, die onze speciale aandacht trekken: de kaarsjes en de kerstkransjes. We moeten echter tot Kerstavond wachten om hier van te genieten. Want dan pas worden de kaarsjes ’s avonds aangestoken. Nadat wij gewassen zijn en onze pyjama’s aan hebben.

We gaan met z’n vieren rond de kerstboom staan of zitten en dan steekt ons moeder, met een lucifer, de kaarsjes aan. Wij mogen niet te dicht bij de boom komen en moeten van de lucifers afblijven. Hoewel we graag die kaarsjes zelf aan willen steken. Een mooi gezicht is dat, als alles brandt.

Ons ma doet het licht uit en we kijken stil en bewonderend naar de boom met zijn dansende lichtjes. Even dan, want we zien in het flikkerende licht ook de kerstkransjes hangen, dat lekkere snoepgoed!

Ons moeder verwacht echter eerst van ons, dat er gezongen wordt: kerstliedjes natuurlijk. 

‘De herderkes lagen bij nachte’, dat is een van de gangbare liedjes, die wij het beste kennen. Maar er zijn d’r meer.

Een versje is me bijgebleven, tenminste het eerste couplet. Ik ken trouwens alleen dat eerste couplet, want wij willen zo snel mogelijk die kerstkransjes uit de boom halen!

Het klinkt zo:

        Kerstkiendje is gebore

        Al in n’n ouwe stal

        Drie daoge van te vore

        Toen wiesten ’t de herderkes al

        Ja, toen wiesten ’t de herders al!

 

En bij die laatste zin kijken onze Wim en ik elkaar aan en schieten naar de kerstboom om wat kerstkransjes te plukken!  Net of we nooit niks krijgen!

En dan komt het volgende ritueel: de kaarsjes uitblazen!

Dat mogen wij wel doen. En dat wordt heel vlug gedaan, want onze Wim is altijd bang, dat ik er eentje meer uit blaas dan hij. En andersom ook! Ons vader moet nog al eens ingrijpen, omdat anders de boom om zal vallen!

Maar het is altijd goed afgelopen!

Het zingen wordt elke avond herhaald met alle bijbehorende rituelen. En elke keer opnieuw is dat een feest voor ons.

Na de kerstdagen komen Oudejaarsavond en de Nieuwjaarsdag met de traditionele oliebollen. Ook de nieuwjaarsdag is een vrije doorbetaalde dag voor ons vader, hoewel er van rusten niks komt. Iedereen de beste wensen geven en een lekker pilske pakken, dat is Nieuwjaar!

Voor ons een glaske Exota  mee prik, natuurlijk!

Na Nieuwjaar begint onze kerstboom meestal veel spelden te verliezen, maar elke dag de spelden wat weg vegen onder de boom en het is weer netjes. Want de kerstboom moet het tot zes januari uithouden.

Dan is het ‘Drie Koningen’. 

En al die avonden voor ‘Drie Koningen’ wordt er gezongen, want ons moeder zorgt ervoor, dat de kerstboom suikerkransjes blijft houden!

Zijn de Drie Koningen vertrokken, betekent dat het einde van de kerstpret. En op zeven januari verdwijnen de ballen en kaarsjes en andere accessoires weer in dozen naar de zolder.

De dennenboom wordt in d´n hof geplant en voorzien van voldoende water. Soms schiet ie wortel en kan ie het jaar daarop weer gebruikt worden. Maar meestal geeft de uitgedroogde boom de geest en wordt hij nog die zelfde winter in de keukenkachel opgestookt. De volgende kerst zal ons vader wel weer voor een nieuwe boom zorgen.

Na zes januari hervat het sobere winterse leven weer zijn normale gangetje en leven we naar Vastenavond toe.

Want dat wordt ons volgende feestje.

 

Vertaling Brabants – Nederlands:

Kessemus - Kerstmis

Als onze pa aovund heeft – als vader klaar is met werken

ok van oos – ook van ons

Dè komt, omdè ze uit ’n aander laand kome – dat komt, omdat ze uit een ander land komen

Daor zèn ze wa korter van postuur – daar zijn ze niet zo lang

D’n dieje, die tege de herders kwaam vertelle, dè Jezus gebore was – die kwam tegen de herders vertellen, dat Jerzus geboren was

glaske Exota  mee prik – glas limonade

©  Henk M. van Oosterwijk

 

 

Raok me us aon

Ik heb verdriet

Heimwee

Verlangen

Nooit meer contact met jou

 

Ik heb gedacht

Gepeinsd

Getobd

Geen antwoorden gekregen

 

Ik heb gehuild

Getreurd

Gejankt

Eindelijk een zee van tranen

 

Mijn wangen nat

Gedrenkt

Gedroogd

Tegen beterweten in gezegd:

 

Hallo Riet, 

Waor bende,

Raok me us aon

Kom us effe naost me staon

Waor zitte

Ik mis oe

Kom noggus langs

Maar . . . . . . . . . . . . . . . . . 

© Henk M. van Oosterwijk

Blote meid

Het is ongeveer veertig jaar geleden.

In 1976 om precies te zijn. Riet en ik zijn aan een nieuw avontuur begonnen: het runnen van café ’t Halve Maantje aan de Dongenseweg in Rijen. Het centrum van Brabant.

Op Goede Vrijdag, voor Pasen dus, lig ik ’s morgens op de grond in het café naast het biljart te rollen van de pijn.

“Niersteenaanval,” kreun ik tegen mijn vrouw.

“Ik ga de dokter bellen,” antwoordt Riet en wil naar de telefooncel lopen.

“Nee, wacht,” reageer ik klagend, “we staan voor een druk weekeind. Laten we even afwachten. Misschien gaat het over.”

In 1970 had ik al een niersteenoperatie ondergaan, uitgevoerd door dokter Wierdak, een Poolse uroloog die zijn ervaring opdeed in de veldhospitalen tijdens de Tweede Wereldoorlog! Ik herinner me zijn onderzoek maar al te goed. Via een slangetje door mijn piemel naar de blaas bekeek hij mij van binnen en trok daarna in één ruk dat slangetje er weer uit. Er bleef geen piemel over!

