Advertentie:

(Klik op de advertentie.)
* * * * * * * * * * * * * * * * * * Henk van Oosterwijk schreef vier boeken. Klik op de boeken voor meer informatie. .

Blote meid

Het is ongeveer veertig jaar geleden.

In 1976 om precies te zijn. Riet en ik zijn aan een nieuw avontuur begonnen: het runnen van café ’t Halve Maantje aan de Dongenseweg in Rijen. Het centrum van Brabant.

Op Goede Vrijdag, voor Pasen dus, lig ik ’s morgens op de grond in het café naast het biljart te rollen van de pijn.

“Niersteenaanval,” kreun ik tegen mijn vrouw.

“Ik ga de dokter bellen,” antwoordt Riet en wil naar de telefooncel lopen.

“Nee, wacht,” reageer ik klagend, “we staan voor een druk weekeind. Laten we even afwachten. Misschien gaat het over.”

In 1970 had ik al een niersteenoperatie ondergaan, uitgevoerd door dokter Wierdak, een Poolse uroloog die zijn ervaring opdeed in de veldhospitalen tijdens de Tweede Wereldoorlog! Ik herinner me zijn onderzoek maar al te goed. Via een slangetje door mijn piemel naar de blaas bekeek hij mij van binnen en trok daarna in één ruk dat slangetje er weer uit. Er bleef geen piemel over!

“Niks wachten,” antwoordt Riet resoluut, ”ik ga bellen! Het werk hier los ik wel op!”

 

Een half uur later zit ik in de auto naast Riet, die me in het Ignatiusziekenhuis te Breda afzet. Na wat onderzoeken blijkt er inderdaad een steentje in de urineleider te zitten. Ik word naar de ziekenzaal gebracht om daar onder toezicht medicatie te ondergaan.

Wie ligt daar op die ziekenzaal? Christ Witlox!

Christ, de expediteur en grondverzetter uit Rijen, en stamgast van café ’t Halve Maantje. Hij is een dag voor mij hier binnengebracht met dezelfde pijnklachten en een niersteen, zoals ik.

We krijgen allebei medicatie, tegen de pijn en om de urinewegen te verweiden. U zult het niet geloven: tevens ontvangen we twee flesjes bier de man om het plassen te stimuleren.

In welk ziekenhuis krijg je bier?

Nou, in het St. Ignatius ziekenhuis te Breda!

Van dokter Mulder, die uroloog Wierdak is opgevolgd.

En het helpt!

Die middag vangt Christ zijn niersteen netjes op in een potje; en ’s avonds klettert mijn steentje, voor ik er erg in heb, tijdens het plassen in de wc-pot. Ik kan hem helaas niet meer terugvinden, maar overtuig het zustertje ervan, dat ik de steen werkelijk kwijt ben.

Je voelt het! Je bent opgelucht. Je plast weer gewoon. Nou gewoon, wel met een beetje pijn en wat bloed. Maar je steen is eruit!

 

We mogen echter het ziekenhuis nog niet verlaten. Zo makkelijk gaat dat niet in 1976!

Zo zitten we op zaterdagochtend, in afwachting van ons ontslag, een potje te kaarten. Christ, nog een nierpatiënt, ik en een oud pastoortje. Een katholiek heertje van drieëntachtig jaar, die ook graag en fanatiek een kaartje legt. Zo hartstochtelijk, dat we weinig kunnen winnen en dan slaat al snel de verveling toe, niewaar?

Ook bij Christ, die me knipogend aankijkt en dan plotseling omhoog springt. Met zijn rechterarm wijst hij naar het raam en roept: “Daor, un blote meid!”

Het oude pastoorke veert overeind, spoed zich naar het raam al roepend: “Waor?”Waor?”

“Daor op dè balkon,” antwoordt Christ, die moeite heeft zijn lach in te houden. Heel de zaal (we liggen er met acht man) schiet in de lach, terwijl het pastoorke door het raam staat te turen. Dan draait het manneke zich om.

“’k Zie wel un vrouw, die zit te zonnen. Mar die heej heur klere gewoon aon!”

Schijnbaar teleurgesteld loopt hij terug naar de kaarttafel en verdiept zich weer in zijn kaarten.

Het schaterlachen van zijn zaalgenoten hoort hij schijnbaar niet, want hij vraagt ongestoord:

“Wa was er ok wir troef?”

 

© Henk M. van Oosterwijk

Henk 's Leeshoek

Zie ook: www.facebook.com/Henksleeshoek 

Reacties naar: hDit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.   

 

Op deze pagina waargebeurde verhalen, gedichten en commentaren, geschreven door Henk M. van Oosterwijk, in de data volgorde:

Mijn nieuwste boek: Stamgasten van café D'n Ever

08-11-2017:  Blote meid

27-10-2017:  Hoera! Ik heb prijs!

16-10-2017:  Varkens verdwijnen uit dorpen

27-09-2017:  Ze is dood

07-09-2017:  Gebraden haan

02-08-2017:  CAROLIEN

01-07-2017:  Nieuw boek: Stamgasten van café D'n Ever

29-06-2017:  Denken aan Turken

10-06-2017:  Alleen

20-05-2017:  Rozen en doornen

07-05-2017:  Vader ?

03-05-2017:  Frans

22-04-2017:  Strakke Jassen

19-04-2017:  Klaar maken achter de schuur

17-04-2017:  Ongepaste lol

11-04-2017:  Rijens Accordeontreffen

07-04-2017: De accordeon

21-03-2017:  Pasen en eieren

17-02-2017:  Akropolis

15-02-2017:  De Tent van Willem I

14-02-2017: Kortingen op pensioen (commentaar)

12-02-2017:  Een baard

10-12-2016:  Mijn tasdrager

 

Hoera! Ik heb prijs!

Ik heb eindelijk eens prijs. In de Vriendenloterij. Twee kaartjes voor een nieuwjaarsconcert in Carré.

“Hoera, eindelijk,” juich ik. Want het komt niet elke week voor, dat je zo verrast wordt. Niet elke maand, niet elk jaar zelfs. Dus ik blij, zeer blij met mijn prijs

.

Totdat de vreugde een beetje gezakt is en ik weer nuchter kan denken.

Negentig minuten naar Ilse DeLange, Nick en Simon, Maan en vele anderen luisteren, juist. Daarvoor moet ik minstens 180 minuten in de auto zitten. Drie uren in het verkeer! Ook zal er dan vlak bij Carré een parkeerplaats moeten zijn. Zo niet, komt er nog tweemaal een half uur lopen bij. Dan ben ik intussen vier uur onderweg voor anderhalf uur muziek!

En het is een prijs, hè.

En die moet eigenlijk niks kosten. Daar moet je gratis van kunnen genieten.

 

Toch maar even rekenen.

Het lot heeft me 13 euro gekost.

Dan moet ik – totaal op en neer – ruim tweehonderd kilometer autorijden tegen 25 cent per kilometer. Dat is in totaal 50 euro autokosten.

Een consumptie voor, tijdens en na de voorstelling, want je behoort toch niet om te komen van de dorst. Een stuk of vier drankjes per man; dat zijn er dus acht à raison van vier euro gemiddeld (ja, je zit in Carré, hè). Totaal aan drankjes geschat op 32 eurootjes.

Dan houd ik de drank maar minimaal, omdat ik terug moet rijden.

 

Tenslotte nog even ergens eten, want vijf en een half uur onderweg zijn geeft toch een hongerig gevoel. Bij mij in ieder geval wel. Laten we die kosten op 100 euro zetten, het kan wat meer of minder zijn afhankelijk van de lokaliteit, die je kiest. Anderhalf uurtje eten betekent, dat je zeven uur onderweg bent voor die anderhalf uur gratis muziek.

 

Voordat je thuis aankomt, ben je een kleine 200 euro lichter in je portemonnee!

En ik hou helemaal niet van Nick en Simon!

Heb ik ook eens wat gewonnen!

