Advertentie:

(Klik op de advertentie.)
* * * * * * * * * * * * * * * * * * LEUKE BOEKEN VOOR UW VAKANTIE:. Klik op de boeken voor meer informatie. .

Onze huiskrekel

 

Het gebeurt in het jaar 2004.

Het is de maand oktober en het vaarseizoen zit erop voor Riet en mij. De boot is ‘winterklaar’ gemaakt en onze rubberboot hebben we laten leeglopen, ingepakt en opgeslagen in onze logeerkamer. Helaas is onze berging, die bij het appartementje hoort, te klein om hem te herbergen.

We kunnen de winter in.

 

Op een nacht word ik wakker van een vreemd geluid. Ik richt me op in bed om beter te kunnen luisteren. Het is een korte, trillende en piepende toon, die uit de gang vandaan komt. Het lijkt wel de roep van een krekel.

“Dat zou kunnen,” denk ik in mezelf. “Het wordt wat kouder buiten en die beestjes zoeken warmte op.”

Ik laat me uit bed glijden (een bejaarden bed is vrij hoog, weet je) en loop voorzichtig – om het beestje niet weg te jagen - naar de gang.

Het geluid is weg.

Zou ik toch te rumoerig zijn geweest?

Ik draai me om en wil de slaapkamer weer in lopen, als de krekel zich opnieuw laat horen.

“Rrrrriee, rrrrriee.”

Komt de roep nu uit de logeerkamer?

Op mijn tenen sluip ik die kamer in, maar het diertje heeft me blijkbaar in de smiezen en laat zich niet meer horen.

Teleurgesteld zoek ik mijn bed weer op en trek het dekbed over me heen.

“Wè bende ammel aon’t spoke?”

Riet is wakker geworden van mijn zoektocht en draait zich naar me toe.

“Ik hôr nun krekel in huis, mar kan ‘m nie veine,” antwoord ik. “Hedde gij ‘m nie gehôrd?”

“Ikke nie.” Riet draait zich om en even later ligt ze te snurken.

Nee, natuurlijk heeft ze dat trillende geluidje niet gehoord: haar linkeroor is stokdoof en haar rechter, daar slaapt ze op! Bovendien heeft ze haar gehoorapparaten ’s nachts niet in.

Ik hoor de krekel nog een paar keer roepen, maar dwing mezelf in slaap te vallen.

 

Deze scène herhaalt zich nog enkele nachten en onze huiskrekel begint voor mij een obsessie te worden.

Voor ik naar bed ga, loop ik al een paar keer de gang in om te luisteren of onze huisvriend al wakker is. Meestal hoor ik niets. Maar steeds, als we te bed zijn gegaan en ik in slaap wil vallen, begint die krekel aan zijn concert.

“Rrrrriee, rrrrriee, rrrrriee, rrrrriee!”

Ik zoek elk begin van de nacht alle ruimten door, om het krekeltje te ontdekken. De badkamer, het washok, de toiletruimte en de logeerkamer. Het beesje is echter heel slim. Als ik hem (of haar) hoor roepen, trippel ik bijvoorbeeld voorzichtig naar het washok en blijf gespannen staan luisteren.

Maar dan houdt hij zich stil!

Dat rotbeest is slimmer dan ik dacht.

 

Na de vijfde nacht bedenk ik me plots iets: de rubberboot!

Bij het inpakken van de boot in de haven is het diertje natuurlijk in de boot gekropen en hebben we het meegenomen naar ons appartementje.

“Rietje,” zeg ik tegen mijn vrouw, “schuif de meubels in de kaomer aon de kaant, dan sjouw ik de rubberboot hiernaortoe en rolle we ‘m uit. Ik mot en zal die krekel veine!”

Ik sleep de toch nogal zware boot over de betegelde vloer de logeerkamer uit en door de gang de woonkamer in, waar Riet intussen ruimte heeft gemaakt. We pakken samen de boot uit.

“Goed oplette, dè ge da bist van de boôt ziet springe,” waarschuw ik mijn vrouw. Voorzichtig rollen we de rubberboot uit, kijken in alle hoekjes en gaatjes maar ontdekken geen krekel.

Als de boot weer opgerold en ingepakt is, breng ik hem weer naar de logeerkamer. Daarna laat ik me met een plof in mijn zorgstoel vallen. Ik ben doodop van dit karwei en Riet natuurlijk ook.

“Ge bekijkt het vôrtaon mar meej oewe krekel,” zegt ze zuchtend. “Ik doei nimmer meej!”

 

Diezelfde avond zit ik in de logeerkamer te werken op mijn computer, als ik de krekel weer hoor. Nu echter kan ik vrij precies de plaats van het geluid bepalen. Ik loop zachtjes naar de boekenkast en hoor opnieuw de roep: “rrrriee, rrriee.”

De trillende klanktoon komt uit een doosje!

Ik wacht even in spanning.

Als het timbre weer uit het doosje klinkt, til ik snel de deksel eraf en houd mijn hand op de opening. Gespannen kijk ik door mijn vingers heen of ik de krekel kan ontdekken.

Niets.

Voorzichtig schuif ik mijn hand van het doosje af, til het ronde ding eruit, maar krijg mijn aartsvijand niet te zien.

Teleurgesteld zet ik het vermeende krekelhuis weer terug.

“Rrrrriee, rrrrriee,” klinkt uit de doos.

Ik snap er niets meer van, pak de doos en haal het apparaatje eruit. Het is een rookmelder! Dat ding heb ik anderhalf jaar geleden gekregen van zoon Raymond. We hebben het toen nog uitgeprobeerd.

Maar in dat doosje kan toch geen rook gekomen zijn?

Ik pak de gebruiksaanwijzing en lees uiteindelijk:

‘Als de batterij bijna leeg is, hoor je een trillerig piepend geluid!”

Die batterij heb ik erin laten zitten!

Daar heb ik nou vijf dagen lang mijn huis voor over hoop gehaald!

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Henk 's Leeshoek

Op deze pagina waargebeurde verhalen, gedichten en commentaren, geschreven door Henk M. van Oosterwijk, in de data volgorde:

20-01-2019:  Onze huiskrekel

15-01-2019:  Onze Ouders

07-01-2019:  Schrobbelèr

01-01-2019:  Familietraditie

24-12-2018:  Mooie Kerst

17-12-2018:  Batterijtjes

02-12-2018:  De receptie

29-11-2018:  Het rijbewijs

 24-11-2018:  Een sleur

21-11-2018:  Bizar

28-10-2018:  Effe een broodje bakken

26-10-2018:  De overgang

22-10-2018:  Hoeveel keer nog?

18-10-2018:  Een jaar later

11-10-2018:  Romantiek

13-08-2018:  Centje bijverdienen

04-08-2018:  Een emmer zweet

02-08-2018:  Onmacht

(Omdat sommige verhalen een vervolg hebben, zou je de verhalen van beneden naar boven moeten lezen.)

Zie ook: www.facebook.com/Henksleeshoek 

 

Onze ouders

In een van mijn verhalen vertelde ik u over mijn ouders. Dat ik eigenlijk niet wist hoe ze elkaar hebben leren kennen.

Diepgaand onderzoek (onzin natuurlijk) en gesprekken met mijn broer Wim brachten het volgende verhaal naar boven.

 

Onze pa was een avonturier.

Het was in het jaar 1932, in de crisisjaren voor de Tweede Wereldoorlog, toen hij een paar keer per

week in de nacht bij Strijbeek de grens naar België over fietste om met een paar dozen boter op zijn pakkendrager terug te komen. Opoe kocht voor hem speciaal een racefiets, met verzwaarde pakkendrager natuurlijk, zodat hij toch zeker de douane, die ook op een rijwiel bij de grens patrouilleerden, voor de kunnen blijven.

Dat lukte aardig, maar het ging ook wel eens mis.

Op een avond werd onze pa verrast door twee douaniers, die zich in een droge sloot verschanst hadden.

“Halt!” klonk plotseling in het donker.

Onze vader’s reactie was erg snel. Terwijl de grenswachters uit de sloot kropen, demarreerde hij weg van de twee gewapende mannen, die nog een schot in het donker gaven, onder het roepen van: “Halt of ik schiet!”

Voordat de douaniers hun fietsen uit de sloot hadden, was onze pa al een heel eind weg. Hij verstopte snel de twee dozen boter in de bossen en fietste, uiteraard zonder licht op, met grote snelheid over de bospaden en verstopte zich ergens met racefiets in de struiken. In de verte hoorde hij de grenswachters met elkaar praten, maar die mannen gaven het op en trapten richting kazerne. Pa deed nog een uurtje een klein dutje en besloot daarna de paden te gaan verkennen, of de dienstkloppers toch wel zeker verdwenen waren.

Het bleef rustig en vader laadde de twee dozen boter weer achter op zijn fiets en reed richting Rijen, waar een ongeruste moeder op hem zat te wachten, omdat hij zo lang wegbleef.

Alles was dus goed afgelopen en snel kroop ie in bed om nog een paar uurtjes te slapen. Om zeven uur moest hij weer op de leerlooierij zijn.

Dat was vrijbuiter Kees van Oosterwijk.

 

 

Pa was bevriend met Koos van der Kaa (tot aan zijn dood) en die zegt op een dag: “Kees, ge môt zondag us meegaon naor Oosterhout. Ik heb daor een meiske leren kenne, en die brengt dan haar vriendin mee. Misschien iets voor jou.”

“We zulle wel zien,” was het antwoord van Kees. “Veur jou dan.”

De nieuwe vriendin van Koos zei hetzelfde tegen Mina Sestig, zeventien jaar oud.

“Wie brengt ie meej?” vroeg ze belangstellend.

“Kees van Oosterwijk uit de Rijen,” was het antwoord.

“Kees van Oosterwijk?” reageerde Mina afwijzend. “Die ken ik wel. Mar zônne lullikke vent môt ik  nie!”

Mina werkte namelijk bij Schoenfabriek Klerkx op het Martveld in Rijen en kwam elke dag langs het huisje op de Vijf Eiken gefietst, waar Kees dan in zijn oude kleren of overall aan het werk was.

 “Gao nou mar vur mijn meej,” smeekte de vriendin, “aanders staoj ik daor alleen meej twee venters!”

Dus Mina beloofde mee te gaan.

Het boter smokkelen legde Kees geen windeieren, en die zondag kwam hij met Koos mee in zijn zondagse pak met overhemd, stropdas en onder de omslag van zijn broek een paar blinkend gepoetste schoenen. Zelf was hij ook helemaal gewassen, opgefrist en gekamd. Mina’s mening over Kees draaide meteen honderdtachtig graden om: ze vond hem zelfs knap en met z’n vieren gingen ze dansen. Kees had door zijn smokkelactiviteiten best wat geld op zak om een stevig drankje te kopen, terwijl veel heren droog aan de kant stonden.

 

Koos en zijn vriendinnetje hielden het niet lang met elkaar vol, maar deze eerste dansavond was het begin van een zeven jaar lange verkering tussen ons ma (Mina) en ons pa (Kees).

Moeder Sestig-de Vos had over die lange verkering haar eigen bedenkingen en zei dikwijls tegen haar dochter: “Mina, heej Kees al us over trouwe gepraôt?”

“Neije moeder,” was steeds het antwoord en dan kreeg Mina altijd dezelfde opmerking van haar moeder te horen: “Kees is nun vrijer, mar ginne trouwer!”

 

De verkering telde dus bijna zeven jaren, toen Mina en Kees langs een juwelierszaak in Breda liepen. Mina stond naar de ringen te kijken, toen Kees plotseling zei: “Zoek mar nun trouwring uit.”

Dat was het.

Dat was zijn huwelijksaanzoek. Niks romantiek, recht voor z’n raap. Dat was onze pa.

 

Op 19 oktober 1939, ruim een half jaar voordat de Nazi’s Nederland bezetten, traden ze in het huwelijk in de St. Antonius kerk in Oosterhout. Daar waar ons ma in 1916 was gedoopt en later haar H. Communie deed. Ze kregen twee zonen: Henk en Wim, die beide geboren werden in de Pastoor Gillisstraat 146, het huisje met de Franse kap, dat ze met het trouwen gehuurd hadden. In 1951 verhuisden ze naar de Laagstraat 55, een vrijstaand huis, dat door mijn grootouders gebouwd werd.

In 1989 vierden ze hun Gouden Huwelijk en zeven jaar later stierf onze pa op 83-jarige leeftijd. Moeder bereikte de leeftijd van 96 en had misschien de honderd wel gehaald. De laatste drie jaar van haar leven was ze blind en wilde niet meer verder.

 

Dat waren onze ouders, misschien niet romantisch, maar wel recht door zee en een sterke liefde voor elkaar en hun twee zonen. Ik kan me niet herinneren, nee ik weet het zeker, dat ze de woorden ‘ik hou van je’ nooit tegen ons hebben uitgesproken.

Dat hoefde ook niet; wij wisten het gewoon.

© Henk M. van Oosterwijk

Schrobbelèr

Ik weet het: alcoholische drank is niet goed voor een mens. Maar toch ben ik van mening, dat het ook veel plezier brengt. Bij mij althans.

Niet dat ik alcoholist ben, maar vijf van de zeven dagen in de week neem ik toch een lekker glas whisky voor het te bed gaan. Dat doet me denken aan de tijd, dat ik in de ‘midlifecrises’ zat. Nou ja, een crises kun je het niet noemen, want ik ben er geluidloos doorheen gegleden. Nu ben ik vijfenzeventig en merk ik ook weinig van het ouder worden. Op enkele kleinigheidjes na dan. Ik behoor nu toch bij de nieuwe generatie 50+, niewaar.

Maar terug naar mijn herinnering.

 

Het gebeurt in de negentiger jaren. Onze kinderen hebben beide hun zelfstandige leeftijd bereikt en dat geeft ons weer een stuk vrijheid terug.

Riet, mijn vrouw, en ik houden allebei van biljarten en van een drankje, een combinatie die in veel dorpscafés te vinden is. Onze vrienden, Peter en Ria, houden daar ook van. Alleen Ria houdt het bij kijken naar de biljartsport; met het drankje doet ze volop mee. Zo komt het, dat we nogal eens een keer met vieren naar ’t Biljartcentrum gaan in de Julianastraat in Rijen. Zo ook deze zaterdag.