“Niks wachten,” antwoordt Riet resoluut, ”ik ga bellen! Het werk hier los ik wel op!”

 

Een half uur later zit ik in de auto naast Riet, die me in het Ignatiusziekenhuis te Breda afzet. Na wat onderzoeken blijkt er inderdaad een steentje in de urineleider te zitten. Ik word naar de ziekenzaal gebracht om daar onder toezicht medicatie te ondergaan.

Wie ligt daar op die ziekenzaal? Christ Witlox!

Christ, de expediteur en grondverzetter uit Rijen, en stamgast van café ’t Halve Maantje. Hij is een dag voor mij hier binnengebracht met dezelfde pijnklachten en een niersteen, zoals ik.

We krijgen allebei medicatie, tegen de pijn en om de urinewegen te verweiden. U zult het niet geloven: tevens ontvangen we twee flesjes bier de man om het plassen te stimuleren.

In welk ziekenhuis krijg je bier?

Nou, in het St. Ignatius ziekenhuis te Breda!

Van dokter Mulder, die uroloog Wierdak is opgevolgd.

En het helpt!

Die middag vangt Christ zijn niersteen netjes op in een potje; en ’s avonds klettert mijn steentje, voor ik er erg in heb, tijdens het plassen in de wc-pot. Ik kan hem helaas niet meer terugvinden, maar overtuig het zustertje ervan, dat ik de steen werkelijk kwijt ben.

Je voelt het! Je bent opgelucht. Je plast weer gewoon. Nou gewoon, wel met een beetje pijn en wat bloed. Maar je steen is eruit!

 

We mogen echter het ziekenhuis nog niet verlaten. Zo makkelijk gaat dat niet in 1976!

Zo zitten we op zaterdagochtend, in afwachting van ons ontslag, een potje te kaarten. Christ, nog een nierpatiënt, ik en een oud pastoortje. Een katholiek heertje van drieëntachtig jaar, die ook graag en fanatiek een kaartje legt. Zo hartstochtelijk, dat we weinig kunnen winnen en dan slaat al snel de verveling toe, niewaar?

Ook bij Christ, die me knipogend aankijkt en dan plotseling omhoog springt. Met zijn rechterarm wijst hij naar het raam en roept: “Daor, un blote meid!”

Het oude pastoorke veert overeind, spoed zich naar het raam al roepend: “Waor?”Waor?”

“Daor op dè balkon,” antwoordt Christ, die moeite heeft zijn lach in te houden. Heel de zaal (we liggen er met acht man) schiet in de lach, terwijl het pastoorke door het raam staat te turen. Dan draait het manneke zich om.

“’k Zie wel un vrouw, die zit te zonnen. Mar die heej heur klere gewoon aon!”

Schijnbaar teleurgesteld loopt hij terug naar de kaarttafel en verdiept zich weer in zijn kaarten.

Het schaterlachen van zijn zaalgenoten hoort hij schijnbaar niet, want hij vraagt ongestoord:

“Wa was er ok wir troef?”

 

© Henk M. van Oosterwijk

Varkens verdwijnen uit dorpen

"De varkens verdwijnen uit de dorpen", weet Nicole Roeland in BN De Stem van 7 oktober 2017 te vertellen.

Zij bedoelt natuurlijk de kleine beroepsvarkensstallen, terwijl mijn gedachten eigenlijk afdwaalden naar mijn jeugd, de jaren na WO II. In die tijd zat ons dorp vol varkens. Dan bedoel ik echte varkens, geen mensen, begrijp je!

 

Bijna iedereen op de Rijen had wel één of twee 'kuusen' in de schuur. Niet voor de lol, maar voor de consumptie.

In 1951 betrokken wij ons gloednieuwe huis in de Laagstraat. Traditioneel gebouwd met kelder, toilet zonder watercloset, slechts één watertappunt: boven de gootsteen, en een schuurtje voor fietsen, tuingerij en ....... twee varkens.

Geen badkamer (Wassen deden we ons in een zinken teil), maar wel standaard een varkenskot in de berging opgenomen; met trog en laag buitendeurtje, dat leidde naar en buitenverblijfje.

Het was noodzaak in die tijd.

 

Mijn vader kocht elk jaar in oktober tijdens de jaarmarkt met de Rijense kermis twee biggen, die hij in een kist achter op de fiets naar huis transporteerde. De beestjes kregen voldoende stro en op woensdagmiddag werd het mijn taak het kot uit te mesten. Aardappelschillen, groenteafval en oud brood werden vermengd met meel van molenaar Theeuwes uit de Mareike straat en karnemelk en daarmee voedden wij de varkens. Een klein jaar later, als er genoeg kilootjes spek aan de diertjes zat, kwam de slager aan huis.

Jammer voor de vegetariërs en dierenvrienden, maar dan volgde er een feestdag voor ons. Eén varken werd verkocht aan en meegenomen door de slager, het andere stierf een zachte dood op ons erf. Een schot in de hersenen en een juiste messteek door de keel doodde het dier, waarvan het bloed werd opgevangen om bloedworst te maken, natuurlijk gemengd met spek. Even later hing het varken buiten ondersteboven aan een ladder, de leer die normaal gebruikt werd om op het zolderke boven de keuken te komen. De slager deed zijn werk en het varken werd in de juiste delen gesneden, waarvan veel in een gemetselde pekelkuip in de kelder terecht kwam. De hammen gingen met de slager mee en deze hing deze op in zijn schouw om ze te roken. Daarna kwamen de gerookte hammen weer naar ons toe.

 

Thuis rolden we de kokosmatten uit de keuken en deze ruimte veranderde in een vlees en worst fabriek. Hier draaiden we gehakt en worst en maakten we lekkere zult. Ouderwetse zult, die je nog kon smelten in de pan! Ook kaoikes*) werden er gekookt en de eerdergenoemde bloedworst bereid.