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Varkens verdwijnen uit dorpen

"De varkens verdwijnen uit de dorpen", weet Nicole Roeland in BN De Stem van 7 oktober 2017 te vertellen.

Zij bedoelt natuurlijk de kleine beroepsvarkensstallen, terwijl mijn gedachten eigenlijk afdwaalden naar mijn jeugd, de jaren na WO II. In die tijd zat ons dorp vol varkens. Dan bedoel ik echte varkens, geen mensen, begrijp je!

 

Bijna iedereen op de Rijen had wel één of twee 'kuusen' in de schuur. Niet voor de lol, maar voor de consumptie.

In 1951 betrokken wij ons gloednieuwe huis in de Laagstraat. Traditioneel gebouwd met kelder, toilet zonder watercloset, slechts één watertappunt: boven de gootsteen, en een schuurtje voor fietsen, tuingerij en ....... twee varkens.

Geen badkamer (Wassen deden we ons in een zinken teil), maar wel standaard een varkenskot in de berging opgenomen; met trog en laag buitendeurtje, dat leidde naar en buitenverblijfje.

Het was noodzaak in die tijd.

 

Mijn vader kocht elk jaar in oktober tijdens de jaarmarkt met de Rijense kermis twee biggen, die hij in een kist achter op de fiets naar huis transporteerde. De beestjes kregen voldoende stro en op woensdagmiddag werd het mijn taak het kot uit te mesten. Aardappelschillen, groenteafval en oud brood werden vermengd met meel van molenaar Theeuwes uit de Mareike straat en karnemelk en daarmee voedden wij de varkens. Een klein jaar later, als er genoeg kilootjes spek aan de diertjes zat, kwam de slager aan huis.

Jammer voor de vegetariërs en dierenvrienden, maar dan volgde er een feestdag voor ons. Eén varken werd verkocht aan en meegenomen door de slager, het andere stierf een zachte dood op ons erf. Een schot in de hersenen en een juiste messteek door de keel doodde het dier, waarvan het bloed werd opgevangen om bloedworst te maken, natuurlijk gemengd met spek. Even later hing het varken buiten ondersteboven aan een ladder, de leer die normaal gebruikt werd om op het zolderke boven de keuken te komen. De slager deed zijn werk en het varken werd in de juiste delen gesneden, waarvan veel in een gemetselde pekelkuip in de kelder terecht kwam. De hammen gingen met de slager mee en deze hing deze op in zijn schouw om ze te roken. Daarna kwamen de gerookte hammen weer naar ons toe.

 

Thuis rolden we de kokosmatten uit de keuken en deze ruimte veranderde in een vlees en worst fabriek. Hier draaiden we gehakt en worst en maakten we lekkere zult. Ouderwetse zult, die je nog kon smelten in de pan! Ook kaoikes*) werden er gekookt en de eerdergenoemde bloedworst bereid.

Als kind vonden we het worstmachientje, dat met de hand gedraaid moest worden, het interessants, maar dat mocht alleen onder toezicht, want moeder was bang, dat onze vingertjes ook in de gehaktmolen terecht kwamen!

 

Zo bereidden we ons voor op de winter om niet van de honger om te komen (een beetje overdreven). Vlees en spek was er dus voldoende, de slager werd alleen bezocht om beleg voor op de boterham te kopen.

 

Half de zestiger jaren verdwenen veel varkens uit ons dorp; alleen de boeren hielden ze nog aan. Het waren wel de ‘gemengd bedrijven’, waar de boer naast een tiental koeien ook kippen en varkens had. En een paard natuurlijk om de kar te trekken. Daarna kwamen de gespecialiseerde varkensbedrijven die uitgroeiden tot megastallen.

 

Maar onze varkens, Nicole van De Stem, verdwenen dus al in de zestiger jaren van de vorige eeuw uit ons dorp!

© Henk M. van Oosterwijk

 

*) kaoikes = kaantjes. Knapperig gebakken zouten spekstukjes.

 

Ze is dood

Ze is dood.

Mijn vrouw, Riet, is overleden.

Geveld door een vervelende ziekte, waardoor velen rondom ons reeds zijn gevallen of ertegen strijden.

Maar waarom zij?

Ze heeft zich uit een moeilijke jeugd omhoog geworsteld. Omhoog gevochten.

Jonge jaren, waarin ze van gezin naar nonnenklooster werd gebracht, van pleeggezin door gestuurd naar internaat, annex huishoudschool, annex bejaardentehuis. Kinderarbeid was onbekend in Nederland, doch hier lieten kloosterzusters hun interne schoolkinderen werken in het ouderenoord onder het mom van scholing en levenslessen.

Zestien jaar oud liet ze de kloosterlingen achter zich en verdiende ze als intern dienstmeisje de kost.

Tenminste: kost en inwoning kreeg ze tegen zes à zeven dagen werk met een zakgeldje erbij van vijf gulden in de week. Een pakje sigaretten en een paar nylonkousen kon ze ervoor aanschaffen.

Maar buiten de vele werkuren was ze eigen baas en kon ze een toekomst opbouwen.

Ze leerde mij kennen, zestien jaar waren we.

Ik was op slag verliefd; zij stond met enige twijfel in het leven en liet mij voorzichtig toe in haar bestaan.

Acht jaren verkering en vijftig jaren huwelijk brachten ons geluk, hoogtepunten maar ook dieptepunten. Toch konden we enkele weken terug tegen elkaar zeggen: we hebben een mooi leven samen gehad!

Nu is ze weg, met een laatste diepe zucht vertrokken. Naar wat?

Mijn vrouw, mijn vriendin, mijn levensmaatje is, een jaar lang gekweld door kanker, verdwenen uit mijn leven. Fysiek, want in mijn geest zal ze altijd voortleven, zal ze altijd bij me zijn, zal ik altijd met haar praten.

Toch voel ik mij alleen, ondanks de liefde en zorg van onze kinderen en kleinkinderen. Eenzaam omdat mijn levensvriendin na achtenvijftig jaren het aardse leven heeft verwisseld voor het eeuwige.

We hebben nog veertien jaar van mijn pensioentijd kunnen genieten. Maar ze was nog jong, te jong om te sterven. Vierenzeventig jaar! We hadden nog zo veel samen kunnen doen!

Maar ze is dood, overleden. Ondanks haar strijd en kracht verslagen door die genadeloze ziekte.

Ik zal verder moeten, zonder haar ……………………….

 

27 september 2017,  Henk M. van Oosterwijk

Voorpagina weekkrant Het Kanton meldt:

Stamgasten van café D'n Ever

Een lezer uit Brabant schreef:

Leuk gezellig lezend boek, humoristisch geschreven zoals we van Henk M. Van Oosterwijk gewend zijn in zijn andere boeken. Verhalen uit het leven gegrepen die een ieder zou kunnen beleven of meemaken.

Kon het boek met moeite wegleggen, zou het liefst het boek in een keer hebben uitgelezen.

 

“Stamgasten van café D’n Ever”.

 

Op de achter-cover staat:

 

Stamgasten van café D’n Ever

 

Gerrit van der Laar is vrijgezel en gebruikt het café D’n Ever als zijn huiskamer. Zijn vrienden zullen hem nooit thuis opzoeken, want als het werk gedaan is en het eten naar binnen gewerkt, fietst Gerrit naar D’n Ever om een praatje te kunnen maken en een pilske te pakken. Hij ontmoet in zijn stamkroeg vele gasten, die allemaal een eigen verhaal hebben. Het café kan zo maar in uw straat staan.

Café D’n Ever, met kastelein Bertus Evermans, is het middelpunt van dit verhaal, waarin de hoofdrolspelers en figuranten elkaar in en buiten het horecalokaal ontmoeten in een dorp, waar iedereen alleman kent. Emoties spelen een grote rol, waarin de lach voorop staat, maar de traan niet ontbreekt. Een gewoon verhaal over een doodgewoon café met alledaagse stamgasten, zo maar uit het leven gegrepen. 