 

Het is gezellig druk in het café, zodat we voor het biljarten even uitwijken naar de zaal, waar vijf biljarttafels staan. Als Riet, Peter en ik ons partijtje hebben gespeeld, schuifelen we weer terug naar de gezelligheid in het café en pakken daar diverse biertjes. Tenminste Peter Ria en ik, want Riet drinkt wijncognac. Ik heb net een verstandig gesprek met Wim, zoals ik oud-secretaris van de Rijense Biljart Federatie. Samen zitten we ook in de organisatie van het Boemaars-toernooi, dat als inzet heeft het kampioenschap van Rijen driebanden groot. Het toernooi draagt de naam van ex-wethouder Gerrit Boemaars, ook wel ‘de burgemeester van Molenschot’ genoemd.

 

“Zin in een partijtje tien-over-rood?”

Het is kastelein Henny, die ons met deze vraag stoort in ons gesprek.

“Prima,” reageer ik, “dan bende ergus meej bezig. Aanders staon we hier toch mar te drinke.”

Ook Wim en Peter doen mee.

Ge moet weten, dat tien-over-rood best een moeilijk spel is. Je moet steeds met dezelfde gemerkte witte bal stoten en eerst de rode bal raken, voordat die de andere witte bal aanstoot. Als je echter met geroutineerde biljarters speelt, waarvan wij aannemen dat we daarbij horen, kan er ‘afgelegd’ worden. Dus de witte bal zodanig wegleggen, dat de rode bijna niet te raken is. Zowel verdediger als aanvaller kan daarbij al zijn punten kwijtraken en op 0 terecht komen.

Ik zal het maar niet verder uitleggen, maar je begrijpt dat het spel dan erg lang kan duren.

En de drank helpt daarbij ook nog een handje.

 

“Allemaal nun Schrobbelèr?” vraagt Henny na enkele rondjes bier aan de biljarttafel.Maar er is geen keuze, want de kastelein schuift ons meteen een dienblad met vier Schrobbelèrkes toe.

“Lekker,” is de reactie van ons alle drie. Schrobbelèr is een zoet onschuldig kruidendrankje, dat ze in Tilburg hebben uitgevonden.

Nou, onschuldig! Het heeft slechts 22% alcohol, maar na een aantal biertjes kan het toch onverhoeds toeslaan. Zeker als het te snel gedronken wordt. Als bierdrinker ben je gewend om stevige slokken te nemen. Doe je dat bij Schrobbelèr, dan is je borrelglaasje in één keer leeg.

En zo geschiedt.

Dus Wim loopt weer snel naar de bar om de borrels te laten vullen. Ook Peter en ik laten onze beurt niet voorbijgaan. Als Henny, na diverse stoten over rood en missers, dan met acht borrels aan komt zetten, is het hek van de dam.

 

Intussen gaat de strijd tien-over-rood onverwijld door, zwaar beïnvloed door de Schrobbelèr: iedereen staat op nul!

En dan komen de grappen!

Terwijl Wim even het toilet bezoekt, wisselt Hennie de stootbal om voor een bal met een loden kern. En die kern ligt echt uit het lood!

Als Wim terug is en met die bal de rode bal probeert te raken, gaat zijn stootbal een geheel eigen weg volgen en rolt met een grote boog ver van rood vandaan.

Wim is ontzet. “Ik gaaf um helemaal gin effect. Hoe kan da nou?” Hij kijkt ons aan, terwijl Henny weer snel de ballen verwisseld. Peter, Henny en ik zijn aan de beurt en de stootbal doet gewoon rechtlijnig zijn werk.

“Ge mot deze keer nie zoveul effect geve,” adviseert Peter en onttrekt weer even de aandacht van Wim van het biljart. De kans voor Hennie om opnieuw de ballen te verwisselen.

Wim legt nu serieus aan op rood. Het is eigenlijk een simpel balletje, die je met je ogen dicht moet kunnen maken. Maar opnieuw loopt de stootbal met een boog weg van rood. Wim richt zich op van de biljarttafel en kijkt ons met een verbaasde blik aan.

“Ge mot um ok gin effect geve,” zegt Peter serieus. “Ik zee ut toch!”

“Mar da deej ik nie!” roept Wim uit met een machteloze stem.

Afijn, dit herhaalt zich nog enkele keren en dan ziet Wim ineens de verwisseling van de ballen. Wij brullen van het lachen. Alle ingehouden pleziertjes van de voorbije minuten komen er ineens uit.

Wim kan er ook om lachen, maar dat heeft toch even zijn tijd nodig.

 

Intussen zijn de dienbladen met acht Schrobbelèrs regelmatig aangedragen en vinden we, in gezamenlijk overleg, dat we beter met biljarten  kunnen stoppen. We staan alle vier nog zonder punten en de tien zal door niemand gehaald worden. Deze avond zeker niet.

En dan gebeurt er iets, dat ikzelf niet meer kan herinneren. Ik heb het van horen zeggen dus; van mijn eigen vrouw nog wel.

 

Het café heeft verschillende steunpalen, die bouwkundig een stalen balk moeten stutten. Deze palen zijn rondom met hout betimmerd. Op ongeveer één meter tachtig hoogte zit een plateautje, waar je een glas bier op kwijt kunt.

Ik heb blijkbaar dorst gekregen van al die Schrobbelèr en weer een biertje besteld. Na een stevig slok zet ik het glas op dat plateau.

Dat gaat nog wel.

Als ik echter een tweede dronk wil nemen, kan ik met mijn hand het glas niet meer bereiken. Misschien sta ik te dichtbij of te ver weg van de paal?

Met de linkerhand rustend tegen de paal om mijn evenwicht te kunnen behouden, reik ik met de rechterhand steeds omhoog naar mijn glas bier. Maar mijn arm is te kort of zoiets. Ik krijg mijn biertje niet meer te pakken.

Ziet u het voor u?

Het lijkt toch hopeloos?

Dat is het dan ook. Na vier of vijf pogingen hoor ik ineens een vertrouwde stem achter me.

“Ik denk, Henk, dat ut tijd is om naor huis te gaon. Ik heb al afgerekend.”

“Ik denk ut ôk.” Ik draai me half om naar Riet, maar houdt de paal met twee handen vast. “Hier ken ik toch nimmer bij mijn bier!”

 

© Henk M. van Oosterwijk

Familietraditie

Wij hebben in de jaren 40, 50 en 60 van de vorige eeuw een traditionele nieuwjaarsviering in de familie. Niet zozeer in de 'van Oosterwijk-tak’, maar wel in de familie van ons moeder, Mina Sestig. Geboren als echte Oosterhoutse 'op de Vurraai' (wat negatief klinkt, maar daar woonden ook normale lieve mensen) is ze onze pa, Kees van Oosterwijk, ergens tegen gekomen. Ze werkt dan in Rijen, als schoenstikster bij de firma Klerkx op het 'Martveld', en als zestienjarige komt ze haar Kees tegen, als ze via de Vijf Eikenweg, in Rijen de Oosterhoutseweg genoemd, naar huis fietst.

Misschien ging het zo. Misschien ging het anders. Ze hebben het nooit aan ons verteld.

Het kan ook zijn, dat ze elkaar in Oosterhout leerden kennen. Vader Kees gaat daar 's zondags dansen. Als ik nu door de Ridderstraat langs het Slotpark rijdt, beeld ik me in, dat onze ouders achter een van die reusachtige bomen hebben staan vríjen.

 

Ik weet het niet.

Ons moeder liet nooit wat los over de acht jaren, dat ze verkering heeft gehad met pa. Ons vader vertelt in onze jeugdtijd sporadisch tegen vrienden en kennissen wel eens stoere verhalen, die ik dan zittend op de achtergrond meeluister. Maar veel is daar jammer genoeg niet van blijven hangen.

Na die acht jaren verkering trouwen ze in het crisisjaar 1939 en blijven zevenenvijftig jaar lang bij elkaar. Als in 1996 ons vader overlijdt, gaat ons ma nog zeventien jaar alleen door en overlijdt tenslotte in 2013 op zesennegentigjarige leeftijd.

 

Maar nu de nieuwjaar traditie.

Het is in onze Oosterhoutse familie een ongeschreven wet, dat alle jongere broers en zusters eerst bij de oudste zoon nieuwjaar komen wensen en daarna op volgorde van leeftijd de andere familieleden bezoeken, waar koffie geschonken wordt. Meestal komt er echter bier en jonge jenever en bessenjenever op tafel. Nou, ge kunt op je vingers natellen, wat er die dag allemaal gebeurde: ze zijn met z’n zevenen, dus er zijn tenminste zes adressen te bezoeken, want soms wordt er een bezoek aan een goede kennis tussengevoegd!

 

Oudste zoon van 'Wiebes' Sestig en Catrien de Vos is Jantje Sestig, de legendarische voetballer van TSC en onze ome Jan. Als je zorgt, dat je op een redelijke vroege tijd bij ome Jan en tante Anna bent, dan tref je al een groot gedeelte van de Sestig'ers, die met drie jongens en vier meiden een gezin vormden. Dat scheelde dan weer een aantal huisbezoeken voor ons.

Oudste dochter was tante Mie, getrouwd met ome Willem de Stop. Zij is een tweede kans om de rest van de familie aan te treffen. Lukt het niet om meerdere ooms en tantes daar te ontmoeten, dan moet je het leeftijdsrijtje af: ome Frans, tante Anna, ome Willem Sestig en tante Pietje.

 

Toen we klein waren, telden we aan het eind van de dag ons snoepwerk en ontvangen geld, want dat was ons nieuwjaarsfeestje. Maar als je de zestienjarige leeftijd hebt bereikt (bij sommigen wat eerder) dan krijg je een drankje aangeboden, zoals Exota limonade, donker bier (3% alcohol) of een pilsje.

Deze traditie houd ik in ere tot mijn zesentwintigste. Riet en Ik wonen dan in in Breda, waar onze eerste zoon Raymond wordt geboren. Waarom we stoppen? Ik weet het niet.

 

Een jaar is me altijd bijgebleven: de jaarwisseling van 1959 naar 1960.

Ik ben zestien jaar, sta als doelman in het eerste van RAC (2e klasse) en vier de jaarwisseling met voetbalvrienden. En hierbij worden best een paar pilsjes genuttigd. Ge kunt met een gerust hart stellen, dat we er niet in spouwen!

Als ik op de eerste dag van het nieuwe jaar wakker wordt met een stevige kater, zijn mijn ouders met broertje Wim al lang naar Oosterhout vertrokken.

Het is al half in de middag, als ik mijn brommer start. Een groene Typhoon met een stoere grote benzinetank, die ik tweedehands met op een leerlooierij zelf verdiend geld in september heb gekocht. Met mijn duffe kop rijd ik richten Oosterhout.

'Als ik nou naar tante Mie rij, dan tref ik misschien heel de familie,’ bedenk ik bij mezelf. Dus stuur ik mijn Typhoon De Besterd in en parkeer hem binnen de poort van mijn oom en tante.

 

Ik loop via de achterdeur en de keuken naar binnen. Tante Mie zit op de bank in de woonkamer. Ik kijk verbaasd in het rond. Niemand!

Geen zoon of dochter, geen enkel familielid, geen mens zit hierbinnen. Alleen tante Mie dus.

"Hallo Henk," lacht ze me toe. Ik schud haar de hand en kus haar op beide wangen. "Ge bent laot. Alles is al weg."

"Mokt niks uit, tante Mie. Ik kom vur jou en ome Willem. En die kom ik wel ergens aanders tege," zeg ik lachend.

"Gao zitte, jonge," en ze wees naar een van de fauteuils, "wa wilde drinke?"

Ze keek me vriendelijk aan.

"Iets fris of zo. Exota?" Ik gooi mijn winterjas over een stoel en ga zitten.

"Ik wit wel, da ge ok un pilske lust," lachte mijn tante me toe, "mar de familie hèt hier alles opgezope. Luste nun borrel? Da’s ut enige, wa’k nog heb."

Ik heb nog nooit sterke drank gedronken! Bovendien zit ik nog met een behoorlijke kater, overgebleven van de jaarwisseling en moet weer terug op de brommer.

"Neije," was mijn reactie, "een frisdraankske is gied."

"Da he'k ok nimmer," vervolgt tante Mie. "ik gif oe wel nun borrel.

Ondanks al mijn tegenwerpingen neemt ze een - voor mij - te groot borrelglas uit de kast en schenkt die tot het randje vol.

"Zo jonge, ge bent nun grote vent, dus drink mar lekker op."

Ik zie aan haar ogen, dat ze me liever een frisdrankje of een biertje zou hebben gegeven, maar de drank is op. Ze kan niet anders. Een blik op het etiket van de fles vertelde me, dat ik een borrel oude jenever voor me heb staan. Oude jenever! Verdorie, die is straf!

"Hedde't vannacht ok gevierd?" vraag ik belangstellend. Ik ruik intussen even aan de borrel en de sterke geur doet me al zwijmelen.

"We zen op tijd naor bed gegaan," antwoordt tante Mie, "want we moste toch optijd wakker zèn vur de familie.'

 

"Proost"!

Ik hef het borrelglas richting mijn tante en breng het voorzichtig naar mijn lippen. De sterke jenevergeur doet me twijfelen en ik zet de borrel terug voor me op tafel. Ik kijk tante Mie aan. Zij reageert niet. Denkt even na. Vraagt dan aan mij: "Gij staot toch al in ut irste van RAC? Hoe voelt da? Onze Jan waar nun goeie voetballer bij TSC."

Ik knik. ‘Uitstel van executie, als ik blijf praten,’ denk ik bij mezelf.  

"Ome Jan wilde, da'k naor TSC kwam, mar ik ben nun Rijese. Ik blijf RAC trouw."

"Groot gelijk," reageert ze. "Onze Jan ging ok naor Longa in Tilburg. Mar kwam nao un half jaor wir t'rug. Hij kon nie wenne. Drink toch oewe borrel jonge."

Tante Mie is zo’n goede tante, Zo lief voor mij. Ik moet die borrel voor haar wegwerken. Ik kan niet anders. Dan maar ineens, besluit ik.