Als kind vonden we het worstmachientje, dat met de hand gedraaid moest worden, het interessants, maar dat mocht alleen onder toezicht, want moeder was bang, dat onze vingertjes ook in de gehaktmolen terecht kwamen!

 

Zo bereidden we ons voor op de winter om niet van de honger om te komen (een beetje overdreven). Vlees en spek was er dus voldoende, de slager werd alleen bezocht om beleg voor op de boterham te kopen.

 

Half de zestiger jaren verdwenen veel varkens uit ons dorp; alleen de boeren hielden ze nog aan. Het waren wel de ‘gemengd bedrijven’, waar de boer naast een tiental koeien ook kippen en varkens had. En een paard natuurlijk om de kar te trekken. Daarna kwamen de gespecialiseerde varkensbedrijven die uitgroeiden tot megastallen.

 

Maar onze varkens, Nicole van De Stem, verdwenen dus al in de zestiger jaren van de vorige eeuw uit ons dorp!

© Henk M. van Oosterwijk

 

*) kaoikes = kaantjes. Knapperig gebakken zouten spekstukjes.

 

Gebraden haan

Ook in de ‘Witte Brood Weken’ kunnen er woordenwisselingen tussen echtelieden zijn.

Voor deze gebeurtenis is dat verkeerd uitgedrukt, want na de door ons gemaakte misvattingen volgden er twee dagen van radiostilte.

Hoor mijn verhaal aan.

 

Het is ruim vijftig jaar geleden. Twee weken daarvoor waren we in het huwelijksbootje gestapt, Riet en ik. Riet had een volle baan bij behangselpapierfabriek Cohen en ik vulde mijn wekelijkse dag in bij Gebroeders Kin NV.

Op een dinsdagavond stapte ik achter langs de keuken binnen en had mijn vrouwtje het warme eten al klaar. Ik moet zeggen, dat ze mijn hele leven al allerlei lekkers voorgeschoteld heeft. Koken dat kan ze, zonder twijfel!

 

Ik schuif aan, aan de keukentafel, en we beginnen met een heerlijke groentesoep. Daarna zet ze een pan gekookte aardappelen, een pannetje snijbonen en een schaal appelmoes op tafel. Zelf schept ze een medium gebakken biefstuk op haar bord en begint te eten. Ze houdt van een mals bieflapje en weet, dat ik daar niet zo dol op ben. Meestal zorgt ze dan voor ander vlees voor mij.

Ik kijk de tafel rond.

Geen vlees? Alleen aardappelen, groente en appelmoes? Zonder iets te zeggen of te vragen schep ik wat gekookte piepers op met boontjes, werk ze naar binnen, loop naar de bijkeuken om mijn voetbaltas te pakken en verdwijn naar sportpark De Vijf Eiken om te trainen. Fietsend denk ik nog: ”Wat zijn dat voor streken? Zij een biefstuk en ik appelmoes! Kom op nou, zeg!

 

Gewoontegetrouw pak ik na de training in de RAC-kantine nog enkele koude biertjes met mijn voetbalmaten en tegen middernacht fiets ik naar huis. Met alcohol in mijn maag krijg ik toch wel wat honger en thuis aangekomen duik ik de kelder in op zoek naar voedsel. Riet slaapt al, terwijl ik een gevonden biefstuk lekker in de pan laat sudderen en daarna smaakvol naar binnen laat glijden.

De honger is weg.

 

De dag hierna kom ik ’s avonds thuis en vind een woedende echtgenote in de keuken.

“Heb jij mijn bieflap opgegeten?”

Vragend kijkt ze me met een vernietigend blik aan, al wetend wat het antwoord zal zijn.

“Ja, gisteravond,” geef ik stug antwoord. “Je had voor mij gisteren toch geen vlees; ik moest het met die appelmoes doen!”

“Appelmoes?” snauwt ze terug. “Appelmoes? Je had eens onder die moes moeten kijken. Daar zat een gebraden haantje onder!”

“Gebraden haantje?” reageer ik ongelovig, “Maar er stond gisteren niks anders in de kelder dan die bief. Ik heb geen haantje gezien!”

“Dat klopt,” antwoordt Riet venijnig, “die schaal met haan heb ik meteen in de vuilnisbak gegooid!”

Even haalt ze adem, maar gaat dan verder: “Na het werk heb ik voor jou een koteletje gekocht, omdat ik dacht, dat er voor mij nog een biefstukje zou liggen. Nou zit ik zonder vlees!”

 

Na dat laatste woordje ‘vlees’ valt er een stilte, die twee dagen zal duren. Wie het koppigste is van ons tweeën, is moeilijk te bepalen.

Wel vind ik twee dagen lang bij het warme avondeten briefjes op tafel naast de pannen en schalen. Met onder andere de teksten: “Dit is sla” en “Dit zijn aardappelen”. En ook wel: “Dit is een blinde vink”.

De derde dag na het incident hebben we de twist maar bijgelegd en in het hierop volgende weekeinde kunnen we dit stomme verhaal weer lachend tegen onze vrienden vertellen.

Zo gaat dat toch in een goed huwelijk?

 

En gebraden haan? Die heb ik lange tijd niet meer op mijn bord gekregen!

 

© Henk M. van Oosterwijk

CAROLIEN

Carolien is een rare.

Ze scharrelt altijd maar rond het huis op zoek naar lekkere dingen. En dat met een zwierige flair en zichzelf breed makend als een trotse pauw, loopt ze namelijk achteruit. Achterwaarts dus. Bij haar geboorte hebben ze waarschijnlijk de versnellingsbak achterste voren gemonteerd, waarbij de ‘vooruit’ is uitgeschakeld.

Behoedzaam met kleine stappen, met haar blinde ogen achterom gericht (ze ziet namelijk zeer slecht), trippelt ze achterwaarts of het de gewoonste zaak van de wereld is. Als er wat op te rapen valt, doet ze dat met een snelle, bijna onnavolgbare beweging, ondanks haar blindheid. Alsof ze sensoren ingebouwd heeft, die nauwkeurig aangeven waar wat te halen valt.