Een boek voor iedereen in gemakkelijk leesbare taal.                    Prijs € 14,95

 

 

 De voor-cover

Klik hier voor meer info

 

 

Gebraden haan

Ook in de ‘Witte Brood Weken’ kunnen er woordenwisselingen tussen echtelieden zijn.

Voor deze gebeurtenis is dat verkeerd uitgedrukt, want na de door ons gemaakte misvattingen volgden er twee dagen van radiostilte.

Hoor mijn verhaal aan.

 

Het is ruim vijftig jaar geleden. Twee weken daarvoor waren we in het huwelijksbootje gestapt, Riet en ik. Riet had een volle baan bij behangselpapierfabriek Cohen en ik vulde mijn wekelijkse dag in bij Gebroeders Kin NV.

Op een dinsdagavond stapte ik achter langs de keuken binnen en had mijn vrouwtje het warme eten al klaar. Ik moet zeggen, dat ze mijn hele leven al allerlei lekkers voorgeschoteld heeft. Koken dat kan ze, zonder twijfel!

 

Ik schuif aan, aan de keukentafel, en we beginnen met een heerlijke groentesoep. Daarna zet ze een pan gekookte aardappelen, een pannetje snijbonen en een schaal appelmoes op tafel. Zelf schept ze een medium gebakken biefstuk op haar bord en begint te eten. Ze houdt van een mals bieflapje en weet, dat ik daar niet zo dol op ben. Meestal zorgt ze dan voor ander vlees voor mij.

Ik kijk de tafel rond.

Geen vlees? Alleen aardappelen, groente en appelmoes? Zonder iets te zeggen of te vragen schep ik wat gekookte piepers op met boontjes, werk ze naar binnen, loop naar de bijkeuken om mijn voetbaltas te pakken en verdwijn naar sportpark De Vijf Eiken om te trainen. Fietsend denk ik nog: ”Wat zijn dat voor streken? Zij een biefstuk en ik appelmoes! Kom op nou, zeg!

 

Gewoontegetrouw pak ik na de training in de RAC-kantine nog enkele koude biertjes met mijn voetbalmaten en tegen middernacht fiets ik naar huis. Met alcohol in mijn maag krijg ik toch wel wat honger en thuis aangekomen duik ik de kelder in op zoek naar voedsel. Riet slaapt al, terwijl ik een gevonden biefstuk lekker in de pan laat sudderen en daarna smaakvol naar binnen laat glijden.

De honger is weg.

 

De dag hierna kom ik ’s avonds thuis en vind een woedende echtgenote in de keuken.

“Heb jij mijn bieflap opgegeten?”

Vragend kijkt ze me met een vernietigend blik aan, al wetend wat het antwoord zal zijn.

“Ja, gisteravond,” geef ik stug antwoord. “Je had voor mij gisteren toch geen vlees; ik moest het met die appelmoes doen!”

“Appelmoes?” snauwt ze terug. “Appelmoes? Je had eens onder die moes moeten kijken. Daar zat een gebraden haantje onder!”

“Gebraden haantje?” reageer ik ongelovig, “Maar er stond gisteren niks anders in de kelder dan die bief. Ik heb geen haantje gezien!”

“Dat klopt,” antwoordt Riet venijnig, “die schaal met haan heb ik meteen in de vuilnisbak gegooid!”

Even haalt ze adem, maar gaat dan verder: “Na het werk heb ik voor jou een koteletje gekocht, omdat ik dacht, dat er voor mij nog een biefstukje zou liggen. Nou zit ik zonder vlees!”

 

Na dat laatste woordje ‘vlees’ valt er een stilte, die twee dagen zal duren. Wie het koppigste is van ons tweeën, is moeilijk te bepalen.

Wel vind ik twee dagen lang bij het warme avondeten briefjes op tafel naast de pannen en schalen. Met onder andere de teksten: “Dit is sla” en “Dit zijn aardappelen”. En ook wel: “Dit is een blinde vink”.

De derde dag na het incident hebben we de twist maar bijgelegd en in het hierop volgende weekeinde kunnen we dit stomme verhaal weer lachend tegen onze vrienden vertellen.

Zo gaat dat toch in een goed huwelijk?

 

En gebraden haan? Die heb ik lange tijd niet meer op mijn bord gekregen!

 

© Henk M. van Oosterwijk

CAROLIEN

Carolien is een rare.

Ze scharrelt altijd maar rond het huis op zoek naar lekkere dingen. En dat met een zwierige flair en zichzelf breed makend als een trotse pauw, loopt ze namelijk achteruit. Achterwaarts dus. Bij haar geboorte hebben ze waarschijnlijk de versnellingsbak achterste voren gemonteerd, waarbij de ‘vooruit’ is uitgeschakeld.

Behoedzaam met kleine stappen, met haar blinde ogen achterom gericht (ze ziet namelijk zeer slecht), trippelt ze achterwaarts of het de gewoonste zaak van de wereld is. Als er wat op te rapen valt, doet ze dat met een snelle, bijna onnavolgbare beweging, ondanks haar blindheid. Alsof ze sensoren ingebouwd heeft, die nauwkeurig aangeven waar wat te halen valt.

 

Is er niets te beleven rondom huis, gaat ze af en toe eens op onze pony ‘Moortje’ zitten. Het paardje staat dat vriendelijk toe en graast zelf onverstoorbaar verder.

Carolien ‘kijkt’ dan als een heerseres in de lucht en laat daarna haar ‘blik’ (lees sensoren) neerdalen op de rondwandelende geit ‘Miesje’ en de letterlijk bokkige ‘Thijs’. Het geitenpaar is blijkbaar erg verliefd op elkaar geworden, want Miesje loopt met een behoorlijk bolle buik rond.

Kwik, Kwek en Kwak, de drie jonge eenden (zie mijn verhaal “Zinvol gestorven”), kijken verwachtingsvol omhoog naar Carolien, in spanning afwachtend wat er nu weer gaat gebeuren. Als Carolien er is, gebeurt er wat.

Onze Duitse herder ‘Cesar’ ligt achteloos en lui het tafereeltje in de gaten te houden.

 

Plots fladdert Carolien richting Thijs, nu voorwaarts want het vliegroer zit wel in de goede richting. De bok draait echter snel zijn kop met hoorns richting zijn aanvaller, die op haar beurt met de vleugels afremt en net voor Thijs neerstrijkt. Met een korte stoot laat de bok weten nu even niet van spelletjes te houden. Hij is in een wat saggerijnige bui, omdat Miesje constant zijn liefdesdrift afstoot met een krachtige kopstoot. Kakelend rolt Carolien door het gras en krabbelt protesterend omhoog.

Carolien, onze kip, maakt zich dus maar uit de voeten. Uit de poten, bedoel ik. Achterwaarts, nu met vlugge stappen. Want dat kan ze, hard achteruit lopen!

 

Riet, mijn vrouw, heeft de kip op een goede dag gevonden in een droge sloot. Ontsnapt aan de handen van de boer, wiens vrachtwagen naar het slachthuis reed.

Riet ontfermde zich over de jonge kip en doopte haar ‘Carolien’. Ze gaf haar het juiste voedsel, waarna het diertje uitgroeide tot een reusachtig soort pluimvee. Bijna blind was het kippetje en ze had in haar zes jonge weken tussen de duizenden kuikentjes aangeleerd om achteruit te lopen.

Voor iedereen een topprestatie; voor Carolien een fluitje van een cent.

 

Carolien legde ook eieren, prompt elke dag eentje.

Maar wel reuze eieren! Dubbeldooiers! En lekker!

In het derde kwartaal van de vorige eeuw hadden wij nooit iets gehoord van het luizengif ‘fipronil’ of hormonen in veevoer. Wel geruchten. Misschien de rede, waardoor Carolien zo’n reusachtige kip werd en ons van vele eieren voorzag. Het was een mooie aanvulling van onze veestapel en Carolien leidde er een mooi leventje. Tussen Moortje, Miesje, Thijs, Kwik, Kwek en Kwak.