Ik pak de borrel vast, hef hem nog een keer richting tante Mie en sla hem in een keer achterover.

 

Brrrrrrrrr.

Ik voel de oude jenever mijn tong en gehemelte aantasten. Dan glijdt de zwaar alcoholische vloeistof mijn keelgat in en veroorzaakt langzaam een brandende werking in mijn keel, slokdarm en uiteindelijk in mijn maag. Hét bloed stijgt me naar het hoofd. De vlammen slaan uit mijn keel en ik wil die het liefst blussen met een koude frisdrank. Maar die is er niet!

"Luste nog un borreltje," vraagt mijn lieve tante.

"Neije," antwoord ik schor. "Gif me mär un glas waoter."

Ze reikt me een glas water aan, dat ik ook ineens naar binnen slok. Het koele vocht blust even het vurige borreltje, maar opnieuw brandt mijn mond, keel en maag. Ik loop zelf snel naar de keukenkraan om mijn glas nog een paar keer te vullen om door mijn keelgat te gooien. Het brandende gevoel wordt minder, maar ik houd er toch een nog katerig gevoel van over.

Ik kijk tante Mie aan. Zie ik daar een glimlach? Ze geniet misschien van mijn volwassenwording.

 

"Ik gaoj de rest van de familie us opzoeke," zeg ik uiteindelijk tegen haar.

“Doe da, jonge. En as ge ome Willem ziet, stuur um dan naor huis.”

Even later start ik de Typhoon en brom naar de Laanstraat. Naar tante Pietje en ome Jan van Ham. Daar tref ik de rest van de familie, gelukkig.  Maar een biertje of borrel krijgen ze er bij mij niet meer in.

"Verstandig, Henk," zegt tante Pietje tegen mij, "as ge mot rije, nie drinke!"

En zo is het.

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Ik wens jullie allemaal een gezond en voorspoedig 2019.

Henk.

Mooie Kerst

In de schemering van een koude Kerstavond loopt een grijzende man, met een banjo en rugzak om, een boerenerf op. Zijn haren zijn strak achterover gekamd boven een smal spits gezicht, waarin twee bruine ogen de omgeving aftasten.  Dan klopt hij op een achterdeur, waarschijnlijk de toegang naar de keuken. Een man in groene overall doet even later open.

“Ken ik u helpe?”

De banjoman knikt verlegen en mompelt: “Hebt u voor mij misschien een plaatsje in de schuur om te slapen?”

De boer kijkt hem lachend aan.

“Mar natuurlijk, man! ‘k Heb gin slaopkaomers mir vrij vanwege mijn zes kindere, mar in het hooi veine we wel un wèrum plekske. Hedde al gegéte?”

De banjoman knikt. “Ik hoef alleen een slaapplaatsje.”

“Lôp mar mee.” En de boer loopt richting zijn schuur en opent daar een kleine deur naast de hoge schuurdeur en gaat naar binnen. De banjoman volgt hem.

Als hij de schuur binnentreedt, komt de geur van het stoffige stro vermengd met de weeë lucht, die uit de nabijgelegen stal komt, hem tegemoet. Uit het gerammel van kettingen begrijpt hij, dat daar koeien zijn gestald.

De boer ontsteekt een olielamp, die aan de muur hangt.

“Zoek mar un plekske in het strooi.”

De boer wijst naar een trap, die naar de zolder leidt.

“Deze lamp en gin vuur gebruike hier,” stelt hij nog even de regels vast, “en ok nie roke.”

“Roken doe ik bijna nooit,” verzekert de banjoman zijn gastheer. “Af en toe eens een sigaartje bij een feestelijke gelegenheid. En licht is er genoeg voor mij.”

Hij wijst naar een stoffig dakraam, waar toch nog heldere maanstralen doorheen dringen. Ze voorspellem een koude nacht.

“Nou, truste dan.”

De boer draait de olielamp weer uit en zoekt zijn keuken weer op.

“Welteruste,” roept de banjoman hem nog na.

 

De grijze man klimt met rugzak en banjo de ladder op. Om zich tegen de komende koude te beschermen, trekt hij enkele bossen stro naar zich toe en bedekt zijn benen met een oude wollen deken. Zijn half versleten winterjas en gebreide muts zullen de rest van zijn lichaam aangenaam warm houden.

Hij rolt zich in zijn nestje van stro, legt nog even zijn hand op zijn muziekkoffer naast hem en probeert in slaap te komen. Het gerammel van de kettingen, dat vanuit de koestal weerklinkt, is voor hem het enige wat de stilte af en toe verbreekt.

Hij is een gezonde vent, die meestal meteen weg zakt in een droomloze slaap. De gehele dag snuift hij de frisse buitenlucht op en dat maakt slaperig als je rust en warmte krijgt.

 

Maar deze avond kan hij de slaap niet vatten.

Ongewild gaan zijn gedachten telkens weer terug naar de tijd, dat hij samen met zijn band gedurende het hele jaar door Nederland en Duitsland reisde. Soms ook door België. Elke dag gaf hij zich over aan de muziek en de vele fans.

Het was een mooi en lux leventje.

Kerstmis bracht dan rust in zijn drukke bestaan. Die dagen van ‘vrede op aarde’ deelde hij met zijn vrouw en zoontje, gezellig in een warm huis rondom de kerstboom met een glas wijn.

Er komt een glimlach op zijn gezicht en hij voelt weer zijn kind op schoot spelend met een miniatuur harmonica. Zijn ogen kruisen de blozende blik van zijn vrouw, waarmee hij liefdevolle dagen doorbrengt. In een geluksmoment meent hij de geur van haar parfum op te snuiven. Hij proeft de heerlijk rode wijn op zijn tong.

Gelukkige dagen waren dat, van de Kerst tot na nieuwjaarsdag. Even geeft hij glimlachend zijn herinneringen de vrije teugel.

 

Dan verdwijnt de lach van zijn gezicht.

Meestal vertrok hij weer op de tweede dag van het jaar. Weg van zijn gezin, met de band mee. Hij zorgde financieel goed voor vrouw en kind. Zij kwamen niets tekort; alleen zijn aanwezigheid.

Maar ondanks dat ze uit liefde getrouwd waren, kwam door zijn drukke leven als muzikant het gezin op de tweede plaats. Hij liet zich meeslepen door succes en glorie en de consequenties bleven niet uit.

Eens na een tournee van enkele weken met zijn muziekmaten kwam hij één dag eerder thuis, dan iedereen verwachtte. Daar vond hij een dorpsgenoot in zijn bed, met zijn vrouw! Er ontstond een stevige woordenwisseling, waarna zijn vrouw haar spullen bijeenpakte en vertrok. Ook zijn zoontje nam ze met zich mee. Hoewel het vertrek van zijn zoon hem extra pijn deed, hield hij hem niet tegen.

Hijzelf was immers nooit thuis! Hoe zou hij zijn zoon moeten opvoeden en grootbrengen? Dat moment betekende het einde van hun huwelijk. Hij zag zijn zoon voor de laatste keer.

Er verschijnt toch weer een glimlach op het gezicht van de banjoman bij de gedachte aan zijn kind. De jongen moet al een jongeman zijn. Gezond en sterk. Waarschijnlijk al getrouwd. Misschien is hijzelf al opa!

Ondanks dit vreugdevolle denkbeeld verdwijnt ook deze glimlach en keert hij terug in de harde werkelijkheid. Het lijkt of het kouder wordt en de man duikt dieper tussen het stro en trekt de wollen deken wat verder over zich heen.

 

Sinds de breuk met zijn vrouw en haar vertrek is hij dakloos. De muzikant nam destijds zijn banjo met koffer en mondharmonica, stopte wat kleren in een oude rugzak en liep de wereld in. Zonder doel; zonder toekomst, zijn gezin, vrienden en fans achterlatend. Alleen zijn muziek droeg hij met zich mee.

Slapen en eten doet hij nu in allerlei dorpen bij arbeidersfamilies, die tegen een kleine vergoeding mensen onderdak en eten verschaffen, een bed geven en hiermee wat extra’s verdienen. Vanuit deze tijdelijk onderkomens gaat hij de dorpen door tot iedereen van zijn banjo en mondharmonica heeft kunnen genieten.

Altijd vrolijk. Altijd sympathiek. Altijd te voet.

Na elk optredentje schudt hij met zijn centenbakje en gaat door tot dat hij alle straten en deuren van het dorp heeft gehad. Dan betaalt hij netjes zijn kostvrouw, pakt zijn rugzak en instrumenten en loopt naar het volgende dorp, waar hij opnieuw zijn rondje langs de deuren begint. In de kleine steden speelt hij in winkelstraten, maar als de politie de vergunning wil zien en hij die niet kan tonen, moet hij zijn banjo en rugzak oppakken en verdwijnen.

Dat brengt hem bij het volgende gehucht of kerkdorp.

Tot de vrieskou komt, die zijn vingers en handen verstijven en zijn mondorgeltje aan zijn lippen doet vriezen. Dan komt er geen geld meer binnen, geen munten meer in zijn centenbakje en breekt de tijd aan van zuinig zijn en proberen rond te komen met het geld wat die zomer apart gelegd is.

 

Met een kleine beweging nestelt hij zich nog behaaglijker in het stro en zijn gedachten dwalen af naar de voorbije zomer, toen de zon alles heerlijk opwarmde. De grond waarop hij liep, de beek waar hij zich in opfriste en het gras, waarin hij zijn middagdutje deed. Ook waren de dagen veel langer en dat betekende meer uren banjo en mondharmonica spelen, meer uren vrolijk zijn, meer uren muziek maken. Muziek, die hem vreugde en vrede geeft.

En geld om in leven te blijven.

Hij legt elke zomer wel wat opzij om de winter te overleven. De zomer! Bij die gedachte wordt hij warm en valt langzaam in een diepe slaap.

 

 

Het is ochtend en Eerste Kerstdag.

De banjoman wordt gewekt door het kraaien van een haan en ziet het zwakke zonlicht door het dakvenster vallen.

Hij staat op, slaat het stro van zijn kleren en gooit zijn spullen over zijn schouder. Even later klopt hij op de keukendeur van de boerderij. De boer, net klaar met de verzorging van zijn dieren, doet open.

“Kan ik u nog ergens mee helpen,” zegt de muzikant en hij kijkt de man in de blauwe overall vragend aan. Door de geopende deur ruikt hij de geur van verse koffie.

“Of moet ik u nog iets betalen voor de overnachting?”

De boer schudt ontkennend zijn hoofd. In de winter is er weinig werk op de boerderij en zijn dieren zijn al verzorgd. Bovendien heeft zijn slaapgast niet de goede lichaamsbouw voor het zware boerenwerk. Alleen het eelt op zijn vingertoppen verraad zijn beroep als banjo-speler.

“Neije, kèrel, ut werk is al gedaon.”

De boer doet een stapje achterwaarts en en zwaait zijn hand uitnodigend naar binnen.

“Kom d’rin. Dur is nog wel un plekske aon taofel.”

De muzikant kijkt langs de boer de keuken in.

Rondom een lange houten tafel zitten zes kinderen, drie zonen aan de ene zijde, twee dochters en de kleinste zoon aan de andere kant. Op een lage kast staat een eenvoudige kerstboom, niet rijkelijk aangekleed. Toch brengt de kleine den met zijn gekleurde ballen en brandende lampjes een gezellige kerstsfeer in deze eenvoudige boerenkeuken.

De boerin bevindt zich aan de kopzijde van de tafel, direct bij het grote kolengestookt fornuis en ook vlakbij de grote aanrecht. Haar blik kruist even die van haar man, die zich half omgedraaid heeft. Een blik van verstandhouding en de boer draait zich weer terug naar de man met de rugzak.

“Kom ‘r toch in,” herhaalt hij. “Doet oewe rugzak en oew jek uit en pak nun zit. D’r is ete zat! Vrouw, schenk us un lekker bakske koffie vur um in!”

Even weifelt de zwervende banjoman, maar dan stapt hij de gezellige woonkeuken in en ontdoet zich van tas en jas. Een van de meisjes neemt de spullen aan en bergt ze op, een jongen schuift zijn stoel naar hem toe en haalt voor zichzelf een kruk uit het achterhuis.

“Doe mar of ge thuis bent, pak mar,” moedigt de boerin hun gast aan, terwijl ze de koffie inschenkt.

De muzikant schuift aan. De tafel is gevuld met brood, eieren, spek, worst en gerookte ham en de gast maakt daar dankbaar gebruik van, aangemoedigd door de kinderen. De gastheer en vrouw gaan zelf ook verder met de maaltijd en kijken tevreden toe, hoe de banjoman zich te goed doet aan al het eten.

 

“Kunde gij veur oos un schoon kerstliedje speule?”

Het is de jongste zoon van de familie, die dit verzoek doet. De magen zijn gevuld en de boer knikt de muzikant bemoedigend toe.

De gast haalt de banjo en mondharmonica uit de muziekkoffer en kijkt vragend naar de kinderen.

“Kerstkiendje is gebore!” klinkt het uit verschillende monden.

De banjoman zet aan en even later klinkt het uit negen kelen en keeltjes:

“Kerstkiendje is gebore, al in nun arme stal. Drie daoge van tevore, toen wiesten ut de herderkes al.

Ja, toen wiesten ut de herders al.”

Er volgen nog meer liedjes, zoals ‘Stille nacht’ en ‘Er is un kindeke gebore..’ en nog veel meer.

De veehouder en zijn echtgenote kijken elkaar aan en genieten van deze viering. Op de boerderij is nog nooit zulk een mooi kerstfeest gevierd!

Na al het mooie gezang biedt de boer zijn gast een sigaar aan en steekt er zelf ook een op.

Het is toch een feestdag, nietwaar?

Samen laten zij de rook van de dikke sigaren door de grote keuken kringelen en de banjoman vergelijkt ze met zijn gevoel van geluk, waarvan hij dit moment geniet. De rookringen stijgen op tot aan het plafond, waar de kleine wolkjes zich verspreiden en in het niets verdwijnen…………

          

Bij deze gedachte maakt hij aanstalten om te vertrekken. “Het is tijd voor mij, om te gaan.”