 

Is er niets te beleven rondom huis, gaat ze af en toe eens op onze pony ‘Moortje’ zitten. Het paardje staat dat vriendelijk toe en graast zelf onverstoorbaar verder.

Carolien ‘kijkt’ dan als een heerseres in de lucht en laat daarna haar ‘blik’ (lees sensoren) neerdalen op de rondwandelende geit ‘Miesje’ en de letterlijk bokkige ‘Thijs’. Het geitenpaar is blijkbaar erg verliefd op elkaar geworden, want Miesje loopt met een behoorlijk bolle buik rond.

Kwik, Kwek en Kwak, de drie jonge eenden (zie mijn verhaal “Zinvol gestorven”), kijken verwachtingsvol omhoog naar Carolien, in spanning afwachtend wat er nu weer gaat gebeuren. Als Carolien er is, gebeurt er wat.

Onze Duitse herder ‘Cesar’ ligt achteloos en lui het tafereeltje in de gaten te houden.

 

Plots fladdert Carolien richting Thijs, nu voorwaarts want het vliegroer zit wel in de goede richting. De bok draait echter snel zijn kop met hoorns richting zijn aanvaller, die op haar beurt met de vleugels afremt en net voor Thijs neerstrijkt. Met een korte stoot laat de bok weten nu even niet van spelletjes te houden. Hij is in een wat saggerijnige bui, omdat Miesje constant zijn liefdesdrift afstoot met een krachtige kopstoot. Kakelend rolt Carolien door het gras en krabbelt protesterend omhoog.

Carolien, onze kip, maakt zich dus maar uit de voeten. Uit de poten, bedoel ik. Achterwaarts, nu met vlugge stappen. Want dat kan ze, hard achteruit lopen!

 

Riet, mijn vrouw, heeft de kip op een goede dag gevonden in een droge sloot. Ontsnapt aan de handen van de boer, wiens vrachtwagen naar het slachthuis reed.

Riet ontfermde zich over de jonge kip en doopte haar ‘Carolien’. Ze gaf haar het juiste voedsel, waarna het diertje uitgroeide tot een reusachtig soort pluimvee. Bijna blind was het kippetje en ze had in haar zes jonge weken tussen de duizenden kuikentjes aangeleerd om achteruit te lopen.

Voor iedereen een topprestatie; voor Carolien een fluitje van een cent.

 

Carolien legde ook eieren, prompt elke dag eentje.

Maar wel reuze eieren! Dubbeldooiers! En lekker!

In het derde kwartaal van de vorige eeuw hadden wij nooit iets gehoord van het luizengif ‘fipronil’ of hormonen in veevoer. Wel geruchten. Misschien de rede, waardoor Carolien zo’n reusachtige kip werd en ons van vele eieren voorzag. Het was een mooie aanvulling van onze veestapel en Carolien leidde er een mooi leventje. Tussen Moortje, Miesje, Thijs, Kwik, Kwek en Kwak.

 

De moraal van dit verhaal?

Ook al wordt je in een overbevolkte wereld geboren, waarin je achteruit lopend je voedsel moet verdienen, dan nog kan je een reusachtige en avontuurlijke toekomst tegemoet gaan. 

© Henk M. van Oosterwijk

Vader ?

Het gebeurt op een zaterdag in het voorjaar van 1968. Zwager Ruud met zijn verloofde Clara zijn bij ons in Rijen op bezoek en zwager Frans – 17 jaar oud - woont bij ons in, zoals u zult weten van een ander verhaal.

We zitten ’s middags gezellig aan een Brabants ‘bakske koffie’, als plots het gesprek over ‘Vader Stoops’ gaat. Zowel Ruud, Frans als mijn vrouw Riet zijn enkele jaren na hun geboorte uit huis gehaald en het weeshuis ingeduwd. De twee broers hebben hun vader nooit meer gezien, terwijl Riet nog één keer bij hem aan de deur in Rotterdam heeft gestaan.

“Ik heb gehoord, dat hij veel op een camping in Oosterhout zit,” merkt Ruud op.

“In Oosterhout?” Ik kijk Ruud verrast aan. “In Oosterhout ligt een camping, ’t Haasje, waar veel Rotterdammers zijn,” zeg ik nadenkend. “Misschien is ie daar in de weekenden. Dat is maar vijf kilometer hier vandaan.”

Riet kent de camping, waar ik elk jaar met ons bedrijfsteam aan een nederlaagtoernooi mee speel tegen een voetbalteam van Rotterdamse campinggasten.

“In die kantine is het op zaterdagavond altijd gezellig,” ga ik verder. “Zullen we daar vanavond eens een pilske gaan pakken?”

Iedereen is enthousiast, maar ook gespannen door de gedachte daar vader Stoops misschien aan te treffen.

 

Met z’n vijven rijden we die avond in mijn auto vanuit Rijen over de Vijf Eikenweg naar camping ’t Haasje, dat is ingesloten tussen de Seterse bossen, het bos ‘De Duiventoren’ en het agrarische gebied Steenoven.

We zoeken een parkeerplaatsje, stappen de ruime campingkantine binnen en vinden een vrij tafeltje bij het raam, van waar we de gehele zaal goed kunnen overzien. Nieuwsgierig doen onze blikken de ronde om een gezicht te ontdekken met ‘Stoops-trekken’.

Ruud zegt plotseling: “Die man daar, in die derde rij het tweede tafeltje, die lijkt toch op een beetje op vader?”

Moet een raar gevoel zijn voor Ruud, Frans en Riet. We kijken allemaal naar de door Ruud aangewezen plek. Ruud en Frans twijfelen sterk; zij hebben hun pa nog nooit gezien, evenals Clara en ik.

Riet zit de man lang te bestuderen en zegt langzaam: “Dat moet hem zijn.”

Niemand durft op de man af te stappen. Stel je voor, dat het iemand anders is. Dan maak je toch een rare indruk!