 

De moraal van dit verhaal?

Ook al wordt je in een overbevolkte wereld geboren, waarin je achteruit lopend je voedsel moet verdienen, dan nog kan je een reusachtige en avontuurlijke toekomst tegemoet gaan. 

© Henk M. van Oosterwijk

Denken aan Turken

We leven in 1960.

Het ‘Wirtschaftswunder’ zoals het herstel van Duitsland en haar economie heet, is ook overgeslagen op Nederland. Vijftien jaar na de Tweede Wereldoorlog zijn we hard aan het werk om – na de wederopbouw – onze handelskracht in de wereld te herstellen.

Er is werk volop.

Te veel eigenlijk voor ons Nederlanders. Daarom worden Spanjaarden, Marokkanen, Turken  en Italianen warm gemaakt om een goed weekloon in Nederland te komen verdienen.

 

Ik woon in Rijen, het lederdorp, waar de leerlooierijen, schoenen- en tassenfabrieken goed gedijen. Ook bij ons komen we arbeiders tekort.

Zo zie ik in 1960 de eerste Turken door de Laagstraat lopen. Ook in Turkije is een actie gestart voor werving van arbeidskrachten en vele mannen laten hun familie en gezinnen achter om in de Lage Landen een boterham voor hen te verdienen. Turken, niet uit de steden, maar uit dorpen en bergen, waar de werkeloosheid hoog is. Zij verspreiden zich over de Nederlandse industriegebieden en gaan werken in fabrieken, waar ze meestal de baantjes krijgen, die door de Nederlanders niet worden geambieerd.

Voor Rijen zijn dat de leerlooierijen.

Een renderend zeemlederfabriek in de Laagstraat liet enkele houten barakken (bouwketen) op haar terrein plaatsen, zette er een aantal stapelbedden, stoelen en tafels in en klaar is de huisvesting voor een behoorlijk aantal gastarbeiders.

Wat die mensen eten? Ik weet het niet, want voor ons is het fabrieksterrein verboden gebied. Wel zie is regelmatig Turken lopen met tassen vol brood. Leverancier is het buurtwinkeltje recht tegenover de Tuinstraat, die gouden tijden meemaakt.

Verder zien we onze gastarbeiders bijna niet. Ze werken volgens mijn idee zes dagen in de week en nemen alleen op zondag de tijd voor een wandeling door het dorp.

 

Wat voor ons leuk is om te zien: het leren fietsen van die exotische mannen. Als kind van vier of vijf stappen wij al op een tweewieler, dus het is voor ons moeilijk te begrijpen, dat de grote stoere, gebruinde  en ruw uitziende kerels slingerend over straat rijden en regelmatig kennis maken met de harde klinkers!

Eens komt er een Turk onzeker op zijn rijwiel langs ons gereden. De trapper schiet plotseling los en de man moet met kunst en vliegwerk een gevaarlijk valpartij voorkomen. Hij legt zijn vehikel plat op het trottoir en probeert de trapper weer aan de krank te draaien. Niet wetend, dat het verbindingsstuk wel eens ‘links draaiende’ draad kan hebben. Het lukt hem gewoon niet de pedaal weer aan zijn fiets te schroeven. Kwaad gooit hij de trapper weg, schopt de fiets aan de kant en gaat te voet verder. Of hij zijn rijwiel ooit nog eens op heeft gehaald, weet ik niet, maar een dag later is het wel verdwenen.

 

Vele verhalen zullen er wel de ronde doen over onze Turkse gastarbeiders. We zijn nu minstens drie generaties verder en velen van hen zijn goed opgenomen in onze samenleving. Natuurlijk hebben zij zelf problemen met cultuuraanpassingen en beleven een grote evolutie. Maar ook wij, Brabanders, maken een tijd van verandering door.

Zaten onze vrouwen niet, opgetuigd met hoofddoek of hoed, in de linker vleugels van de Rooms Katholieke kerk? En verbleven de mannen, met hoed of pet in de hand, niet in het rechter gedeelte? Was voor 1960 meneer pastoor en de fabrieksdirecteur niet de baas in een dorp?

In de bloeiende tijden van de ’60- en ’70-er jaren brokkelt de Rooms Katholieke Kerk langzaam af en verdwijnt ook de macht van de bedrijven op de werknemer.

Evolueren behoort bij het menszijn.   

© Henk M. van Oosterwijk

 

Alleen

Ik zit in mijn fauteuil.

Alleen, te kijken naar een (heel) oude detective: ‘Death in Paradise’. Het is een simpele politieserie, maar dat heb ik nodig. Kijken, niet hoeven nadenken, alleen volgen.  Ik moet ontspannen.

Soms komen er komische scenes. Ik glimlach en kijk automatisch naar links om mijn kleine genot te delen. Maar de stoel is leeg.

 

Riet, mijn vrouw, is opgenomen in het Amphia ziekenhuis met haar derde (dubbele) longontsteking in een paar maanden tijd. ’s Morgens vroeg rond zeven uur met een ambulance gebracht naar het hospitaal. Misschien voor een dag of vijf, misschien ook voor langere tijd. We weten het niet.

“Ik wil nu sterker thuis komen dan de vorige keer,” vertelde ze me in het ziekenhuis. Gelijk heeft ze. Er zaten nu welgeteld tien dagen tussen het ontslag uit het ziekenhuis en weer opgenomen worden. Hier zijn we niet blij mee.

 

Pas een week geleden kregen we de heuglijke melding, dat haar longkanker stil staat. Het slaapt, werkt niet, blijft even groot. Er is zelfs een heel klein vlekje verdwenen. Blijheid en nieuwe plannen gingen door ons hoofd. Plannen om weer ‘iets’ te gaan doen. Mensen bezoeken, met de boot varen. De komende weken, de komende maanden. Het mocht (nog) niet zo zijn: opnieuw diende een longontsteking zich aan en alweer kwam ze via spoedeisende hulp op een bed van de longafdeling terecht. Ze is al jaren COPD-patiënt (longziekte), maar het lijkt er op dat de chemokuren, die ze heeft ondergaan, weliswaar de kanker een halt hebben toe geroepen, maar ook haar weerstand tegen bacteriën en virussen doen verzwakken.

We moeten afwachten, steeds maar wachten.

 

Ik zit weer met mijn volle aandacht naar het opsporingsverhaal op de teevee te kijken.

“Da kan toch nie!” is weer mijn reactie hardop en opnieuw draait mijn hoofd onbewust naar links.

De stoel is natuurlijk leeg, Riet ligt tien kilometer hier vandaan te rusten.

Het is eigenlijk niet leuk, alleen teevee kijken. Ik kan mijn emoties en gedachten niet delen. De lach of het ongeloof, de vermoedens of conclusies; niemand is er om mij aan te horen en reactie te geven. Het is niet fijn op deze manier een tv-serie te volgen.

 

Ik doe niet zielig, maar ik begrijp nu de eenzaamheid van mensen beter dan ooit. Ik snap dat vele alleenstaanden, oud of jong, hun isolement beleven als een machteloos feit. Het overkomt je; je leeft er mee, je doet er niets aan.

Je kunt een weg zoeken om uit de eenzaamheid te ontsnappen. Zoek die en ga iets doen!

Gelukkig houd ik me vast aan de geneeskunde en heb ik nog perspectief: mijn Riet zal terug keren in haar stoel.

En dan gaan we dingen doen, plannen maken, samen teevee kijken. Plezier in het leven hebben en delen!

 

© Henk M. van Oosterwijk

Rozen en doornen

Het levenspad is, voor de een minder, voor de ander meer,  versierd met rozen.

Rozen, die kleur geven aan de positieve gebeurtenissen in je bestaan. Alle tinten rozen worden heden ten dage gekweekt, waaronder:

Ø  Wit, staat voor reinheid, eenvoud en volmaaktheid.