De banjoman wil het gezin verder niet storen, maar nog een kop koffie slaat hij niet af. Daarna trekt hij zijn jas aan en neemt de rugzak op zijn schouders. Pakt de muziekkoffer en dankt de boer en zijn vrouw voor de gastvrijheid.

“Gin daank, gin daank,” antwoordt de boer. “Wij veine ut allemaol fijn, dè ge veur oos gespuld hèt. ’t Is misschien wel de schôonste Kerst, die we ooit gehad hebbe. Gij bedaankt, man!”

De boerin schudt de hand van de banjoman en de kinderen roepen allemaal: “Houdoe, banjoman!”

 

De muzikant gaat door de keukendeur naar buiten en steekt nog eenmaal zijn arm ten afscheid in de lucht. Dan loopt hij de wereld weer in. Terug in de kou, terug in de eenzaamheid. Maar toch met een heel warm gevoel, dat het boerengezin in hem doet opwellen.

De banjoman marcheert naar een volgend onbekend doel. Hij hunkert naar de zomer, die hem warmte en nieuwe geestkracht zal geven om met zijn banjo en mondorgeltje van deur naar deur te trekken en de mensen gezellige muziek te brengen.

Nog nagenietend van de goede maaltijd en de gezelligheid met het boerengezin stapt hij voort, vol gepompt met nieuwe energie. Zal hij richting zijn vroegere woonplaats gaan? Mogelijk komt hij daar zijn zoon tegen!

Met deze gedachte loopt hij vrolijk verder, echter niet wetend welke richting hij is ingeslagen. Hij is weer alleen en eenzaam, maar heeft een glimlach om de mond bij de mooie herinnering aan deze Kerstmorgen bij het boerengezin.

Dit kleine beetje geluk heeft hem weer een stuk levensmoed gegeven.

 

© Henk M. van Oosterwijk.

Batterijtjes

Of: De gevolgen van een kater

 

Het gebeurt in de zomer van 2018,

Het wieler comité, dat een wielerronde in Rijen organiseert, haalde in 2017 officieel de naam 'Wielerronde van De Leren Zool' uit de gemeentearchieven en de nieuwe Leren Zool was geboren.

Ik vergaarde in dat jaar de geschiedenis over het oude criterium en schreef het in tien delen in weekblad Gilze-Rijen. Een mooie reclame voor de nieuwe koers.

Dit leidde weer tot een uitnodiging om de wedstrijden te komen bekijken, maar mijn vrouw Riet was toen ernstig ziek en overleed ook in 2017. Dus bedankte ik voor de uitnodiging.

Het wieler comité was me echter niet vergeten en in 2018 kreeg ik een nieuwe uitnodiging met 2 VIP-kaarten.

Hier begint het verhaal.

 

Het is een zonnige zondag in juni, als ik met de auto naar Rijen ga om het wielerfestijn van De Leren Zool mee te maken. Ik parkeer mijn wagen bij mijn nichtje Miriam, wiens man Peter met me mee gaat naar de wedstrijden. Zij wonen vijf minuten lopen van het parcours vandaan.

We bekijken de wielerkoersen vanaf het terras van café ' t Boerke, vlakbij de finish gelegen.

Mijn goede voornemen om geen alcohol te drinken wordt snel verdreven bij het zien van vele kennissen en sportvrienden. We nemen het een tapje na het andere en krijgen zo ons zakken vol (zeggen ze op de Rijen). Als de wedstrijden zijn afgelopen wandelen we met behoorlijk wat biertjes op en zware benen terug naar Peter 's woning.

"Geen probleem, dat je gedronken hebt," verklaart Peter. "Miriam brengt je wel naar Oosterhout. Ik ben morgen vrij, dus kan ik dan je wagen brengen."

En zo geschiedt.

Eerst nog een overvol bord spareribs wegwerken bij Spijs en IJs (vroeger het gezellige café ’t Halve Maantje) en daarna brengen Miriam, achter het stuur, en Peter mij naar de Oosterhoutse haven, De Oude Sluis, waar ik overnacht op mijn boot.

 

Die maandagmorgen word ik pas rond tien uur gewekt door het snerpende gefluit van mijn papagaai Schipper, die vindt dat het hoogtijd is om op te staan. Ik voel een vreselijke kater opkomen. Ik ben niet meer gewend een stevig pintje te drinken en neem me dan ook voor, dit nooit meer te doen. 

"Dat heb ik meer gehoord," zou Riet gezegd hebben.

Dan bezorgt mijn telefoon me weer een pijnscheut in het hoofd. Deze scherpe beltoon is gekozen, omdat Schipper deze niet kan imiteren. In het verleden heeft hij ons al vele malen voor niks naar de telefoon gestuurd.

"Mee Henk van Oosterwijk," reageert Schipper snel.

"Mee Henk van Oosterwijk," herhaal ik en hoor, dat ik Miriam aan de lijn heb.

"Peter kan de auto niet van slot afkrijgen," legt ze uit. "Hij denkt, dat de batterijtjes van de sleutel leeg zijn."

"Heeft hij toch de goeie sleutels?" merk ik op, denkend aan een gebeurtenis op mijn boot.

Zo krijg ik nog een paar telefoontjes van haar het komende uur om me op de hoogte te houden van de situatie in Rijen.

 

Wat is er intussen in huize van Antwerpen zoal aan de gang?

Ook Peter is met een lichte kater wakker geworden en beseft, dat hij beloofde mijn auto tegen tien uur in de Oosterhoutse haven af te leveren. Dus hij staat snel op, kleedt zich aan en pakt de autosleutels van tafel. Bij mijn auto gekomen probeert hij met de afstandsbediening het slot te ontgrendelen, maar na diverse pogingen wordt er geen klik gehoord en blijft de wagen gesloten. Ook met de sleutel zelf gaat de deur niet open.

Hij belt Miriam om te vragen of ze mij belt en vertelt daarbij, dat hij op de fiets even nieuwe batterijen voor de sleutel gaat halen. Hij neemt de damesfiets, die voorin de garage staat. Met een veel te laag zadel en de knieën boven het stuur uitstekend, trapt hij naar supermarkt Jumbo. Ze kunnen hem niet helpen.

Dan fietst hij naar de Emté en ook daar geen goede batterijen. De oversteek naar de Albert Heijn levert ook niets op en teleurgesteld trapt Peter ongemakkelijk weer naar huis. Dan komt hij voorbij Autohuis Rijen, nog geen tweehonderd meter van zijn woning verwijderd. Daar hebben ze wel de juiste batterijen voor hem.

 

Opgewekt stalt hij zijn rijwiel in de garage, gaat naar binnen en verwisselt de batterijen in de autosleutel. We zijn intussen een uur verder.

Drukkend op de sleutel loopt hij naar mijn auto, maar ondanks dat hij vlakbij komt, reageert mijn vervoermiddel niet en houdt zijn deuren hermetisch gesloten.

Peter weet het niet meer.

"Hoe kan dat nou?” mompelt hij in zichzelf. Dan komt hij op een lumineus idee: de achterklep! Via achter kan hij dan in de auto komen en van binnenuit de deuren openen! Waarom heeft hij daar niet eerder aan gedacht?

Hij wil de sleutel in het slot van de achterklep steken, als hij ineens verstard.

Dat vignet achterop, dat is van een Citroen!

Hij kijkt naar de sleutel in zijn hand: Peugeot!

Peugeot verdomme, de sleutels van de wagen van zijn dochter. Die heeft ook een vrije dag en ligt lekker op de bank een boek te lezen.

Peter loopt naar binnen, ziet de Citroënsleutel liggen en wisselt die snel om.

“Gelukkig dat Lynn haar auto nog niet nodig had,” bedenkt hij zich.

Dan opent hij mijn Citroën.

Voor hij de motor start, belt hij nog snel even naar mij met het goede bericht: "Ik heb de wagen open, oom Henk. Ik kom eraan!"

 

© Henk M. van Oosterwijk

De receptie

(Een fragment uit mijn 3e boek: “De spuigaten uit”)


Ge herkent dat wel op een receptie: de sfeer groeit langzaam naar een hoogtepunt, de gesprekken worden steeds heftiger en harder en voordat je er zelf erg in hebt, is er een biertje te veel in genomen. Misschien wel twee! 
En de tijd vliegt!
Plots is de tijd aangebroken, dat je over naar huis gaan moet denken. Niet denken, maar die tijd is dus nu gekomen!
Ik neem afscheid van mijn biljartvrienden, neem nog een laatste voor de dorst, pak er nog eentje op de vriendschap en een laatste op het jubilerende DOB, en stap uiteindelijk niet helemaal zeker van mezelf bij ’t Boerke (op de Rijen) naar buiten.
Het Is al donker! Dus later dan ik dacht. 
Op mijn gemak wandel ik in de richting van onze woonwijk Schoorveken en kies het fietspad, dat achter de huizenblokken door loopt. Volgens mijn waarnemingen en gedachten is dat lopend de kortste weg naar huis. 
Er is echter één probleem: als ik in het rond kijk, lijken alle woonhuizen vreselijk veel op elkaar. Zeker de achtergevels!. De schuurtjes, de gemetselde tussenmuurtjes: het ziet er allemaal hetzelfde uit. En daarbij komt nog de duisternis!
“Potverdorie, die seriebouw!” brom ik in mezelf. “Alles maoken ze ut zelfde. Het is nog enees nie mooi en ge kunt er zo ok hillemaol gin wijs uit!”
Nadenkend over de hedendaagse architectuur, die volgens mij dus ook niet alles is en verbeterd kan worden, loop ik enkele brandgangetjes en fietspaden door en uiteindelijk weer terug. Na wat op en neer gewandeld te hebben zie ik geen poort of achtertuin, die me bekend voor komt of op de onze lijkt.

 

Net als ik geheel in vertwijfeling geraak en mijn zoekactie wil staken, springt plots een hond tegen me aan!
“Hé Bobbie, manneke,” reageer ik. “Bende gij da, jom. Doede gij ut baosje zoeke? Braof beesje, breng het baosje mar us lekker naor huis!”
Bobbie kijkt me met een schuin kopje aan en ik denk, dat hij begrijpt wat ik bedoel. De hond draait zich om en loopt een aantal gangetjes door. Ik er achteraan.
“Nie te rap, jonge,” roep ik nog naar de hond 
Dan hoor ik de stem van mijn vrouw, Riet, roepen: “Bobbie, Bobbie!”
Zij heeft hem uitgelaten en de hond heeft natuurlijk mijn geur opgesnoven en zijn baasje opgezocht.
Goed werk!
Ik volg ons huisdiertje en zie een stukje verder Riet staan.
“Waor komde gij nou vandaon?” vraagt ze niet begrijpend. 
Dus kom ik hoogstwaarschijnlijk uit een verkeerde richting, concludeer ik voor mezelf. Maar nonchalant met mijn arm zwaaiend leg ik het haar duidelijk uit, wat de bedoeling van mijn wandelroute is.
“Ik zij binnendeur gelope,” zeg ik. “Da’s wa korter!”
Ja, ja, zie ik ze knikken, maar ze denkt waarschijnlijk toch wel wat anders!
We lopen onze Bobbie achterna en komen nu wel bij een voor mij bekende poort.
Ik ben thuis!
Zo zie je maar, hoe waardevol het kan zijn om een hond in huis te hebben!

 

© Henk M. van Oosterwijk

 Klik op: De spuigaten uit.

Het rijbewijs (1967)

(Uit het boek "Mijn jeugdherinneringen")

Mijn vader is een doorzetter.

Als hij iets in z’n kop heeft, dan moet er dat ook komen. En het komt er.

In een eerder hoofdstuk vertelde ik over onze ‘Sprinkie’, de eekhoorn. Die had een buitenkooi nodig en die was in één dag tijd in elkaar getimmerd.

Er moest eens een konijnenberg gemaakt worden. Hij groef een gat van een meter diep en drie bij vier meter groot, voorzag die van ouwe gaas,  gooide het weer dicht en maakte er nog een zandberg op en een omheining bij. De holen groeven de konijnen zelf, maar het stond er binnen een week!

Ja, als hij zich iets voorneemt, dan moet het er komen of gebeuren!

 

We doen een sprong in de tijd: onze Wim en ik hebben allebei ons rijbewijs. En we rijden beiden met plezier een tweedehands autootje.

“Ik gaoj ok autorije,” beslist onze pa op een goede dag.

En ook vader koopt een auto en gaat het bijbehorende rijbewijs halen.

En wel in die genoemde volgorde!

Hij schaft eerst een tweedehands Volkswagen aan, ’n groene Kever. Laat er meteen een dubbele bediening in aanbrengen en gaat er mee lessen!

Vijfenvijftig jaar is hij nou!

Hij neemt lessen in zijn eigen wagen bij rijschool Schellekens uit Dongen, maar wil tussendoor zo veel mogelijk rij-uren maken.

“Henk, jonge,” zegt ie tegen mij, “ge mot ’s mee mijn gaon rije. Dan leer ik ’t wè vlugger en hoef nie zo veul lesse te betaole aon die rijschool.”

En zo geschiedt.

De wet staat het toe, dat iemand met een rijbewijs naast vader gaat zitten en hem laat rijden. Daar is de dubbele bediening voor: de extra rem en extra koppeling!

Dus ik op een zaterdagmiddag met ons vader mee. Hij heeft al wat lessen gehad van de rijschoolhouder en weet dus waar het contact, de gas en de rem zitten. En meer hoefde niet te weten!                   

Wij  met de VW de bossen in. Tenminste, we blijven wel op de verharde wegen. Het asfaltweggetje richting Dorst langs natuurbad Surae is lekker rustig en loopt bij het natuurzwembad rondom de parkeergelegenheden heen. En daar is dus ruimte zat om goed te kunnen oefenen met koppelen en schakelen, gas geven en afremmen.

Alles gaat prima.

Vanuit ons huis in de Ligstraot vertrekken we. Onze pa rijdt na enkele rijschoollessen redelijk goed en loodst ons goed door de Rijen heen.

 

Bij Surae aangekomen wil ik hem – na wat op en neer gerij - leren ‘keren op de weg’.  “Waant  dè ‘s nog ’n zwak punt,” volgens ons vader.