 

Maar ik ben bekend in ’t Haasje. Eigenaar Frans van Nunen is een oud-voetballer van RAC en zijn zwager Toontje Broers uit Rijen obert hier.

Als Toontje onze biertjes brengt, vraag ik hem: “Toon, hoe heet die man, daar in die derde rij het tweede tafeltje?”

Toontje draait zijn hoofd om en antwoordt onmiddellijk: “Meneer Peters. Hij en zijn vrouw hebben al jaren een caravan hier op het park.”

Hij zet de glazen drank op ons tafeltje neer en verdwijnt weer naar de bar.

“Peters,” mompelt Riet in gedachten. “Ik ben eens naar Rotterdam gefietst en bij vader aan de deur geweest. Hij had samen met zijn tweede vrouw een frietzaak. En dat was cafetaria Peters volgens mij! Zou hij hier de naam van zijn vrouw gebruiken?”

We kijken elkaar ongelovig aan. Het blijft even stil aan tafel. Niemand onderneemt iets.

Dan krijg ik een goed idee, trek de stoute schoenen aan en loop naar het tafeltje van de niets vermoedende heer Peters. Als ik achter hem sta, zeg ik duidelijk:

”meneer Stoops!”

Mijnheer Peters draait met een ruk zijn hoofd om: “Ja?”

Dus toch! En nu?

“Ik denk dat daar bij het raam drie kinderen van u zitten!”

De wat kalende man kijkt me tegelijk verschrikt en verbaasd aan. Hij draait richting het tafeltje bij het raam en kijkt naar de twee jongemannen, de roodharige dame en de blonde  jongedame.

Hij twijfelt even, maar ik ga door.

“Zij willen u graag de hand schudden!”

De man kijkt me nog steeds ongelovig aan, draait zich naar de dame naast hem, maar staat dan zonder iets te zeggen op. Ik ga hem voor naar onze tafel en wijs naar mijn vrouw.

“Riet,” stel ik haar voor.

Hij schudt haar de hand.

“Riet, ja, Maria,” mompelt hij in zichzelf.

Ik ga verder: “Frans.”

“Ja, Frans, een van de jongste hè?”

“De jongste,” antwoordt Frans.

“En dit is Ruud.”

“Jaja, Ruud,” zegt de man nadenkend en zij?” Hij steekt zijn hand uit naar Clara.

“Dat is de verloofde van Ruud,” antwoord ik hem, “en ik ben Henk, getrouwd met Riet.”

Het ijs is hiermee nog niet gebroken. Wat onwennig staan vader en kinderen tegenover elkaar, niet wetend wat te zeggen.

“Biertje?” Ik kijk hem vragend aan. Een drankje kan een draai geven aan het gesprek. Hij knikt en ik zwaai naar ober Toontje voor een nieuwe bestelling.

Traag komt de conversatie op gang. Ruud vertelt hem, dat hij als drukker bij de Volkskrant werkt. Frans legt uit, dat hij iets in de tuinbouw met bloemen doet en Riet geeft hem ons adres in Rijen.

Langer dan een kwartier duurt het onderhoud niet. Dan geeft vader Stoops (Bertus was zijn naam) ons nog iets te drinken en verdwijnt hij weer naar zijn mevrouw Peters.

Iedereen blijft met een raar gevoel in de maag achter. Ruud, Frans en Riet weten deze kennismaking met hun biologische vader niet goed te verwerken. Is dit nou je pa? Wat moeten we er mee? We komen in een kleine discussie. Hij kent zijn eigen kinderen niet eens!

Tijdens het gesprek draai ik me om richting derde rij tweede tafeltje en zie, dat meneer  en mevrouw ‘Peters’ zijn verdwenen. Waarschijnlijk vertrokken naar hun caravan.

“Ik werd tien jaar geleden door mevrouw Peters weggestuurd,” reageert Riet, “Weg uit hun cafetaria, met honger en zonder frietje. Ik was er op de fiets, gevlucht vanuit het klooster in Rijsbergen, naar toe gereden. Zij moet niets van de Stoopsjes hebben en hij stond het toe, dat ik doorgestuurd werd! Hij heeft toen wel de familie Sven gebeld. Zus Bep had toen al verkering met Wim. Die zijn me op komen halen. Hij zal nu wel met die vrouw Peters mee gemóeten hebben!”

 

Opmerkelijk is, dat er nog een hele tijd nagepraat wordt aan ons tafeltje met de nodige biertjes en wijntjes er bij, maar dat niet één keer het woord vader of pa valt!

In een rare, maar toch vrolijke stemming rijden we rond middernacht naar huis.

 

Riet heeft gelijk: mevrouw Peters heeft vader Stoops niet alleen haar achternaam gegeven, maar ook haar wil opgelegd. Eén keer zien we vader Stoops nog, als hij een week later in zijn eentje bij ons in Rijen een half uurtje op bezoek komt en een kop koffie drinkt.

Wat gaat er door zo’n man heen? Waarom laat hij dertien kinderen in de steek en krijgt nog drie of vier kinderen bij een andere vrouw?

Waarom? Waarvoor?

 

Na dat bezoek aan ons in Rijen verdwijnt hij met mevrouw Peters van camping ’t Haasje, waar hij jarenlang zijn ontspanning vond.

We horen een maand later wel, waar zijn caravan geplaatst is: een camping in Rijen, nog dichterbij dan ’t Haasje.

We hebben hem maar met rust gelaten!

 

© Henk M. van Oosterwijk

  

Frans

Het is op een nazomerse vrijdag in 1967, als ik mijn middaguurtje thuis wil gaan opeten. Ik woon maar een paar minuten lopen van mijn werk. Bijna ben ik thuis als ik een bekend figuur in een groene overall en met rubber laarzen voor mijn deur zie staan.

Is dat Frans? De jongste broer van Riet?

Ik versnel mijn looppas en inderdaad, nu zie ik het goed: het is hem!

Maar hoe kan dat? Die werkt en is intern op een boerderij ergens in Gelderland? Ik loop snel naar hem toe.

“Hé Frans, hoe kom jij hier zo verzeild?”