Ø  Geel, voor energie, groei en kracht.

Ø  Rood, voor hartstocht, liefde, romantiek en warmte.

Ø  Oranje symboliseert vrolijkheid en gezelligheid.

Ø  Paars betekent waardigheid, ernst en rouw.

Ø  Blauw is onschuld en eeuwigheid.

Ø  Groen staat voor vrede, welvaart en hoop.

 

Rozen hebben ook doornen, die af en toe eens een prikje uitdelen, maar soms ook een scherpe steek veroorzaken. Een prikje doet pijn, meestal eenvoudig te verdragen. Een scherpe steek veroorzaakt groter leed, twijfel, angst en verdriet. Daar moet je ook doorheen, al is dat niet altijd gemakkelijk.

 

Mijn vrouw en ik hebben de laatste tien maanden diverse scherpe doorns in onze levenslijn gekregen. Evenals in vele families veroorzaakt het woord ‘kanker’ bij ons pijnlijke wonden, die moeilijk of niet helen.

 

Hoe zet je je leven weer op het goede spoor?

Na 73 jaar heb je een levenswijsheid vergaard, maar hier is geen direct antwoord op.

Wat ik wel geleerd heb: haal uit een negatief leven de positieve dingen!

Dit telt voor iedereen, voor elke situatie.

Ik heb de volgende vijf regels geleerd om de pijn te verwerken, om met jezelf, of zelfs ook met een ander, in het reine te komen:

1.   Verander onverschilligheid in belangstelling.

2.   Maak van uitstel een verlangen.

3.   Zet angst om in vertrouwen.

4.   Wijzig afkeuring in acceptatie.

5.   Kenter twijfel in geloof.

Denk hier over na; het kan je helpen.

En vindt het geluk.

 

© Henk M. van Oosterwijk

Vader ?

Het gebeurt op een zaterdag in het voorjaar van 1968. Zwager Ruud met zijn verloofde Clara zijn bij ons in Rijen op bezoek en zwager Frans – 17 jaar oud - woont bij ons in, zoals u zult weten van een ander verhaal.

We zitten ’s middags gezellig aan een Brabants ‘bakske koffie’, als plots het gesprek over ‘Vader Stoops’ gaat. Zowel Ruud, Frans als mijn vrouw Riet zijn enkele jaren na hun geboorte uit huis gehaald en het weeshuis ingeduwd. De twee broers hebben hun vader nooit meer gezien, terwijl Riet nog één keer bij hem aan de deur in Rotterdam heeft gestaan.

“Ik heb gehoord, dat hij veel op een camping in Oosterhout zit,” merkt Ruud op.

“In Oosterhout?” Ik kijk Ruud verrast aan. “In Oosterhout ligt een camping, ’t Haasje, waar veel Rotterdammers zijn,” zeg ik nadenkend. “Misschien is ie daar in de weekenden. Dat is maar vijf kilometer hier vandaan.”

Riet kent de camping, waar ik elk jaar met ons bedrijfsteam aan een nederlaagtoernooi mee speel tegen een voetbalteam van Rotterdamse campinggasten.

“In die kantine is het op zaterdagavond altijd gezellig,” ga ik verder. “Zullen we daar vanavond eens een pilske gaan pakken?”

Iedereen is enthousiast, maar ook gespannen door de gedachte daar vader Stoops misschien aan te treffen.

 

Met z’n vijven rijden we die avond in mijn auto vanuit Rijen over de Vijf Eikenweg naar camping ’t Haasje, dat is ingesloten tussen de Seterse bossen, het bos ‘De Duiventoren’ en het agrarische gebied Steenoven.

We zoeken een parkeerplaatsje, stappen de ruime campingkantine binnen en vinden een vrij tafeltje bij het raam, van waar we de gehele zaal goed kunnen overzien. Nieuwsgierig doen onze blikken de ronde om een gezicht te ontdekken met ‘Stoops-trekken’.

Ruud zegt plotseling: “Die man daar, in die derde rij het tweede tafeltje, die lijkt toch op een beetje op vader?”

Moet een raar gevoel zijn voor Ruud, Frans en Riet. We kijken allemaal naar de door Ruud aangewezen plek. Ruud en Frans twijfelen sterk; zij hebben hun pa nog nooit gezien, evenals Clara en ik.

Riet zit de man lang te bestuderen en zegt langzaam: “Dat moet hem zijn.”

Niemand durft op de man af te stappen. Stel je voor, dat het iemand anders is. Dan maak je toch een rare indruk!

 

Maar ik ben bekend in ’t Haasje. Eigenaar Frans van Nunen is een oud-voetballer van RAC en zijn zwager Toontje Broers uit Rijen obert hier.

Als Toontje onze biertjes brengt, vraag ik hem: “Toon, hoe heet die man, daar in die derde rij het tweede tafeltje?”

Toontje draait zijn hoofd om en antwoordt onmiddellijk: “Meneer Peters. Hij en zijn vrouw hebben al jaren een caravan hier op het park.”

Hij zet de glazen drank op ons tafeltje neer en verdwijnt weer naar de bar.

“Peters,” mompelt Riet in gedachten. “Ik ben eens naar Rotterdam gefietst en bij vader aan de deur geweest. Hij had samen met zijn tweede vrouw een frietzaak. En dat was cafetaria Peters volgens mij! Zou hij hier de naam van zijn vrouw gebruiken?”

We kijken elkaar ongelovig aan. Het blijft even stil aan tafel. Niemand onderneemt iets.

Dan krijg ik een goed idee, trek de stoute schoenen aan en loop naar het tafeltje van de niets vermoedende heer Peters. Als ik achter hem sta, zeg ik duidelijk:

”meneer Stoops!”

Mijnheer Peters draait met een ruk zijn hoofd om: “Ja?”

Dus toch! En nu?

“Ik denk dat daar bij het raam drie kinderen van u zitten!”

De wat kalende man kijkt me tegelijk verschrikt en verbaasd aan. Hij draait richting het tafeltje bij het raam en kijkt naar de twee jongemannen, de roodharige dame en de blonde  jongedame.

Hij twijfelt even, maar ik ga door.

“Zij willen u graag de hand schudden!”

De man kijkt me nog steeds ongelovig aan, draait zich naar de dame naast hem, maar staat dan zonder iets te zeggen op. Ik ga hem voor naar onze tafel en wijs naar mijn vrouw.

“Riet,” stel ik haar voor.

Hij schudt haar de hand.

“Riet, ja, Maria,” mompelt hij in zichzelf.

Ik ga verder: “Frans.”

“Ja, Frans, een van de jongste hè?”

“De jongste,” antwoordt Frans.

“En dit is Ruud.”

“Jaja, Ruud,” zegt de man nadenkend en zij?” Hij steekt zijn hand uit naar Clara.

“Dat is de verloofde van Ruud,” antwoord ik hem, “en ik ben Henk, getrouwd met Riet.”

Het ijs is hiermee nog niet gebroken. Wat onwennig staan vader en kinderen tegenover elkaar, niet wetend wat te zeggen.

“Biertje?” Ik kijk hem vragend aan. Een drankje kan een draai geven aan het gesprek. Hij knikt en ik zwaai naar ober Toontje voor een nieuwe bestelling.

Traag komt de conversatie op gang. Ruud vertelt hem, dat hij als drukker bij de Volkskrant werkt. Frans legt uit, dat hij iets in de tuinbouw met bloemen doet en Riet geeft hem ons adres in Rijen.

Langer dan een kwartier duurt het onderhoud niet. Dan geeft vader Stoops (Bertus was zijn naam) ons nog iets te drinken en verdwijnt hij weer naar zijn mevrouw Peters.

Iedereen blijft met een raar gevoel in de maag achter. Ruud, Frans en Riet weten deze kennismaking met hun biologische vader niet goed te verwerken. Is dit nou je pa? Wat moeten we er mee? We komen in een kleine discussie. Hij kent zijn eigen kinderen niet eens!