Er is geen fietser of hond in de buurt, dus we hebben alle tijd om het keren te oefenen. Het mee sturen en tegen sturen gaat echter allemaal niet zo vlot, als ik van hem verwacht en ik wordt een beetje ongeduldig.

“Dè is toch nie zo moeilijk pa, aandersom,” zeg ik tegen hem, als hij een stuurfoutje maakt. Maar ik denk, dat mijn uitspraken iets te fel zijn en hem een beetje opjutten! Onze pa kan af en toe ‘kort in de kèr’ zijn!

Plots geeft ie vol gas, denkt dat ie achteruit zal gaan, maar schiet met een ruk naar voren en duikt de langs de weg liggende sloot in! 

En ik ben door die onverwachte actie ook te laat om met die dubbele bediening te remmen! Kunde nagaan, dat er even met God gepraat wordt!

“Hoe kande me nou op zonne weg vlak langs n’n sloot laoten draaien!!!”

Ja, hoe kan ik!

We stappen allebei uit de auto en zien gelukkig, dat het een droge sloot is waar we in zitten.  Geluk bij een ongeluk!

Maar het Kevertje ligt met zijn buik op de grond en zijn voor- en achterwielen hangen vrij boven de berm en de sloot!  Wat nou??!!

Vader loopt eens een paar keer om het wagentje heen en gaat mogelijkheden bedenken om de auto uit de droge sloot te krijgen.

Ik moet van onze pa achter het stuur gaan zitten en zelf kruipt ie op de achterbank zo ver mogelijk naar achteren. Zo probeert hij door zijn gewicht in de schaal te brengen, de achterwielen aan de grond te krijgen.

Maar al gaan we zelfs met  z’n tweeën op de achterbumper staan, het wagentje beweegt helemaal niet; het ligt muurvast op zijn buik in het zand!

Na mij nog het een en ander goed duidelijk te hebben gemaakt over mijn manier van lesgeven, loopt ons vader mopperend naar café De Laat. Dat is een klein kroegeske een paar honderd meter lopen vanaf de plek, waar we vast zitten. Het staat vlak langs de spoorlijn Breda – Rijen bij een onbewaakte overweg.  Even later komt hij met twee schoppen terug: een steekschop en een panneke.

 Zwijgend beginnen we aan het graafwerk en scheppen het zand net zo lang weg onder de volkswagen, totdat de vier wielen de grond raken en er tussen grond en autobodem nog wat ruimte over is.  

Voor het zover is, zijn we weer een groot uurtje en veel zweetdruppels verder!

Ik rijd daarna gemakkelijk de wagen uit de sloot en we brengen de twee schoppen terug naar café De Laat. Daar nemen we nog een limonaadje om toch iets terug te doen voor het lenen van het gereedschap. Daarna rijdt mijn vader zijn Volkswagentje zelf weer foutloos en veilig naar huis.

Niet helemaal foutloos en veilig.

Want wat gebeurt er, als we in de Laagstraat aankomen en vader de auto den dam op wil rijden? Iets heel onschuldigs: we komen een patrouillewagen van de politie tegen!

De politieagent, die alleen in de auto zit, is waarschijnlijk onderweg naar huis voor een bakske koffie: hij heeft ons helemaal niet opgemerkt.

Maar ons vader let wel op de politie en te weinig op onze dam! Hij is even niet geconcentreerd aan het auto besturen!  Hij neemt daardoor de bocht te ruim en schiet op een boom af, die naast onze inrit staat.

Nu zit ik wel met mijn voet op het rempedaal, maar net iets te laat. De VW raakt de boom zachtjes, maar net hard genoeg om een flinke deuk in het linker voorspatbord te veroorzaken!

Met een behoorlijke krachtterm schakelt ons vader achteruit en rijdt alsnog de wagen onze dam op. We stappen uit en kijken eerst, waar de politie gebleven is.

Die is gewoon door gereden! Heeft helemaal niks gezien! Die heeft waarschijnlijk andere zorgen aan zijn kop!

We lopen terug onze werft op om de schade aan het spatbord op te nemen. Een hoop gemopper van ons vader natuurlijk, maar: “Dieje deuk slaoi ik er zelf wel uit,” is zijn conclusie.  En dat doet ie!

Maar ik heb ons vader nooit geen rijles meer hoeven te gegeven!

 

Gied Schaerlaeckens, een ouwe maot van hem, heeft al jaren een rijbewijs. En ondanks dat Gied geen auto heeft en nooit rijdt, geeft hij onze pa de nodige bijlessen. Tenminste: hij neemt plaats naast ons vader in de VW.

“As ik mar iemand neffe me heb zitte meej ’n rijbewijs,” zegt ie tegen anderen. “Ik wit zelf wel, hoe’k mot rije!”

En dat gaat goed, want na een keer of drie vier opgaan heeft vader zijn zo begeerde rijbewijs. Hij sloopt de dubbele bediening uit de auto. Die is nimmer nodig en wordt te koop aangeboden.

Over die dramatische rijles door de bossen en bij Surae: daar hebben we later weer dikwijls om moeten lachen!

En onze pa is blijven rijden tot zijn drieëntachtigste !!!

 

Copyright Henk M. van Oosterwijk.

Boek 'Mijn jeugdherinneringen'te bestellen bij www.boekenbestellen.nl .

 

Een sleur

Wat een sleur

 

Vandaag wordt de 27e bestraling uitgevoerd in het Verbeeten Instituut. Het is een echte sleur voor mij geworden. Elke werkdag naar Breda, soms naar Tilburg. Het kost me zo’n twee uren om op en neer te gaan. Met de voorbereiding thuis mee bijna drie uur! Voor vijf minuten bestraling!

 

Ik begin met tijdig een douche te nemen en daarna gemakkelijke kleding aan te trekken. Dan snel een halve liter water naar binnen werken, ongeveer een uur voor de bestraling.

Wachten op de taxi, die ik veertig minuten voor de bestraling afspreek. Dan naar het Verbeeten Instituut. Als de taxi goed op tijd is en het verkeer niet te druk heb ik in het instituut weer een wachttijd voor ik aan de beurt ben.

 

De bestraling, om de prostaatkanker te doden, is kort.

Je moet op een verstelbare bank gaan liggen. De voeten, knieholten en het hoofd worden op vaste posities ondersteund en de machine wordt afgesteld op de vier tatoeages, die voor de bestraling op mijn lichaam zijn aangebracht. Zo lig ik steeds in dezelfde positie met een volle blaas (halve liter water). Omdat de bestralingsmachine voorzien is van een CT-scanner, worden de vier in mijn prostaat aangebrachte ‘goudmarkers’ (gouden staafjes van ongeveer een halve millimeter rond en halve centimeter lang) op een scherm zichtbaar, zodat de zusters/broeders met grote precisie de plaats van bestraling kunnen vaststellen. Enkele minuten draait dan de bestralingskop om me heen.

Fluitje van een cent, dus!

Uitkleden, bestralen en aankleden is binnen tien minuten gebeurd. Dan de blaas ledigen en weer op mijn vervoermiddel wachten.

 

Het is een dagelijkse sleur geworden, die zich elke dag op verschillende tijdstippen afspeelt. Want een vaste dagelijkse tijd afspreken bij Verbeeten is onmogelijk.

Vandaag word ik voor de zevenentwintigste keer bestraald; er zijn nog acht bestralingen te gaan.

Einde in zicht en als de bijverschijnselen zijn, zoals nu, ben ik dik tevreden.

Tenminste, daarna genezen verklaard worden, dat is uiteraard het einddoel.

 

Ik voel me leeg.

Als een luchtballon hoog in de lucht, waarvan langzaam de luchttemperatuur in de ballon zak en zo geleidelijk hoogte wordt verloren.

Ik heb energie nodig, vuur, om de luchttemperatuur te verhogen en daardoor de ballon te doen stijgen.

Hopelijk komt dat vuur snel.

 

Nog acht bestralingen.

Ik hoop dan te horen, dat het gevecht met de prostaatkanker is overwonnen. Dat de ziekte tenminste onder controle is.

Want zekerheid heb je nooit in dit leven.

  

Leeg.

 

 Ik voel me leeg.

Als een luchtballon hoog in de lucht.

Waarin langzaam de luchttemperatuur zakt.

Geleidelijk wordt hoogte verloren.

Ik heb energie nodig, vuur.

Om de luchttemperatuur te verhogen.

Waardoor de ballon gaat stijgen.

Naar onsterfelijke hoogte.

Hopelijk komt dat vuur snel.

 

Nog acht bestralingen.

Ik wil dan horen,

Dat de strijd in mij

Door de prostaatkanker is verloren.

Dat de ziekte onder controle is.

Ten minste,

Want zekerheid heb je nooit in dit leven.

 

Vakantie?

 

Hoera, morgen vakantie!

Zo voelt het tenminste aan.

Vandaag heb ik voor de 35e keer in de bestralingsmachine van het Verbeeten Instituut gelegen. Voor de laatste keer, neem ik aan.

Een heel juk valt van mijn schouders nu ik niet meer elke dag die trip naar het instituut hoef te maken.

Niets slechts over het Verbeeten. Zowel in Tilburg als in Breda werd ik steeds allervriendelijkst ontvangen. Door de receptionisten, de doctoren, en zeker niet op de laatste plaats de behandelaars. Of moet ik zeggen: de machinisten van het bestralingsapparaat. Fijn personeel van deze zorginstelling hebben ervoor gezorgd, dat ik, en vele anderen met mij, me daar zeven weken lang thuis voelde in dat toch bij het volk berucht staande instituut, waar iedereen wil wegblijven!

 

Maar het is voorbij, over en uit!

Het woord vakantie is eigenlijk niet goed gekozen. Het houdt in, dat er een terugkeer zal zijn en dat wil ik niet.

Over vijf weken heb ik toch weer een gesprek en bloedonderzoek en hoop ik de woorden ‘genezen’ te horen. Definitief met pensioen dus.

Dat is het.

 

 

Bizar

Afgelopen zaterdag maak ik een bizarre, maar toch leuke ervaring mee! Misschien beleefde u ooit ook een dergelijk moment, waarbij droom en werkelijk door elkaar heen verweven zijn. Het herbeleven van een gebeurtenis, als je in een staat van verdoving verkeert.

Bij mij ging dat als volgt.

 

Ik heb een flinke verkoudheid opgelopen en ben deze zaterdag strontziek. Afgelopen zondag trouwens ook nog. Maar die zaterdag, als ik de thermostaat van de verwarming even een graadje hoger heb gezet,  val ik ’s avonds in mijn heerlijke ligstoel voor de teevee in een diepe door de koorts opgedrongen slaap.

Plots schrik ik half wakker. Ik hoor mezelf spelen op de accordeon. Het is echt het geluid van mijn Weltmeister, mijn trekkastje, dat me tegemoet golft. Precies één van die drie liedjes, die ik redelijk kan spelen.

Ik dwing mijn door slaapvet dichtgeplakte oogluiken om zich te openen en met moeite onderscheid ik het tv-scherm. Ik ontwaar een accordeonist en nog wat figuren. Dat is toch niet het filmpje, dat gemaakt is, terwijl ik met de kleinkinderen muziek aan het maken ben? Het lijkt er wel op. Hoe komt dat op teevee?

Ik zie de kinderen om me heen zitten en glimlach om het samenzijn met m’n familie. Dan vallen mijn oogleden weer dicht en luister ik alleen naar de accordeonmuziek. Wat is het toch leuk om samen zo maar iets gezelligs te doen.

Zachtjes dommel ik weer in.

 

Dan is de muziek weg.

Deze muzikale stilte doet me ontwaken uit mijn droom. Ik hoor een man vertellen over een voetbalclub en probeer nu echt wakker te worden. Ik druk op de schakelaar om mijn ligstoel in de zitstand te zetten. Terwijl de zetel langzaam zijn normale houding inneemt, kijk ik toch wat verward om me heen.

Niemand op bezoek.

Een presentator vertelt in een programma over voetbalclub Emmen en ik zie de voetbalsupporters over het scherm paraderen.

Maar hoe kan dat nou?

Ik ben ervan overtuigd, dat ik mijn accordeonmuziek hoorde en de kleinkinderen om me heen zag trommelen en spelen.

Ik ben toch niet gek!?

 

Even ben ik echt de kluts kwijt.

Ik recht de rug en wrijf het vet uit mij ogen. Dan bedenk ik, dat ik van Ziggo dat horizon-apparaat heb, waarmee ik terug kan kijken in het tv-programma. Ik druk op de achteruit-spoelknop en laat het programma teruglopen, totdat ik een accordeon ontwaar. Dan druk ik de stopknop in en laat het verhaal weer vooruitlopen.

Inderdaad klinkt de accordeonmuziek weer door de kamer. Een klank gelijk uit mijn eigen accordeon komt. En mijn liedje, maar niet ik ben aan het muziek maken. Een voor mij vreemde man bespeelt de accordeon, waarschijnlijk een Emmenaar. Hij laat het nummer horen, dat ik samen met de kleinkinderen ooit speelde en wat toen in onze huiskamer is opgenomen op video. De figuren rondom de muzikant zijn niet mijn kleinkinderen, echter wel Emmen-supporters.

 

Even ben ik verbluft.

Heb ik koorts of zo? Ik zag toch duidelijk de kleinkinderen op het scherm en hoorde mijn eigen muziek!

Een hallucinatie?

 

Zo kun je blijkbaar door een paar muziekklanken herinnerd worden aan een mooi moment in je leven.

In je slaap werkt dat door en produceren je hersenen de beelden, die bij het geluid horen.

Voor mij is het toch even een verwarde situatie, misschien ook door de verkoudheid en de koorts.

Ik los het maar snel op met nog maar een extra dutje te doen, dat me in een droomloze slaap laat vallen.

 

© Henk M. van Oosterwijk

De overgang

Nou mensen, ik kan nu echt meevoelen met de dames, die te maken hebben met de overgang. Ik ondervind het nu zelf aan den lijve!

En dat, terwijl ik al vijfenzeventig jaren tel.

Ik heb de puberteit, de midlife crisis en de pensioensleeftijd overleefd, maar nu zit ik na driekwart eeuw met levensgrote opvliegers!