Ik schud mijn zestienjarige zwager de hand. “En zo maar in je overall.”

Frans kijkt me een beetje schuw aan. We hebben elkaar misschien vijf keer in ons leven gezien. Meestal bij trouwpartijen van zijn broers en zusters.

“Dat is een heel verhaal, Henk.”

Ik begrijp, dat er wat bijzonders gebeurd is en vraag even niet verder.

“Kom eerst maar eens binnen.”

Ik open de poort, die toegang geeft tot onze werft en loop naar de deur van de bijkeuken. Draai die van het slot af met mijn sleutel en laat de jongen binnen. Zelf ben ik vierentwintig en pas getrouwd. Frans was nog op ons huwelijksfeest en heeft toen ons huis bezichtigd.

De jongeman zet zich op een keukenstoel en kijkt wat verlegen rond.

“Honger?” Ik kijk hem vragend aan.

Hij knikt. “Ik heb vanaf vijf uur niks meer gegeten.”

Ik maak wat boterhammen voor ons klaar en laat hem intussen zijn verhaal vertellen.

 

Frans is de jongste broer van Riet, de kleinste van de dertien kinderen, die moeder Stoops-Zwijnenburg ter wereld bracht. Vanaf 1945 zijn de toen negen kinderen uit huis geplaatst en desondanks ging het kinderen baren gewoon door. Tot 29 december 1950, de geboortedatum van Frans, kwamen er nog vier baby’s bij! Ook zij werden door de Rotterdamse kinderbescherming aan de ouders ontnomen en in gezinnen geplaatst.

 

Frans komt terecht bij een kinderloos gezin in de Gelderse Achterhoek en groeit op in het dorp Lichtenvoorde. Zijn zusjes Ida, Riet, Leny en Tonny, en broertjes John en Ruud zijn ook in die omgeving bij stiefouders ondergebracht (Zieuwent en Lichtenvoorde) Het is een Rooms Katholieke gemeenschap en de kinderen zijn allemaal Rooms gedoopt.

In het gezin bij Frans zijn nog twee pleegkinderen opgenomen, allen van verschillende ouders. Zijn pleegvader wekt als chef in een fabriek, dat ondergoed produceert.Een aantal jaren gaat alles goed, maar dan wordt toch besloten Frans naar een internaat, een broederklooster,  nabij Nijmegen te doen. Daar maakt hij de lagere school af en volgt op dat zelfde internaat de land- en tuinbouwschool. Met dat diploma in zijn zak wordt hij door de kloosterlingen intern te werk gesteld bij een veeboer, geheel tegen zijn zin in, omdat hij de tuinbouw in wil.

Hij houdt het op die boerderij een half jaar uit.

 

“Ik ben vanmorgen gevlucht,” vertelt Frans onder het eten van een boterham.

“Gevlucht?” Ongelovig kijk ik hem aan. “Waarvoor gevlucht?”

“Om verschillende redenen,” gaat de zestienjarige verder. “Ik ben tegen mijn zin in bij een veeboer terecht gekomen, tussen koeien en varkens. Daar heb ik me bij neergelegd. Ik dacht: er komt wel een tijd, dat ik zelf ga kiezen. De grootste reden, dat ik ben weggelopen, is de manier waarop ik wordt behandeld en gecommandeerd. Ik moet werken vanaf ik uit bed kom tot ik weer onder de dekens kruip. Het is slapen, werken, slapen, werken enzovoort. Zeven dagen in de week. Er is nooit ontspanning.”

Ik knik begrijpend. Een jongen van zestien wil er ook wel eens op uit. Een film kijken, een frietje kopen of misschien wel een pilsje drinken. Of aan sport gaan doen. Dat is toch normaal? Zelf ben ik in een warm nest geboren en heb een mooie jeugd in Rijen gehad.

“Ik kreeg kost en inwoning en een paar centen zakgeld,” gaat hij verder. “Zo weinig, dat ik er amper kleren van kan kopen. Die had ik ook niet nodig, want het was altijd werken. Een overall volstond.”

Ik kijk naar zijn groene overall. Zijn laarzen heeft hij buiten laten staan, gelukkig maar, want later zie ik dat de koeienstront er nog aan zit.

“Hoe ben je dan hier gekomen?”

Ik stel die vraag, omdat de boerderij, waarop hij werkt, in de omgeving van Nijmegen ligt.

“Met de trein,” antwoordt hij,” het treinkaartje heb ik betaald met wat spaargeld. En ik wist waar jullie woonden, omdat ik op jullie trouwfeest was.”

 

Ik denk even na.

Frans valt nog tot zijn eenentwintigste jaar onder de voogdij van de Raad voor Kinderbescherming Rotterdam. Hoe die werken, weet ik nog goed. De acht jaar, dat ik mijn vrouw Riet ken, viel ook zij vijf jaar onder die voogdijraad en daar waren we niet blij mee. Niet dat ze steeds door haar voogden werd lastiggevallen. Zeker niet, daar hadden ze geen tijd voor. Waarschijnlijk bleven ze een beetje op de hoogte door contact met haar werkgevers en zo heel af en toe kwam er eens een juffrouw langs. Tot haar eenentwintigste had ze niets te vertellen over haar werkloon. Ze werkte als intern dienstmeisje en als ze van werkgever veranderde, stond eerst de voogd bij de nieuwe werkgever op de stoep. Als Riet en ik dan voor het gesprek kwamen, was het salaris al vast gelegd en dat was niet erg hoog!

 

Maar, bedenk ik, ondanks de belabberde manier, waarop de kinderbescherming machine draait, ben ik toch verplicht te melden, waar Frans uithangt.

“Ik moet eerst de Kinderbescherming bellen,” zeg ik peinzend tegen Frans.

“Nee, asjeblieft niet,” reageert hij meteen fel, “niet de Kinderbescherming. Die komen me meteen ophalen om me terug te brengen naar de rot boer. Nee, dat niet!”

Ik stel hem gerust.