Tijdens het gesprek draai ik me om richting derde rij tweede tafeltje en zie, dat meneer  en mevrouw ‘Peters’ zijn verdwenen. Waarschijnlijk vertrokken naar hun caravan.

“Ik werd tien jaar geleden door mevrouw Peters weggestuurd,” reageert Riet, “Weg uit hun cafetaria, met honger en zonder frietje. Ik was er op de fiets, gevlucht vanuit het klooster in Rijsbergen, naar toe gereden. Zij moet niets van de Stoopsjes hebben en hij stond het toe, dat ik doorgestuurd werd! Hij heeft toen wel de familie Sven gebeld. Zus Bep had toen al verkering met Wim. Die zijn me op komen halen. Hij zal nu wel met die vrouw Peters mee gemóeten hebben!”

 

Opmerkelijk is, dat er nog een hele tijd nagepraat wordt aan ons tafeltje met de nodige biertjes en wijntjes er bij, maar dat niet één keer het woord vader of pa valt!

In een rare, maar toch vrolijke stemming rijden we rond middernacht naar huis.

 

Riet heeft gelijk: mevrouw Peters heeft vader Stoops niet alleen haar achternaam gegeven, maar ook haar wil opgelegd. Eén keer zien we vader Stoops nog, als hij een week later in zijn eentje bij ons in Rijen een half uurtje op bezoek komt en een kop koffie drinkt.

Wat gaat er door zo’n man heen? Waarom laat hij dertien kinderen in de steek en krijgt nog drie of vier kinderen bij een andere vrouw?

Waarom? Waarvoor?

 

Na dat bezoek aan ons in Rijen verdwijnt hij met mevrouw Peters van camping ’t Haasje, waar hij jarenlang zijn ontspanning vond.

We horen een maand later wel, waar zijn caravan geplaatst is: een camping in Rijen, nog dichterbij dan ’t Haasje.

We hebben hem maar met rust gelaten!

 

© Henk M. van Oosterwijk

  

Frans

Het is op een nazomerse vrijdag in 1967, als ik mijn middaguurtje thuis wil gaan opeten. Ik woon maar een paar minuten lopen van mijn werk. Bijna ben ik thuis als ik een bekend figuur in een groene overall en met rubber laarzen voor mijn deur zie staan.

Is dat Frans? De jongste broer van Riet?

Ik versnel mijn looppas en inderdaad, nu zie ik het goed: het is hem!

Maar hoe kan dat? Die werkt en is intern op een boerderij ergens in Gelderland? Ik loop snel naar hem toe.

“Hé Frans, hoe kom jij hier zo verzeild?”

Ik schud mijn zestienjarige zwager de hand. “En zo maar in je overall.”

Frans kijkt me een beetje schuw aan. We hebben elkaar misschien vijf keer in ons leven gezien. Meestal bij trouwpartijen van zijn broers en zusters.

“Dat is een heel verhaal, Henk.”

Ik begrijp, dat er wat bijzonders gebeurd is en vraag even niet verder.

“Kom eerst maar eens binnen.”

Ik open de poort, die toegang geeft tot onze werft en loop naar de deur van de bijkeuken. Draai die van het slot af met mijn sleutel en laat de jongen binnen. Zelf ben ik vierentwintig en pas getrouwd. Frans was nog op ons huwelijksfeest en heeft toen ons huis bezichtigd.

De jongeman zet zich op een keukenstoel en kijkt wat verlegen rond.

“Honger?” Ik kijk hem vragend aan.

Hij knikt. “Ik heb vanaf vijf uur niks meer gegeten.”

Ik maak wat boterhammen voor ons klaar en laat hem intussen zijn verhaal vertellen.

 

Frans is de jongste broer van Riet, de kleinste van de dertien kinderen, die moeder Stoops-Zwijnenburg ter wereld bracht. Vanaf 1945 zijn de toen negen kinderen uit huis geplaatst en desondanks ging het kinderen baren gewoon door. Tot 29 december 1950, de geboortedatum van Frans, kwamen er nog vier baby’s bij! Ook zij werden door de Rotterdamse kinderbescherming aan de ouders ontnomen en in gezinnen geplaatst.

 

Frans komt terecht bij een kinderloos gezin in de Gelderse Achterhoek en groeit op in het dorp Lichtenvoorde. Zijn zusjes Ida, Riet, Leny en Tonny, en broertjes John en Ruud zijn ook in die omgeving bij stiefouders ondergebracht (Zieuwent en Lichtenvoorde) Het is een Rooms Katholieke gemeenschap en de kinderen zijn allemaal Rooms gedoopt.

In het gezin bij Frans zijn nog twee pleegkinderen opgenomen, allen van verschillende ouders. Zijn pleegvader wekt als chef in een fabriek, dat ondergoed produceert.Een aantal jaren gaat alles goed, maar dan wordt toch besloten Frans naar een internaat, een broederklooster,  nabij Nijmegen te doen. Daar maakt hij de lagere school af en volgt op dat zelfde internaat de land- en tuinbouwschool. Met dat diploma in zijn zak wordt hij door de kloosterlingen intern te werk gesteld bij een veeboer, geheel tegen zijn zin in, omdat hij de tuinbouw in wil.

Hij houdt het op die boerderij een half jaar uit.

 

“Ik ben vanmorgen gevlucht,” vertelt Frans onder het eten van een boterham.

“Gevlucht?” Ongelovig kijk ik hem aan. “Waarvoor gevlucht?”

“Om verschillende redenen,” gaat de zestienjarige verder. “Ik ben tegen mijn zin in bij een veeboer terecht gekomen, tussen koeien en varkens. Daar heb ik me bij neergelegd. Ik dacht: er komt wel een tijd, dat ik zelf ga kiezen. De grootste reden, dat ik ben weggelopen, is de manier waarop ik wordt behandeld en gecommandeerd. Ik moet werken vanaf ik uit bed kom tot ik weer onder de dekens kruip. Het is slapen, werken, slapen, werken enzovoort. Zeven dagen in de week. Er is nooit ontspanning.”

Ik knik begrijpend. Een jongen van zestien wil er ook wel eens op uit. Een film kijken, een frietje kopen of misschien wel een pilsje drinken. Of aan sport gaan doen. Dat is toch normaal? Zelf ben ik in een warm nest geboren en heb een mooie jeugd in Rijen gehad.

“Ik kreeg kost en inwoning en een paar centen zakgeld,” gaat hij verder. “Zo weinig, dat ik er amper kleren van kan kopen. Die had ik ook niet nodig, want het was altijd werken. Een overall volstond.”

Ik kijk naar zijn groene overall. Zijn laarzen heeft hij buiten laten staan, gelukkig maar, want later zie ik dat de koeienstront er nog aan zit.

“Hoe ben je dan hier gekomen?”

Ik stel die vraag, omdat de boerderij, waarop hij werkt, in de omgeving van Nijmegen ligt.

“Met de trein,” antwoordt hij,” het treinkaartje heb ik betaald met wat spaargeld. En ik wist waar jullie woonden, omdat ik op jullie trouwfeest was.”

 

Ik denk even na.

Frans valt nog tot zijn eenentwintigste jaar onder de voogdij van de Raad voor Kinderbescherming Rotterdam. Hoe die werken, weet ik nog goed. De acht jaar, dat ik mijn vrouw Riet ken, viel ook zij vijf jaar onder die voogdijraad en daar waren we niet blij mee. Niet dat ze steeds door haar voogden werd lastiggevallen. Zeker niet, daar hadden ze geen tijd voor. Waarschijnlijk bleven ze een beetje op de hoogte door contact met haar werkgevers en zo heel af en toe kwam er eens een juffrouw langs. Tot haar eenentwintigste had ze niets te vertellen over haar werkloon. Ze werkte als intern dienstmeisje en als ze van werkgever veranderde, stond eerst de voogd bij de nieuwe werkgever op de stoep. Als Riet en ik dan voor het gesprek kwamen, was het salaris al vast gelegd en dat was niet erg hoog!