Hoe dat komt?

Het is een van de middelen in de strijd tegen prostaatkanker. Het begint met dertig dagen pillen slikken en dan om de drie maanden een injectie met een implantaat, die driemaandenlang in mijn lichaam iets met hormonen rotzooit.

 

“Het is een behoorlijk dikke naald, die ik het beste in een vetlaag bij de buik kan inbrengen,” legt mij de vriendelijke zorgzuster van Zoladex uit.

Zoladex is de organisatie, die de spuitjes aan huis komt geven, een soort of ‘homeservice’ dus.

“Op die plek zit vet genoeg,” zeg ik lachend, terwijl ze de naald in mijn huid prikt.

“Geen pijn?” Ze kijkt me aan.

“Niks. Ik voel niks.”

Hoe kan het ook anders, denk ik bij mezelf. Dat vetbandje van mij heeft geen pijnzenuwen.

“Alweer klaar.” Ze pakt haar spullen bij elkaar. Ik trek mijn T-shirt omlaag en neem de spullen van haar aan, die in de vuilnisbak verdwijnen.

“Over drie maanden weer,” stelt ze vast. “Ik bel je wel.”

 

Nu is het bijna drie maanden verder en heb ik, naast de hormoontherapie, alweer achttien bestralingen in het Verbeeten Instituut er op zitten.

Ik ben over de helft, want in totaal krijg ik vijfendertig bestralingen.

Van die radioactieve behandeling heb ik niet zo veel last. Wat vermoeidheid, maar dat wordt opgelost door wandelen. Ja, beweging, daar vecht je mee tegen deze vermoeienis. En een extra dutje, dat helpt ook wel. De darmen zijn af en toe wat in de war en het plassen gaat soms moeilijk. Maar verder blijf ik dezelfde positieve jongen, die ik hiervoor was.

 

Maar die hormonen!

Die opvliegers! Twintig, dertig, veertig keer per dag en nacht vallen ze mijn temperatuursysteem aan.

Zo maar ineens, het zweet op m’n voorhoofd.

Ik krijg dan zin om kledingstukken uit te gooien, maar nog geen vijf minuten later komen koude rillingen over mijn rug. Alle knoopjes gaan weer dicht en af en toe doe ik een vestje aan!

Dan ’s nachts: je kruipt lekker onder de dekens, maar wordt een tijdje later wakker van de kou.

Alle dekens weg!

Natuurlijk weer een opvlieger en dan gooi je alles bloot en krijg je kou! Je trekt de dekens weer over je heen en valt opnieuw in slaap. Dit herhaalt zich nog diverse keren in diezelfde nacht.

 

“Je kunt onder andere opvliegers krijgen en humeurig worden," vertelde mij de oncoloog enkele maanden terug.

“Typisch vrouwelijke kenmerken," zei ik glimlachend en keek de dokter aan. "Krijg ik ook de drang om een jurkje te gaan kopen?"

Je moet je humor altijd behouden, niewaar?

Nu begrijp ik, en heb respect voor al die vrouwen in de overgang. Wat die niet afzweten!

Maar een goede raad: laat je humeur er niet onder lijden. Wordt niet chagrijnig.

Behoud je humor!

 

© Henk M. van Oosterwijk

Effe een broodje bakken

Ben ik ouderwets?

Ja, een beetje, als ik eerlijk ben. Riet, mijn vrouw, heeft altijd voor het eten en huishouden gezorgd; ik zorgde ervoor, dat er geld in haar portemonnee zat. Niet helemaal waar, want ze heeft best nog een aantal jaren, naast haar werk in de huishouding, bij diverse bedrijven han en span diensten verricht. Maar ik, koken?

Begin jarentachtig heb ik dat wel eens gedaan, maar verder was het Riet die mij elke dag met haar kookkunsten verraste. Ik stam namelijk uit een generatie van: ‘de man op het werk en de vrouw in de keuken’.

Toen Riet ziek werd, ben ik definitief gaan koken en na haar overlijden is uiteraard de gehele keuken van mij. Niet zo gezellig, maar het moet.

 

Zo denk ik vandaag eens lekker broodjes te gaan bakken. Als begin neem ik vier voorgebakken ‘Petit Pains’ vanuit de super mee naar huis. Op de verpakking van deze ‘Pistolet’ lees ik voor alle zekerheid even de bereidwijze. De oven voorverwarmen op 200 graden en dan die voorgebakken broodjes tien tot twaalf minuten in de oven laten.

Fluitje van een cent!

Tenminste, als je een oven hebt. En die heb ik niet!

Wel een magnetronnetje van 700 watt, een Microwave oven, staat erop. Dat moet dus ook gaan, denk ik bij mezelf.

Ik plaats – voorlopig om het uit te testen – één pistolet op het ronde plateau in het oventje, stel het in op maximale warmte (want 200 graden is nogal wat) en zet de tijdklok op tien minuten. Als het brood niet gaar is, kan ik er altijd nog twee minuten bijdoen, is daarbij mijn gedachte. Ik klap het deurtje dicht en de magnetron treedt in werking. Door het glazen deurtje controleer ik nog even, of het plateau met pistolet ronddraait en loop de kamer in naar de teevee om het nieuws te bekijken.

Ik heb toch nog tien minuten, niewaar?

 

Als na enkele minuten onze papagaai Schipper, die op de keukendeur post heeft gevat, naar zijn kooi vliegt, kijk ik even richting open keuken.

Verschrikt veer ik uit mijn fauteuil omhoog. Het lijkt wel of de keuken in brand staat. Ik snel naar mijn magnetronnetje, dat dikke grijze wolken uit haar ventilatiegaten blaast en druk op de knop, die het deurtje opent. Een grijze walm schiet naar buiten en verspreid zich over mijn kookruimte en door een gedeelte van de woonkamer.

En stinken!

Geen wonder, dat Schipper naar zijn kooi vluchtte!

Ik schuif mijn microwave oven onder de afzuigkap, die op volle toeren draait. Langzaam trekt de grijze walm uit de magnetron weg en wordt een zwart hoopje zichtbaar.  Met de frikandellentang grijp ik het ding, dat eens een voorgebakken pistolet was, en houd het snel onder de koude waterkraan. Met een sissend geluid en opnieuw een flinke wolk rook wordt de hitte uit het ‘brood’ verdreven en blijft er een zielig hoopje verbrand deeg in de gootsteen liggen.

Teleurgesteld staar ik naar mijn pistolet. Ik heb zo’n zin in een warm broodje, maar dit zwarte hoopje zal het niet worden.

 

Met alle ventilatieroosters en deuren open duurt het een half uur, voordat de rook uit keuken en kamer verdreven is. Alleen de geur zit nog in mijn neus en hangt waarschijnlijk nog in het woonvertrek.

En nou? Ik heb nog steeds zin in een warm broodje!

Ik ben een volhouder, zet de koekenpan op het gas en verwarm deze zonder er enig vet of boter in te gooien. Als de bodem goed heet is, leg ik er een broodje in. Eentje maar, want ook dit is een experiment. Met de frikandellentang draai ik de pistolet steeds om en probeer daarmee te voorkomen, dat het brood aan de koekenpan vast brandt. Na een paar minuten, als ik denk dat het tijd is om te proeven, draai ik het gas uit en snijd het broodje open.

Ziet er goed uit!

Boter erop, een plakje komijnekaas, en proeven maar. Niet helemaal gaar, maar het smaakt toch prima. Ikzelf vind dit experiment redelijk geslaagd. De twee overgebleven pistolettes zal ik morgen zeker op deze manier, misschien iets langer, gaan bereiden.

 

Mijn microwave oventje heb ik nog even schoongemaakt en uit geprobeerd. Het werkt van geen kant meer! Rijp voor de stort! Eindelijk een reden om een combi te kopen, een magnetron /oven. Een echte dan.

Maar of ik in dat nieuwe kooktoestel een pistolet ga bakken, dat betwijfel ik!

 

© Henk M. van Oosterwijk

Hoeveel keer nog?

Hoeveel keer nog?"

Deze vraag wordt door mijn taxichauffeuse gesteld, terwijl ze achter haar wagen doorloopt. Ze stapt achter het stuur en kijkt me aan.

"Ik was nu voor de tiende keer," antwoord ik, "nu nog vijfentwintig keer."

"Soo, da's een hele hoop." Ze spreekt met een Rotterdams accent.

"Nog vijf weken dus," zeg ik er achteraan.

Ze start de wagen en rijdt langzaam de oprijlaan van het Verbeeten Instituut af, terwijl haar mond onophoudelijk woorden produceert.

"Ikzelf heb vijf bestralingen gehad. Dat duurde me allemaal te lang hier in Breda. Ik zeg tegen mijn verzekering: joh, ken ik niet naar Rotterdam? En da kon. Maar veel schoot ik er niet mee op. Het scheelde een week. Maar ja, alles is meegenomen als het over kanker gaat. Want die kanker, da weet wat. Mijn man had ook kanker. Hij had wa pijn op zijn borst. Ik zei nog: ga naar de huisarts. Maar nee, de vent had het druk en de pijn viel allemaal nog mee, zeit'ie. Dus hij blijft lope met die pijn en ik denk bij me eige: die krijgt vandaag of morgen een hartaanval. Ik ken die pijn. Ik heb een lichte gehad. Nou doen mijn ribben zeer, maar ik ken het verschil goed tussen ribben en hartpijnnen"

Even houdt ze haar adem in, als we de snelweg oprijden.

"Mijn vrouw......," probeer ik dan, maar mijn chauffeuse ratelt gewoon door zonder naar mij te luisteren of te kijken.

"Hij was eigenwijs. Hij kon al moeilijk slikken en zijn stem werd ook minder.” Er valt even een stilte. “Heb jij pijn?"

Nu draait ze haar gezicht toch mijn richting in.

"Ik euh, nee."

"Hij wel. Uiteindelijk is ie naar de dokter gegaan en die stuurde hem naar de cardioloog. Ken je da? Mot je eerst weer vier weken wachte, voor je daar terecht ken en dan zegt die vent tegen je, dat ie niks aan zijn hart mankeert. Hadde ze verdorie een longfoto gemaakt, dan hadde ze da gezwel tenminste gezien. Maar nu moes ie eerst weer naar een andere dokter. Och, achteraf bekeken was het toch allang te laat. Hij was nie meer te helpe. Maar goed, krijgt mijn dochter ook nog een bestraling. Vijf keer. Toen was dat gelukkig weer goed. En dan komt die hond er nog bij. Wat een rottijd. We ontdekten een groot gezwel bij onze hond. Ook kanker. We waren wel goed verzekerd, maar ze was al oud en die kanker was ook al te ver doorgedrongen. Het beessie had geen kwaliteit van leven meer, dus hebbe se het maar een spuitje gegeve."

We zijn intussen kilometers verder de snelweg afgedraaid en Oosterhout ingereden.

"En uw man," krijg ik er net nog tussen, als ze moet ademhalen.

"Mijn man? Die is binnen twee maande overleje. Een kankergezwel in zijn borst en veel te laat naar de dokter gegaan. Zijn slokdarm was aangetast, zijn lever totaal verkankert en het zat bij hem overal. Je ken natuurlijk nie voor elk pijnscheutje naar de arts, maar hij hèt ’t laten verslonzen. Je weet ’t eigelijk ook nie. Je mot gewoon een beetje geluk hebben. Woont u hier in deze appartementen?"

Ik knik en ze draait het parkeerterrein op.

"Nou, u nog sterkte met die bestralingen. Dat het goed moge aflope."

"U ook sterkte," roep ik, terwijl ik het portier dichtklap.

"En nog een prettige avond," hoor ik haar nog zeggen.

 

© Henk M. van Oosterwijk

Een jaar later

Steeds keren mijn gedachten terug bij dat ene moment. Telkens weer zie ik het gebeuren.

Ik laat ze toen binnen, de uitvaartbroeders.

Nee, een broeder en een zuster. Op een waardige manier en met behulp van een glijlaken schuiven ze Riet van het bed op de baar. Meteen in een grote kunststof zak. De rits gaat half dicht en de broeder vraagt:

“Wil er iemand nog iets zeggen?”

Ja, wat moet ik zeggen?

Riet, doe je ogen open. Zeg, dat het een grapje is en kus me. Dit is onwerkelijk. Ik moet ze overdragen, haar lichaam meegeven aan deze mensen. Maar ik wil ze hier houden. Bij mij, in huis. Haar verzorgen, haar kussen, haar liefkozen.

Ik schud langzaam mijn hoofd. 

Ik ken geen woorden, die bij dit afscheid horen, wat voor mij nog geen afscheid kan zijn. Geen gezegdes, die Riet tot leven wekken. Geen kreet, die haar doet opschrikken, recht zitten en mij omhelzen.

Ik kijk de man aan en hij begrijpt.

Ik buig voorover en kus haar.

Koud!

Wat is ze koud!

Ik schrik ervan, terwijl ik weet dat ze vertrokken is. Weggegaan uit het leven.

Haar leven. Mijn leven.

Onvoorstelbaar! Dit kan niet! 

Om vier uur is ze ingeslapen; straks wordt ze weer wakker en kijkt me met die alles veroverende glimlach aan. Ze kust me, maar .......

Koud.

Haar lippen zijn zo koud.

Het is onwerkelijk, niet te begrijpen.

Onbestaanbaar.

Ik richt me op en knik tegen de uitvaartdienders. De man schuift de ritssluiting van de lijkzak dicht. Ik zie haar gezicht langzaam verdwijnen achter de sluitende rits.

Ze rijden de baar naar buiten, bijgestaan door mijn kleinste kleinzoon. Hij weet zich ook geen houding te geven, moet iets doen en helpt zijn oma mee naar buiten. Ze schuiven Riet in de auto.

We staan erbij en kijken ernaar.

Wij, ik, mijn kinderen en kleinkinderen.

De auto vertrekt.

We blijven kijken, totdat het grijze mobiel om de hoek verdwijnt.

"Mijn vrouw is dood," zeg ik tegen een man, die net zijn hond uitlaat en op eerbiedige afstand het tafereel staat gade te slaan.

Hij knikt.