“Niks terugbrengen, Frans. We zoeken wel een andere oplossing. Ik moet dit even melden, want anders staat vandaag of morgen de politie hier voor de deur en pakken ze je toch op. Dan zijn we nog verder van huis. Na half twee bel ik even; dan zullen ze wel uit geluncht zijn.”

Intussen bel ik mijn baas om de situatie uit te leggen en die middag vrij te vragen. En telefoneer met Riet op haar werk, die ook zal proberen naar huis te komen. Haar werkgever zit ook in Rijen en een twintigtal minuten na mijn telefoontje is ze thuis.

 

Om half twee bel ik de Kinderbescherming Rotterdam op en krijg de voogd van Frans aan de lijn. Ik vertel haar, het is een vrouw, de gehele geschiedenis, zoals ik die uit de mond van mijn zwager gehoord heb.

“Ik wil hem graag tijdelijk onderdak geven, tot er een oplossing komt voor zijn problemen,” stel ik de voogdes voor.

Kijk, dat vinden ze fijn. Ze hoeven zelf nog niet direct in actie te komen en misschien lost het probleem zich dan vanzelf op. We spreken af, dat ik in de loop van komende week haar weer bel en met een voorstel kom.

Alles meteen geregeld!

Riet neemt daarna meteen met Frans de trein naar Breda en steekt de jongeman in nieuwe kleren en schaft voldoende ondergoed voor hem aan. De kleding wordt direct aangetrokken en de overall met laarzen worden in een plastic tas mee terug gebracht.

 

Na het weekeinde neem ik weer contact op met de Kinderbescherming en krijg het in een ‘vijf minuten gesprek’ voor elkaar, dat Frans bij ons in de kost kan komen.

“Zolang hij geen werk heeft, ontvangt u 38 gulden vergoeding per maand,” legt ze nog uit, alsof ik daar de jongen een hele maand van kan voeden!

Van de boer en de eigendommen van Frans horen we nooit meer iets. Bezitting had Frans overigens niet, alleen wat kleding en een paar tientjes loon te goed. Maar ook daar zien we niets meer van.

Maakt niets uit; hij kan aan zijn toekomst gaan bouwen.

 

Toen Frans binnen stapte, waren Riet en ik net een half jaar getrouwd. Ik vind voor Frans werk bij een bloemisterij en hij blijft ruim anderhalf jaar bij ons inwonen.

Frans heeft een vrij leven, hoewel hij zich uiteraard aan onze regeltjes moet houden. Dat veroorzaakt soms wel botsingen in ons ‘gezin’, maar dat komt in de beste families voor.

Als ik voor mezelf een andere werkgever in Breda  vindt met een nieuwe uitdaging, gaan we naar die stad verhuizen. Dan is Frans bijna achttien jaar oud en vindt een goed kosthuis in Gilze.

En de voogdijraad van de Kinderbescherming Rotterdam?

Nooit meer iets van gehoord!

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

 

De accordeon

Vreugde en ontspanning ontstaan soms uit het niets.

Het is in het jaar 1995.

We hebben vier weken vakantie en varen met ons bootje via de Hollandse IJssel naar Gouda en door de Gouwe naar de Oude Rijn. Bij Alphen aan de Rijn draai we het de Hermanswetering in, een kanaal van Alphen naar het Brasemermeer, en vinden tien kilometer verder een ligplaatsje tegen het eilandje Zuiderhem in het Brasemermeer.

Het is heerlijk weer.

Klapstoelen en tafel worden op de wal gezet en we genieten met volle teugen. We liggen aangemeerd, samen met de Don Pedro van Peter en Rietje en nog een vijftiental andere boten, tegen een wal met grasstrook en een bos, dat ons beschermt tegen de westenwind.

 

Genietend van de zon komen we in gesprek met een andere plezierschipper en na veel schipperspraat valt het woord ‘accordeon’ ineens.

“Ja,” vertel ik de man, “ik speel een beetje mondharmonica en dacht op mijn vijftigste: ik leer even accordeonspelen. Niet dus.”

Ik kijk de wat kleinere man dan ik aan, die geïnteresseerd staat te luisteren.

“Ik ben niet verder gekomen dan anderhalf liedje,” ga ik verder, “want zo’n accordeon is een compleet orkest, als je het goed bespeelt.”

“Inderdaad,” antwoordt de man, “Ik speel van jongs af aan al accordeon, maar het is een moeilijk instrument.”

“Oja, speel jij?” reageer ik enthousiast, “wacht eens even.”

 De muzikale schipper.

 

Zonder een antwoord af te wachten loop ik naar mijn boot en kom even later terug met een grote accordeon, een 120 basser.

“Gekocht van iemand, die hem mee bracht uit Tsjechië,” leg ik meteen uit. “Misselijk hoe oud dit kastje is.”

De schipper kijkt nieuwsgierig naar de oude accordeon.

“Mooi oud beestje,” glimlacht hij, “zit er ook nog geluid in?” Hij kijkt me vragend aan.

“Natuurlijk zit er geluid in, maar je moet het er wel uit kunnen halen.” Ik reik hem de trekkast aan. “Een paar valse noten heb ik laten vervangen. Probeer maar eens.”

 

De man maakt even een afwerend gebaar, maar ik houd hem de accordeon voor en hij steekt zijn armen door de riemen. De harmonica is zwaar en de  man is niet zo groot. Riet reikt hem een stoel aan, zodat hij de accordeon op zijn knie kan laten rusten. Zijn vingers beroeren zoekend de toetsen van de klavierkant. Daarna bespeelt zijn linkerhand de bassen. Dan zet hij in en rolt er een prachtig oer-Hollands lied uit de harmonica: Het Vissersmeisje! De omstanders zingen mee en na dit nummer komen er verschillende verzoekjes naar de muzikale schipper, die hij speelt, maar ook soms moet afslaan.

“Die ken ik niet uit het hoofd,” reageert hij dan, “maar deze wel!” En hij laat weer een mooie meezinger over het water en grasveld heen galmen.

Het wordt een heerlijke middag: zon, muziek en een biertje erbij natuurlijk!