 

Maar, bedenk ik, ondanks de belabberde manier, waarop de kinderbescherming machine draait, ben ik toch verplicht te melden, waar Frans uithangt.

“Ik moet eerst de Kinderbescherming bellen,” zeg ik peinzend tegen Frans.

“Nee, asjeblieft niet,” reageert hij meteen fel, “niet de Kinderbescherming. Die komen me meteen ophalen om me terug te brengen naar de rot boer. Nee, dat niet!”

Ik stel hem gerust.

“Niks terugbrengen, Frans. We zoeken wel een andere oplossing. Ik moet dit even melden, want anders staat vandaag of morgen de politie hier voor de deur en pakken ze je toch op. Dan zijn we nog verder van huis. Na half twee bel ik even; dan zullen ze wel uit geluncht zijn.”

Intussen bel ik mijn baas om de situatie uit te leggen en die middag vrij te vragen. En telefoneer met Riet op haar werk, die ook zal proberen naar huis te komen. Haar werkgever zit ook in Rijen en een twintigtal minuten na mijn telefoontje is ze thuis.

 

Om half twee bel ik de Kinderbescherming Rotterdam op en krijg de voogd van Frans aan de lijn. Ik vertel haar, het is een vrouw, de gehele geschiedenis, zoals ik die uit de mond van mijn zwager gehoord heb.

“Ik wil hem graag tijdelijk onderdak geven, tot er een oplossing komt voor zijn problemen,” stel ik de voogdes voor.

Kijk, dat vinden ze fijn. Ze hoeven zelf nog niet direct in actie te komen en misschien lost het probleem zich dan vanzelf op. We spreken af, dat ik in de loop van komende week haar weer bel en met een voorstel kom.

Alles meteen geregeld!

Riet neemt daarna meteen met Frans de trein naar Breda en steekt de jongeman in nieuwe kleren en schaft voldoende ondergoed voor hem aan. De kleding wordt direct aangetrokken en de overall met laarzen worden in een plastic tas mee terug gebracht.

 

Na het weekeinde neem ik weer contact op met de Kinderbescherming en krijg het in een ‘vijf minuten gesprek’ voor elkaar, dat Frans bij ons in de kost kan komen.

“Zolang hij geen werk heeft, ontvangt u 38 gulden vergoeding per maand,” legt ze nog uit, alsof ik daar de jongen een hele maand van kan voeden!

Van de boer en de eigendommen van Frans horen we nooit meer iets. Bezitting had Frans overigens niet, alleen wat kleding en een paar tientjes loon te goed. Maar ook daar zien we niets meer van.

Maakt niets uit; hij kan aan zijn toekomst gaan bouwen.

 

Toen Frans binnen stapte, waren Riet en ik net een half jaar getrouwd. Ik vind voor Frans werk bij een bloemisterij en hij blijft ruim anderhalf jaar bij ons inwonen.

Frans heeft een vrij leven, hoewel hij zich uiteraard aan onze regeltjes moet houden. Dat veroorzaakt soms wel botsingen in ons ‘gezin’, maar dat komt in de beste families voor.

Als ik voor mezelf een andere werkgever in Breda  vindt met een nieuwe uitdaging, gaan we naar die stad verhuizen. Dan is Frans bijna achttien jaar oud en vindt een goed kosthuis in Gilze.

En de voogdijraad van de Kinderbescherming Rotterdam?

Nooit meer iets van gehoord!

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

 

Strakke Jassen

U kent de uitdrukking ‘Strakke Jassen’?

Misschien niet, want ik twijfel of het een landelijke, provinciale, streek- of plaatselijke uitdrukking is.

In onze omgeving (Rijen) duidt men met ‘Strakke Jassen’ een groep mensen aan, die (denken) belangrijk zijn en (er van uit gaan) het voor het zeggen te hebben. Een groep (zogenaamde) elite, die op elke openbare gebeurtenis of belangrijke receptie in het dorp aanwezig zijn. U kent ze wel: strak in het pak, wit overhemd met toepasselijke stropdas en een lange overjas. Soms nonchalant een zijden geknoopte das dragend. De elite, de notabelen, de haute volée.

Typische ‘Strakke Jassen’ dus.

 

U kunt ze altijd vinden tijdens gemeentelijke recepties, bij geld-uitreiking voor goede doelen of belangrijke huldigingen van sporters en verenigingen. Niet dat zij zelf gul uit de portemonnee geven of buitensporige prestaties hebben geleverd. Nee, omdat ze vinden dat ze er gewoon bij horen. Hun enige actie is het nuttigen van een glaasje port of wijn, en de zaal vullen.

Als er in het dorp maar enige beweging is, wat op een viering of huldiging lijkt, zijn ze van de partij, de Strakke Jassen.

De huldiging van de plaatselijke kampioensploeg: ze zijn er bij zonder lidmaatschap of bemoeienis. De lintjesregen voor Koningsdag: allemaal present, zonder lintje en met een borrel. De nieuwjaarsborrel op het raadhuis: u raadt het al, present natuurlijk. Een groot jaarlijks terugkerend sportevenement in het dorp: zij zitten in het erecomité.

U kent ze toch wel; ik hoef hierover verder niet uit te wijden.

 

Waarom ik dit stukje schrijf?

Omdat ik het laatste half jaar ‘jassen’ ben tegen gekomen zonder kapsones, das of glaasje wijn. ‘Witte korte jassen’ van de verpleegsters en verplegers, die zieken verzorgen met hard werken in hun bezuinigde uren. ‘Witte lange jassen’ van doctoren, die in dag- en nachturen zieken en gewonden bijstaan en verzorgen. Mensen, die in een 24-urige drieploegendienst andere mensen helpen en verzorgen.

‘Witte korte en lange jassen’ die met recht een lintje verdienen! Stuk voor stuk!

Chapeau!

© Henk M. van Oosterwijk

 

Klaar maken achter de schuur

Het is al 46 jaar geleden.

Wat gaat de tijd toch snel, want het lijkt wel als de dag van gisteren. Ik was een jaar of vier getrouwd en hyperactief. Ik snap nu eigenlijk niet, dat ik allemaal tijd had voor zovele zaken, maar om eerlijk te zijn: het bracht ook wat geld in de portemonnee, die met een echtgenote en twee kinderen meestal weer snel leeg was. Ik zelf kon er trouwens ook wat van!

 

In het jaar 1971 werkte ik als projectleider bij Asselbergs & Nachenius NV in Breda en had daar best een verantwoordelijke baan. Ik was bij de Rijense club RAC gestopt met voetbal en stond daar ongeveer tien jaar onder de lat in 2e en 3e klasse KNVB.

 

Om mensen en kleine bedrijfjes te helpen, berekende ik cv-installaties voor hen en leverde in sommige gevallen de benodigde materialen.

Daarnaast deed ik schrijfwerk als freelance journalist en schreef onder andere rubrieken voor dagblad De Stem, zoals ‘Streeksport’ en ‘Sport Allerlei’. Ik bekwaamde me in vele sporten zoals boksen, judo, wielrennen, voetbal natuurlijk, motorcross en motorraces. Maar deed ook verslag van golf, biljarten en duivensport. Wellicht vergeet ik er nog een paar.

In de motorsport schreef ik o.a. voor de 2-wekelijkse bladen Moto’73 en Motorsportnieuws.

 

In 1971 vroeg de NMB (Nederlandse Motorsport Bond), die naast de KNMV motorcrosses in bossen  en wegraces in de gewone straten organiseerde, mij als commentator/speaker en later als perscommissaris voor hun wedstrijden.

 

 

Ik had al een paar crosses in Brabant aan de microfoon gestaan, maar in Zeeland (weet niet meer welke plaats) werd ik voor de leeuwen gegooid: speaker Jan de Rooy aflossen en bij enkele race-klassen het commentaar leveren.