"Gecondoleerd en sterkte," zegt hij en loopt aarzelend verder, zijn hond manend om mee te gaan.

Ik voel me leeg.

Langzaam volg ik de kinderen, terug naar binnen. Fijn, dat ze er allemaal zijn.

Onwerkelijk, dat Riet er niet meer bij is.

 

 

Nu zijn we een jaar verder.

Ik heb af en toe zin om alles binnen handbereik kapot te slaan. Door de lucht te slingeren. In gruzelementen te rammen. Woede komt zomaar in me op en verduistert mijn geest. Het zijn maar seconden; maar wel heftig, pijnlijk en verscheurend. Het snijdt mijn adem af, drukt mijn borst ineen en vertroebelt mijn gevoel voor realiteit. Het duurt maar even. Een, twee, drie seconden. Dan heb ik weer controle over mijn gedachten.

Het is de machteloosheid, die mijn spieren doen verslappen, en met een diepe zucht zakken mijn armen slap weg langs mijn lichaam.

Waarom?

Waarom is Riet overleden?

Wat is de reden, dat zij mijn leven heeft verlaten. We kunnen samen nog zo veel varen, kunnen beleven, kunnen ervaren. Samen van onze ouderdom genieten.

Maar dat mag niet. Dat kan niet.

Ik zie dat verschrikkelijke beeld voor me en hoor de man nog zeggen:

"Wil er iemand nog iets zeggen?"

En dan die rits, die traag haar gezicht doet verdwijnen. De baar, die de gang in geduwd wordt, bijgestaan door mijn kleinste kleinzoon. De wegrijdende auto en de man met zijn hond.

Hoe onwerkelijk is dit allemaal.

Opnieuw laait de woede in mij op, bijgestaan door een machteloos gevoel.

 

De dood is definitief.

Riet hield hier op.

Geef het een plek en kom tot rust.

Herinner je de mooie gebeurtenissen met haar.

Mooie woorden, maar realiteit is hard.

 

© Henk M. van Oosterwijk

Romantiek

Romantiek, wat is dat?

Ik denk, dat dit woord voor ieder mens een andere betekenis heeft. Zeker als we naar de generatieverschillen gaan kijken.

Neem nou mijn eigen kinderen. Hoe zij hun sfeervolle uurtjes met hun vrienden precies indeelden, weet ik natuurlijk niet. Wat ik wel weet is, hoe zij elkaar ten huwelijk vroegen.

 

Neem nou mijn schoonzoon Bart.

Hij had een restaurantje gereserveerd, zich in een goed pak gestoken en een Rolls Royce naar mijn dochter Susanne haar werk gestuurd, om ze op te halen.

Het meisje wist van niks.

Nou, meisje, ze woonden al tien jaar samen in Almere, een stad ver van haar geboortedorp Rijen vandaan. Susanne stapte in de Rolls uit 1970 en werd naar dat restaurant vervoerd. Daar zat onze Bart te wachten, ging op zijn knieën en vroeg haar ten huwelijk.

Is dat niet romantisch?

We praten er nog steeds over!

 

En dan zoon Raymond.

Hij had heel iets anders in gedachte.

Tijdens een carnavalsfeest stapte hij het podium op en vroeg, ‘of hij effe van de microfoon gebruik kon maoke.”

Dat mocht.

Of het nou zijn zenuwen waren, of de biertjes die hij al genuttigd had: het begon heel onromantisch.

“Wil Monique effe op het podium komen,” schalde het door de luidspeakers, terwijl - tot grote ontsteltenis en hilariteit van zijn vrienden – hij al bijna tien jaar met Lenie samenwoonde!

“Neije, doe toch maar oos Lenie,” herstelde hij zich. Gelukkig meldde Lenie zich en ging ook Raymond op zijn knieën met de woorden: “Wilde gij mee mèn trouwe.”

En dat wilde ze, ondanks de eerdere spreekfout.

Is dat niet romantisch?

Ook hier wordt nog dikwijls om gelachen.

 

Maar dan wijzelf, ons Riet en ik.

Natuurlijk was ik romantisch en hield ontiegelijk veel van haar. Maar onze tijden – in de zestiger jaren van de vorige eeuw – waren heel anders.

We hadden al acht jaar verkering, voor we trouwden, maar samenwonen? Nee, dat was er niet bij. Ge vree gewoon met elkaar en over trouwen werd alleen wat lachend gesproken. Bijna drie jaar woonde Riet bij onze ouders in. Ze had een eigen kamer en ik moest een kamer met mijn broertje Wim delen.

Riet spaarde voor haar uitzet, die netjes op zolder gestald werd tot het eens tot een huwelijk zou komen. Op mijn verjaardag kreeg ik een pollepelrek van haar met de woorden: “Komt straks goed van pas!”

Ik kan me niet herinneren, dat ik ooit gevraagd heb, of ze met me wilde trouwen.

Op een dag zij ze gewoon: “Ik ben naar de gemeente geweest en heb ons ingeschreven voor een woning!”

Maar ja, in die tijd was er een puntenstelsel en als we die berekeningen toepasten, zouden we op ons drieëndertigste eindelijk een woning krijgen!

We waren toen drieëntwintig!

 

Tot ik van mijn werk thuiskwam en zei: “Riet, we hebben een woning! Van mijne baos.”

En zes weken later waren we getrouwd.

 

Ik romantisch?

Natuurlijk wel. Ge kunt het helaas niet meer aan Riet vragen, maar geloof maar van mij, dat ik een idyllisch magische sfeer kon scheppen, als dat nodig was!

© Henk M. van Oosterwijk

Centje bijverdienen

Het kan soms raar gaan in het leven.

Ik praat nu over de tijd van begin jaren '90. Riet en ik varen een ZM-kruisertje van ongeveer zes meter lang, en onze vrienden Peter en Rietje een Verhoeven-kruiser met een lengte van acht meter zestig. Een Verhoeven-kruiser kent de gemiddelde watersporter wel, maar wat is een ZM-kruiser? Ik zal u uit de droom helpen: het is een Zelf Maaksel. Een polyester onderschip met een houten opbouw. En een plezier dat we met dit bootje, negen jaar lang, gehad hebben. Het is maar goed, dat bootjes niet kunnen praten!

 

Het gaat me echter niet om de kruisers, maar om de bijbootjes. Peter en ik hebben allebei nog een roeibootje met buitenboordmotor.

Zo gebeurt het, dat we samen aangemeerd liggen in het Middelgat van de Plomp, net waar de Sloot van Sint Jan de Plomp instroomt. Het Spaarbekken noemen wij deze plek.

Het is zaterdag en we zitten 's avonds lekker te borrelen, als rond de klok van elf een roeibootje langskomt glijden.

"Meneer," wordt er geroepen, "kunt u ons niet even naar de haven Vissershang slepen. We zijn verdwaald na een dropping. We zijn moe en komen waarschijnlijk te laat binnen." De droppelingen hebben waarschijnlijk onze volgbootjes zien liggen.

Peter reageert als eerste: "vur vijfentwintig gulden sleep ik oe er wel effe naor toe."

Ik kijk hem beduusd aan. Dat kun je toch niet maken.

"Akkoord," klinkt het verrassend uit het roeibootje.

"Vooruitbetalen," antwoord Peter weer. Ik zie een van de mannen naar zijn portemonnee grijpen en een geeltje (nu ongeveer elf euro) aan mijn maat geven.

"Vaorde mee?" Peter kijkt me aan.

"Oké," zeg ik, zoek mijn jas en pet op, want het is op en neer toch een uurtje varen en het kan kouder worden. We binden het dropbootje aan de Pioneer van Peter en weg zijn we.

 

Als we Vissershang naderen, zien we de silhouetten van het kleine vrachtschip van Frans Peeters voor in de haven liggen.

"Koppel ons hier maar af," zegt de betaler zachtjes tegen mij, "want anders ziet de organisatie, dat we gesleept zijn. Dit laatste stukje roeien we wel, dan hebben we waarschijnlijk nog gewonnen ook!"

Peter en ik kijken elkaar lachend aan, gooien de sleeplijn los en keren terug via Spijkerboor en de Sloot van Sint Jan.

 

Halfweg de Sloot ligt een bootje tussen het riet.

"Zijn jullie van de Don Pedro?"

"Kunnen jullie ons naar de haven slepen," klinkt het opnieuw uit het riet. "Hier is vijfentwintig gulden!"

Weer een gedropt gezelschap. 

"Die hebbe de vrouwe al gesproke," merkt Peter op. De vijf gedropten hebben het geld al verzameld, we pikken hun boot aan en slepen de nieuwe klanten weer naar Vissershang.

Als we terugkeren in de Plomp komen we nog diverse bootjes tegen met het verzoek hen te slepen, maar dat wordt door ons geweigerd. Het loopt al tegen één uur en we hebben intussen toch wel wat dorst gekregen.

De twee Rietjes zitten nog lekker aan een wit wijntje, als wij arriveren.

"Zo," zegt Peter tevreden, "effe vèftig gulde verdiend."

"Mar wij hebbe ok geld gebeurd," antwoord Rietje van Peter. "We hebbe die pakke wijn, die nie smôokte, aon de langskomende droppers verkocht en nog wa blikskes bier durbij!"

Eind goed, al goed, en we nemen er nog eentje.

 

Het is twee weken later en we liggen met onze boten op hetzelfde plekje in de Biesbosch, als er een meisjes van rond de veertien jaar met vier kleine meisjes van ongeveer tien, bij onze boten op de wal staan. Het is ook weer rond elf uur en pikkedonker. In de Biesbosch staan geen lantaarnpalen en het is nog eens zwaarbewolkt en 't regent af en toe.

Ze staan er met bemodderde schoenen en laarzen en vertellen ons, dat het groepje te voet door het Biesbosch land gaat. 

Wijzelf zitten met vieren in de boot, omdat het met regelmaat wat nat naar beneden komt.

"Meneer," begint het oudste meisje aarzelend, "we moeten naar het bruggetje van Sint Jan, maar we zijn verdwaald."

"Un dropping?" Ik kijk de groep verbaasd aan. "En te voet? Hedde gullie gin bôtje meegekrege?"

Het meisje schudt haar hoofd.

"Zèn jullie waoter overgestoke?" Ik zie nu dat hun broeken nat zijn.

Het meisje knikt. "En we zijn lastig gevallen door een paar jongens in een bootje!"

Ik zie, dat de kinderen bang zijn.

"Gij zijt nou aon de beurt om taxiboot te speule," hoor ik Peter achter me zeggen. "Eigelijk is ut onverantwôrd om die meiskes met dees weer en zo laot nog ut bos in te sture."

Hij heeft gelijk. Waarschijnlijk zal hun tocht niet door het water bedoeld zijn, maar doordat ze op de vlucht sloegen voor die jongens, zullen ze van het pad zijn afgeweken.

"Stap mar in, dan breng ik jullie wel effe." Ik loop naar mijn bijboot en help de kinderen in te stappen. Het is maar vijf minuten varen naar het bruggetje van Sint Jan, maar te voet kun je daar onmogelijk komen vanuit de plaats waar wij liggen.

 

Even later laat ik de boot tegen de wal naast het bruggetje glijden en de meisjes stappen uit. Op dat moment komen enkele ouderen, waarschijnlijk hun leiders, aanlopen. 

"Jullie zijn in overtreding," moppert de een tegen de kinderen, "en u had ze verdorie niet met de boot moeten brengen," wendt hij zich tot mij.

"Meneer," probeer ik ertussen te komen, maar die man gaat kwaad verder.

"We hebben hier een wedstrijd en die hebt u helemaal verstoord!"

Er volgt nog wat getier, terwijl mijn bloed begint te koken.

"Ge mot us goed luistere," verbreek ik zijn tirade, "Die meide komme nat en angstig bij oos aon. Ze zèn gevlucht vur un paor lastige jongus, zèn dan vermoedelijk  unne sloot overgestôke. Te voet konde ze hier nimmer kome. En gij zegt, da'k ze nie moes brenge? Wie stuurt er mèskes van tien dun Biesbosch in bij naacht? Gullie mot oew eige us nao laote kijke!"

Ik start de motor en vaar zonder om te kijken terug naar ons Rietje.

"De wereld is niet eerlijk," stel ik in mezelf vast, "de een speelt taxiboot en beurt vijftig gulden, de ander doet hetzelfde, maar krijgt op zijn donder."

Ik heb er met Peter en de Rietjes, die er natuurlijk hartelijk om moesten lachen, toch maar een lekker pintje op gepakt.

Copyright  Henk M. van Oosterwijk

Een emmer zweet

Bij de reacties van mijn vorige verhaal ‘Onmacht’ kom ik ene Richard tegen, die me plotseling doet herinneren aan een zweterig voorval. Ik heb dikwijls mensen zien transpireren. Bij zware arbeid, bij te hoge temperatuur in een feestzaal of – zoals vorige week - bij tropische temperaturen.

Zelf kan ik er ook wat van; als ik vorige week maar een balpen verlegde, stroomde het water vanaf mijn achterhoofd de nek in.

U weet, dat ik altijd waargebeurde verhalen schrijf, zoals ikzelf ze herinner. Nou deze geschiedenis overtreft alle zweettaferelen, die je ooit hebt gekend. Luister.

 

Het is in de jaren 80 van de twintigste eeuw.

Voor ik afzwaai als kastelein, heb ik nog een formidabel idee: een kasteleins driebanden biljarttoernooi organiseren onder de Rijense horecaondernemers!

Hoe verzin je het, niewaar.

Café en restauranthouders naar een etablissement lokken om daar vier doordeweekse dagen een onderlinge strijd op het groene laken uit te vechten. Dat moet een feest zijn!

En dat wordt het ook.

Via loting komt het eerste toernooi bij café-restaurant 't Hoekske terecht, momenteel zeer bekend als 't Vermaeck. Jantje Janssen runt samen met zijn vrouw Toos in die tijd de zaak naast de ingang van vliegveld Gilze-Rijen.

Acht kasteleins schrijven in voor dit driebandentoernooi. Ik hoop de juiste namen te noemen, want het archief heb ik indertijd aan anderen overgedragen. 