Wat is het leven dan toch heerlijk!

© Henk M. van Oosterwijk

 

De Tent van Willem I

Ben jij, Rijenaar, ook naar de lezing geweest van Heemkring Molenheide, die ging over het Militaire Kamp?

Nee? Dan heb je echt wat gemist.

Zeker als je, zoals ik ruim zestig jaar geleden, op deze plek nabij de Kampstraat in Rijen door de bossen rondliep met een zelf gemaakte ‘pijl en boog’ en vele keren met een houten zwaard.

De bossen tussen de oude buurt van de Kampstraat en de Rijksweg Breda-Tilburg was ons speelterrein. Vanuit de Laagstraat trokken we daar naar toe om onze ‘oorlogjes’ uit te vechten.

 

Toen heb ik het totaal niet kunnen bevroeden, dat ik regelrecht en letterlijk in de voetsporen van onze eerste Koning Willem trad! Zijn koninklijke rijlaarzen, en ook die van zijn zoon Frederik,  raakten daar de grond, waarover ik me met zwaard en pijl en boog bewoog!

Honderd en zesentachtig jaar geleden beval hij ter plekke zijn leger richting België te snellen om de opstand van de zuiderlingen neer te slaan! Dat was in de zomer van 1931. Zowat 12.000 militairen en burgers bevolkten toen de Rijense heide.

 

Waar deze Willem van Oranje zijn voetsporen achter liet en waar zijn luxe tent heeft gestaan, heb ik waarschijnlijk liggen rollebollen met mijn vrienden, als ridder of als Robin Hood. Als we het geweten hadden, dan zouden we zeker geloot hebben wie Willem mocht zijn en wie er als Nederlander of als Belg moesten vechten. Maar we wisten het niet!

 

Daarom moeten we nu zuinig zijn op deze plek. Onze generatie zal er voor moeten zorgen, dat kleinkinderen of achterkleinkinderen trots kunnen zijn op Willem I, die de Tiendaagse Veldtocht tegen de Belgen won door tijdens de veldslag bij Hasselt het Belgische leger in de pan te hakken. De voor ons opstandelingen sloegen op de vlucht en onze Willem voorkwam hiermee, dat de Belgen de grote rivieren zouden bereiken.

Bedankt Willem, want anders gingen we nu als Belg door het leven!

 

In 1839 werd uiteindelijk het huidige België en Luxemburg geboren en kon Willem I zich wat rustiger gaan gedragen.

Wij, Rijenaren, kregen ook wat meer rust, alhoewel, het opdoeken van het Militaire Kamp zal toch veel middenstanders hier pijn hebben gedaan!

  

© Henk M. van Oosterwijk

Een baard

 Als je scheerapparaat kapot gaat, heb je slechts twee opties: een nieuwe kopen of je baard laten groeien.

Nou heb ik een vrouw, die faliekant tegen een baard is. Zeker als die op MIJN gezicht groeit. Desondanks heb ik een aantal jaren zo’n harige aanvulling op het gelaat en onder mijn kin gehad, en gelukkig zonder dat mijn relatie er onder leed. Naar mijn idee had ik echt wel een kop om wat harige versiering op aan te brengen. Maar naar het idee van mijn vrouw was het een vreselijke degradatie van mijn figuur en aanblik. En bovendien vond ze de baard kriebelig en onprettig bij het knuffelen.

 

Ikzelf genoot er van, want tegen dat de winterkoude onze lichamen ging teisteren, liet ik de haren op mijn gezicht vrij groeien. Dat was dan ook een goede gelaatsisolatie tegen de vrieskou naast een stoer uiterlijk!

Ik liet de baard ook steeds in een andere vorm gedijen. Soms beeldde het een uitvinderslijk ringbaardje uit, dat van oor tot oor over mijn kaakrand groeide; dan weer een handelaarsuiterlijk bestaande uit een baard met snor. De oude herbergiersbaard deed ook mee: uitlopende bakkebaarden, die langs beide kaken omhoog klommen tot aan de mondhoeken. Dus met een kale kin en kale bovenlip. Het was ook wel eens een volle kunstenaarsbaard. Ik hield van variatie en je kan er kunstwerken van maken!

Als de lente de winter weer deed wegsmelten, verdween ook mijn baard. Niet vanzelf natuurlijk, maar ik schoor kin en wangen weer geheel glad en het vrouwtje was weer blij!

 

Eén gebeurtenis is me echt bij gebleven.

Als kastelein en vrouw runden wij ruim vijf jaar een café en ook in deze periode groeide er wel eens een baardje aan mijn kin.

Als de dagen langer werden en de temperatuur zomerse vormen aan ging nemen, besloot ik op een zaterdag een experiment te doen. Ik scheerde de ene zijde van baard en snor af en liet de andere zijde goed in tact op mijn gelaat zitten.

Het café zat op zaterdagavond altijd goed vol en ik was aan het werk achter de bar.

De ene keer liet ik de linkerkant van mijn gezicht met baard aan de stamgasten zien, en dan weer draaide ik de rechter glad geschoren zijde naar de klanten toe.

En zie daar: het viel niet op!

Verbazingwekkend was het voor mij, maar men ontdekte niet snel wat er met mijn gezicht en baard was gebeurd!

 

Ik heb het een hele tijd volgehouden, voordat men door had, dat ik half geschoren was. Ook bij de nieuwe binnenkomers probeerde ik het uit met het zelfde resultaat!

Veel gasten keken me, aan de geschoren zijde, vreemd aan met een blik van “wat zie ik toch aan hem”, maar maakten geen opmerkingen. Totdat zij ontdekten, dat ik met een halve baard rond liep!

Alom hilariteit natuurlijk!

 

Zo zie je maar, dat het niet veel uitmaakt hoe je er uit ziet: baard of geen baard, lang haar of kort geknipt, en vul zelf maar verder in …

Het gaat er om, hoe mooi je van binnen bent! 

© Henk M. van Oosterwijk

     

 

                          Vier gezichten van Henk M.