Volgens mij spelen mee: Louis Nooten van Hotel Nooten, Richard Dreijer van Restaurant Oase, Gerrit Wouters van 't Stationskoffiehuis, Nolleke Vromans van Plankenwammes, Kees Bink van De Drie Linden, Jan van Galen van bar ’t Pulleke (kan ook nog Ton Bierman geweest zijn, toen heette het de Ricardo Bar en na ’t Pulleke werd het ’t Hangijzerke van Helmus Theeuwes. Dit even terzijde.). Verder  Jantje Jansen natuurlijk, en ikzelf van 't Halve Maantje (nu bekend als Spijs en IJs).

Het wordt een grandioos succes en een groot feest, want elke kastelein brengt zijn eigen publiek mee. En leer kasteleins feesten, hè.

Vraag me niet, wie die eerste kampioenstitel gewonnen heeft, want dat kan ik me niet meer herinneren.

Het staat vast, dat dit succes tot een vervolg zal leiden. Het tweede jaar, ik denk bij Hotel Nooten gehouden, schrijven al meer ondernemers zich in en ook horeca uit Gilze meldt zich latere jaren aan.

 

Dan komt het jaar, dat dit biljartcircus in De Drie Linden te Molenschot neerdaalt. Uitbater hiervan is Kees Bink, alom bekend in deze streken. Bij een voorbespreking van dit biljarttoernooi zitten we ’s middags in zijn zaak te vergaderen.

“Een moment,” zegt Kees plots rond kwart voor vier. Hij staat op, loopt naar de bar, pakt een zak snoep en gaat daarmee naar zijn entreedeur. We zien een aantal schoolkinderen buiten staan, die onderweg zijn van school naar huis. Kees deelt snoepjes uit aan hen. Dan sluit hij de deur weer, bergt zijn snoepzak op en zegt tegen ons: “Over tien jaor zèn da allemaol klaante hier!”

Zo zit Kees in elkaar: in de toekomst kijken!

Over hem kun je een boek schrijven. Een serie, denk ik.

 

Omdat er zoveel deelnemers aan het toernooi zijn, laten we een tweede biljart bijplaatsen en ook hier wordt het toernooi met groot succes afgewerkt.

Nu hebt u zijn naam al gelezen: Richard Dreijer. Hij doet vanaf het eerste jaar mee, kan geen hout van biljarten, maar is een kei in goochelen. Tussen het biljarten door vermaakt ie de deelnemers en bezoekers met zijn vingervlugge trucs. Dit jaar gaat hij echter iets speciaals doen: Kees Bink in tweeën zagen! En Kees heeft zijn medewerking beloofd.

 

Na de prijsuitreiking op de slotavond zal de act plaatsvinden.

Met enkele helpers wordt de kist, waarin Kees moet plaatsnemen, naast de biljarttafels opgesteld en de zaag klaar gelegd. Kees krijgt het er al een beetje warm van, maar dat kan ook veroorzaakt zijn door enkele jonge jenevertjes. Met toch vrolijke tegenzin en een hoop geouwehoer stapt Kees in de kist. Bereidwillige handen maken zijn stropdas wat ruimer, zodat onze durfal wat meer lucht kan krijgen. 

Dan gaat de klep van de kist dicht en worden de sloten vergrendeld. Aan het ene eind van de kist steken voeten naar buiten, aan de andere kant het rode hoofd van de kastelein.

Dan verschijnt Ricardo, Richard dus, met een kettingzaag in zijn hand. Hij start het apparaat, dat wordt aangedreven door een benzinemotortje. De lawaai makende, knetterende zaag houdt hij schuin omhoog en geeft enkele keren een stoot vol gas.

Even vraag ik me af, of het slachtoffer in de kist wel een sterk hart heeft en kijk naar het uit het kop-eind stekende hoofd. Het is roder dan vuurrood en het zweet gutst van het gezicht af. ‘t Is net, of er een kraan open staat, zo transpireert de man. De zweetdruppels vormen een ware waterstraal en vormen een plas op de cafévloer.

Ik heb nog nooit iemand zo zien zweten!

 

Kees kijkt met grote ogen naar de kettingzaag en roept: “Da haaije we nie afgesproke!”

Richard laat het gelukkig niet lang duren, schakelt de kettingzaag uit, stelt Kees gerust en begint met de handzaag de werkelijke show en de kist in tweeën te zagen. U hebt de truc waarschijnlijk wel ergens gezien. Twee helften van elkaar af, weer tegen elkaar aan, sloten los en klep open.

En daar komt Kees omhoog, geheel ongeschonden maar wel zeiknat. Zijn witte overhemd kan als een dweil uitgewrongen worden. Volgens mij is hij in deze paar minuten wel een kilo of vijf afgevallen door vochtverlies!

Maar de truc en het toernooi zijn een succes en over de kettingzaag wordt nu - vijfendertig jaar later - nog steeds gelachen.

 

© Henk M. van Oosterwijk

Onmacht

Je hebt kanker.

Je wil dan natuurlijk zo snel mogelijk geholpen worden, maar de praktijk is toch anders. Als ik op 5 juli te horen krijg, dat ik agressieve prostaatkanker heb, ga ik er van uit, dat de ziekte half september uit mijn lichaam verdreven zal zijn. Niets is minder waar en nieuwe afspraken maken met Instituut Verbeeten en ziekenhuis zijn alleen maar tegenvallers voor mij, die wel geestelijk verwerkt moeten worden. Ik ben ook maar een mens.

 

Op donderdag 19 juli zit ik in het Tilburgse Verbeeten Instituut tegenover een vrouwelijke radioloog-oncoloog. Ik ga deze middag met deze dokter de behandelingen doornemen, die het artsen-team voor mij heeft uitgekozen.

"We beginnen met bicalutamide tabletten, een per dag en in totaal dertig dagen lang. Een week na de eerste pil krijg je een hormooninjectie. Deze kuur gaat de groei van de kankercellen in de prostaat afremmen."

Ik knik begrijpend. "Zijn er ook bijwerkingen?"

De dokter knikt bevestigend: “Je kunt onder andere opvliegers krijgen en humeurig worden."

“Typisch vrouwelijke kenmerken," zeg ik glimlachend en kijk de dokter aan. "Krijg ik ook de drang om een jurkje te gaan kopen?"

De arts schiet in de lach en als ze weer wat op adem is gekomen, antwoord ze: "Die bijwerking heb ik nog niet meegemaakt. Maar wel libidoverlies hoort erbij." 

Lachend maakt ze notities.

"Sorry voor de grap in deze situatie, maar ik moet mijn humor niet verliezen. Dat houdt me optimistisch." Ik maak met mijn hand een verontschuldigend gebaar.

"Is goed." Glimlachend kijkt ze op van haar notitieblok en vervolgt: "Dan ga ik een afspraak maken om goudmarkers in de prostaat te laten plaatsen."

"Word ik weer een beetje meer waard," grap ik tussen door. Opnieuw verschijnt er een glimlach op het gezicht van de dokter, maar ze gaat verder met de uitleg.

"Daarna, tenminste een week later, omdat de gemaakte wondjes bij deze ingreep eerst moeten genezen, maken we een MRI- en CT-scan en brengen we een tattoo aan. Dit allemaal om de precieze plaats voor de bestraling te bepalen, zodat we geen andere organen raken, maar alleen de kankercellen vernietigen. En dan beginnen de bestralingen, zeven weken lang elke werkdag. In totaal dus vijfendertig keer. Intussen geven we je elke drie maanden een hormooninjectie. Dit blijven we ongeveer drie jaar doen."

Ik heb het hele verhaal – ondanks de grappen tussendoor – aandachtig aangehoord. Zelf had ik een andere planning in mijn hoofd. Snel beginnen met de bestraling, intussen wat pillen slikken en begin september is Henkie klaar met de bestralingen. Genezen, kanker weg.

Maar nu komt er toch minstens een maandje bij, besef ik.

"Het kan natuurlijk altijd zo zijn, dat we de behandelingen aan de situatie moeten aanpassen,” gaat ze door. “Hoe reageer je op de pillen, injecties en de bestraling? We moeten dat afwachten.”

Ze legt haar pen neer.

Alles duidelijk? Zijn er nog vragen?" De oncoloog kijkt me vriendelijk aan. Ze scheurt haar notities van de blocnote en schuift die over tafel naar mij toe. “Goed, dat ze alles voor me heeft opgeschren, want ik zit hier alleen. Er valt een stilte, want ik laat nu alles eens goed bij me binnenkomen.

"Denk maar even na. Ik ga intussen een paar zaken voor je regelen.” De dokter loopt het kantoor uit, terwijl ik de notities ga bestuderen.

Doktersschrift, bijna onleesbaar.

 

Even later is ze weer terug. "Nog vragen?"

"Ja," begin ik weifelend. "Ik heb uw schrift een beetje proberen te ontcijferen."

De arts glimlacht.

"Met wat ik onthouden heb, ben ik eruit gekomen," ga ik verder. "Ik euh...”

Ik probeer de data van de afgelopen maanden naar boven te halen en ga verder: "In februari heb ik controle gehad bij de uroloog en is alles goed bevonden. De PSA-waarde in mijn bloed was twee jaar terug 17,0 en toen gezakt naar 1,5. Prima dus. Op 23 mei wordt er voor alle zekerheid wat weefsel uit de prostaat gehaald en is de conclusie: agressieve kanker. Drie maanden later! Na een botscan en pas op zesentwintig juni een PET-PSMA-scan krijg ik op 5 juli de mededeling, dat er geen uitzaaiingen zijn. Mooi dus, maar we zijn wel weer een maand verder."

Ik haal even rustig adem en kijk de dokter recht in de ogen.

"Wie garandeert me, nu twee maanden na de vaststelling van de kanker en bijna een maand na de constatering dat er geen uitzaaiingen zijn, dat er nu die nu nog niet zijn?"

De arts gaat meteen hierop in.

"In uw geval zullen uitzaaiingen langzaam komen. Bovendien beginnen we overmorgen meteen met de tabletten, die al remmend werken. Honderd procent garantie kunnen we als arts nooit geven, maar we verwachten geen problemen."

"Oké," ik ben een beetje gerustgesteld. Een beetje.

Met toch nog gemengde gevoelens loop ik naar het secretariaat van de arts.

"Meneer van Oosterhout?"

De secretaresse kijkt me aan.

"Nee," antwoord ik, "van Oosterwijk, maar dat scheelt maar dertig kilometer!" Het is een grapje, dat ik bij dit soort vraag altijd erin gooi.

De secretaresse glimlacht. "Sorry, hoor." Ze kijkt in een stapel paperassen. "Ik kan nu de afspraken niet rond krijgen. Het loopt tegen het einde van de middag, maar ik bel u morgen zeker op."

Ik knik.  "Dat is prima. Tot horens."

Ik loop naar de grote entreehal, bel mijn taxi, die een half uur later voorrijdt om me naar huis te brengen. Echt gelukkig voel ik me niet.

 

Die vrijdag gaat snel voorbij. Broer Wim met zijn vrouw Lia komen op bezoek en we kijken naar de Tour de France. Er komt geen telefoon.

Rond vijf uur komt zoon Raymond binnen.

"Waarom neem je de telefoon niet op, pa? Ik heb wel vijf keer gebeld!"

Ik kijk verrast op. Vijf keer gebeld? Hoe kan dat? Ik heb niets gehoord, terwijl mijn mobieltje voor me op de salontafel ligt. Ik pak de telefoon van tafel. Verdorie, ik heb gisteren het geluid uitgeschakeld. Op het schermpje zie ik, dat het Verbeeten Instituut driemaal gebeld heeft. Ik kijk op de klok. Tien over vijf, te laat om terug te bellen.

Morgen dan maar.

 

Op zaterdagmorgen bel ik het instituut, maar dat is in het weekend gesloten. Dan valt er die middag een enveloppe op de deurmat. Ik open de brief en lees met een opnieuw onrustig gevoel de vermelde afspraken door. Op 29 augustus zullen de goudmarkers geplaatst worden, lees ik, en op 24 september volgen dan de scans. De bestraling zal in Breda plaatsvinden en is nog niet ingepland. Na een kort rekensommetje bedenk ik, dat ik met de bestralingen pas eind november, begin december klaar zal zijn. In een boze reactie smijt ik de enveloppe, brieven en bijgesloten folders door de woonkamer. Dit kan toch niet! En uitzaaiingen? Wat gebeurt daarmee in de komende maanden? Is dit wel in de hand te houden?

Moedeloos raap ik de papieren weer bij elkaar.

 

De onmacht in dit hele gebeuren sloopt me.

Niet lichamelijk, want opvliegers en humeurigheid zijn me tot nu toe bespaard gebleven. Gelukkig bij deze temperatuur van vijfendertig graden!

Maar geestelijk ben ik neergehaald. Gevloerd.

Mijn planning van begin juli, dat ik eind september klaar zal zijn met de bestralingen, valt helemaal in het water.

Een heel weekend loop ik rond met allerlei gedachten en twijfels.

Op maandag bel ik naar het Verbeeten Instituut, maar dat verandert niets aan de situatie.

“De doctoren weten wel, waar ze mee bezig zijn,” krijg ik te horen. “En de scans kunnen niet eerder ingepland worden.”

Het stelt me niet gerust en ik bel de huisarts.

De dood, daar ben ik niet bang voor. Maar de familie. De gedachte aan kleinkinderen en kinderen geven me kracht.

Daarbij moet ik niet zo dramatisch doen, want vijfennegentig procent van mannen met prostaatkanker wordt genezen verklaard.

“En bovendien,” vertelt mijn huisarts me, “zijn er oude mannen aan allerlei kwaaltjes gestorven, die - na sectie - ook nog prostaatkanker bleken te hebben.”

Dus waarom maak ik me druk?

 

Intussen ben ik al meer dan een week met mijn pillen kuur bezig, waardoor de groei van de kankercellen geremd wordt, en heb ik afgelopen vrijdag (27 juli) de eerste hormooninjectie gehad.

Wat kan me gebeuren?

Eind december zit ik aan het Kerstdiner weer gulzig een groot stuk kalkoen weg te werken met een lekker glaasje wijn in de hand.

Genezen verklaard.

© Henk M. van Oosterwijk