 

Tijdens een verslag moest ik ook de coureurs oproepen voor de daar opvolgende race en zij stelden zich op achter een boerenschuur om vandaar naar hun startplaats te gaan.

“Coureurs voor de 125cc-klasse: klaarmaken achter de schuur,” galmde mijn stem vele malen over het stratencircuit.

Tot ik een tip kreeg van een lachende Jan de Rooy: “Henk, niet klaarmaken, maar opstellen achter de schuur!"

Ik heb het dat eerste seizoen steeds moeten horen op het rennerskwartier: “Henk, waar moeten we ons klaarmaken!”

Gelukkig werd ik het jaar er op perscommissaris en konden ze beter goede vriendjes met me blijven.

Dat ‘klaarmaken’ heeft me toch nog lang achtervolgd!

© Henk M. van Oosterwijk

Ongepaste lol

Je hebt zo eens van die momenten: je mag eigenlijk niet lachen, maar je kan niet anders.

Zo overkomt mij dat, tijdens een ziekenhuisbezoek aan mijn vrouw.

Zij is met ademhalingsmoeilijkheden (goed woord voor scrabble) door een ambulance midden in de nacht overgebracht naar een hospitaal in de buurt. Na onderzoek op de ‘Spoedeisende Hulp’ blijkt de oorzaak een dubbele longontsteking. Na wat spuiten, bloedafnames, foto’s en beneveling is ze in twee en een half uur tijd redelijk opgeknapt en wordt per bed vervoert naar de longafdeling, waar ze een kamer moet delen met een man. Voor haar en mij geen probleem, want zo gaat dat tegenwoordig.

Een hele situatie waar je niet echt blij van wordt en zeker niet aan lachen denkt.

Maar alles is onder controle en we kunnen – letterlijk en figuurlijk – weer normaal ademhalen.

Zeker mijn vrouw.

 

De kamergenoot van mijn echtgenote is een druk baasje. Ondanks zijn zuurstoftekort is hij steeds in beweging en praat snel en af en toe onverstaanbaar. We zijn echter (gelukkig) niet allemaal hetzelfde. We respecteren elkaar en er is toch een vorm van gezelligheid.

De man kan niet stilzetten en dat werkt ook door als hij van zijn middagdutje ligt te genieten.

 

Dat gebeurt tijdens mijn ziekenbezoek.

Snurkend geniet de behoorlijk zieke man van zijn slaap. Genieten is eigenlijk niet het juiste woord, want hij rolt van de ene op de andere zij, spreidt zijn benen, trekt dan weer zijn knieën op en is op deze manier constant in beweging. Bovendien trekt hij aan de diverse slangen, die hem zuurstof en medicijnen verschaffen.

“Hij probeert in zijn slaap de slangen er af te trekken,” legt mijn vrouw uit, “maar de zusters houden hem goed in de gaten.”

Dan zie ik, dat de kamergenoot van mijn vrouw zijn zuurstoftoevoer dubbel knijpt. Hij wil er van af, maar de zuurstof slaat terug: de man komt in ademnood! Happend naar adem laat hij de slang los en zwaait hulp vragend met de armen in het rond. Hierdoor herstelt de slang zich en krijgt de arme man weer zuurstof.

Hij komt enkele tientallen seconden tot rust, maar dan herhaalt hij – nog vele malen - zijn oncontroleerbare handelingen en geraakt opnieuw weer in ademnood.

Ondanks de ernstige situatie schieten we in de lach, want het is best een komisch aanblik.

“Als het echt fout gaat, piept het alarm wel,” lacht mijn vrouw. ”En als hij het benauwd krijgt, laat ie de slang echt wel los!”

Haar woorden zijn nog niet geheel uitgesproken of een snerpende pieptoon klinkt door de ziekenkamer.

“Hij heeft zijn infuusslangetje dubbel gedrukt,” zeg ik tegen mijn vrouw en sta op om de man te helpen. Maar voordat ik bij het bed ben, staat er al een zuster bij hem en herstelt zij de slangligging.

Het piepen houdt op.

“Het is een druk baasje,” glimlacht de zuster, “maar we houden hem in de gaten.”

Mijn vrouw en ik kijken elkaar aan. Beide beseffen we, dat het ongepaste lol was, maar ja, het was ook zo komisch.

Gelukkig kunnen we nog lachen, zelfs om onze eigen ellende af en toe.

Men zegt toch: Een dag niet gelachen, een dag niet geleefd! 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Rijens Accordeontreffen

24 november 2002 schreeuwt BN De Stem:

 

Geweldige sfeer bij Rijens Accordeontreffen

Door Henk van Oosterwijk

 

Rijen. In een geweldige sfeervolle zaal genoten de accordeonliefhebbers van de vele artiesten, die het podium in partycentrum ’t Boerke betraden.Vooral Johan Kleine, de muzikant uit het Drentse Dalerpeel, bracht de zaal in vervoering met zijn vertolkingen van nummers van  accordeonistlegende Johnny Meijer en oogstte daarmee een staande ovatie. Maar ook Rijenaar Rini Marijnissen veroverde de harten van de toeschouwers met zijn musette en tango. Om elf uur begon het accordeonspektakel; omstreeks half zeven vloeiden de laatste accordeonklanken weg in een zee van ovatie. Een staand applaus voor de nog acht overgebleven solisten, die gezamenlijk het 9e Rijens Accordeontreffen afsloten.

 

Johan Kleine

Ruim 700 accordeonliefhebbers passeerden zondag de kassa in zalencentrum ’t Boerke, die in totaal 46 accordeonisten aan het werk konden zien. Nadat de organisatoren Rini Marijnissen en Henk van Oosterwijk het Rijens Accordeontreffen geopend hadden, was de zaal om 11 uur ’s ochtends al goed gevuld. Martin Wouters uit Olland opende het muziekfestijn met enkele smartlappen. Daarna liet de nestor van dit muziekgebeuren, Louis van der Kaa uit Breda, met zijn 83 jaren het publiek proeven aan de gezellige muziekstijl van de “Oude Turfschippers” van de naoorlogse jaren. Daarna traden in hoog tempo op (elke artiest kreeg een kwartier) o.a. “zigeunerkoning” Faes Jansen uit Venlo, Dorus Trum uit ’s-Hertogenbosch, Els Dufornee met Jeanne de Swart, beidde uit Breda, en de nog jeugdige Joost Rovers uit Terheijden. Het Mill’se duo Truus en Gerard (zus en broer) zorgden voor de meedeiners.

 

Het hoogtepunt van de middag werd ingezet door Rini Marijnissen, die gevolgd werd door John Brink (Ede), Trio Buddiger (Oma, opa en kleinzoon) uit Horst en Hans Nuland uit Boxtel, met uiteindelijke klapper Johan Kleine, die zowel de knopaccordion als de klavieraccordeon feilloos beheerst.

Intussen brachten de artiesten op het “open podium” in de cafézaal een enorme gezelligheid. Er werd ouderwets gedanst op de vele walsjes en tango’s, die de zaal werden ingeslingerd onder leiding van Bosschenaar Frans Krol. Hier traden accordeonisten in willekeurige volgorde op. Zij meldden zich en lieten hun kunnen horen, soms met 3 of 4 muzikanten tegelijk. Hierdoor ontstond een sfeer als in de veertiger, vijftiger jaren, toen ook de accordeon de beentjes in beweging kreeg, zoals ze nu over de houten vloer van ’t Boerke dansten.

In Rijen weet men het nu zeker:

De accordeon is niet dood: de accordeon leeft!

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Het waren prachtige dagen, die accordeonfestivals. Rini Marijnissen en ik hebben er zestien in Rijen georganiseerd. Ook nog eens veertien in Gilze samen met Fien en Cor Biemans en ik deed er nog tien in Hank samen met watersportverenigingen Oostkil en Vissershang.

In totaal dus veertig festivals.

Altijd gezellig, altijd fijn.

Wat een tijd was dat!

Henk.

Henk van Oosterwijk en Rini Marijnissen

 

Pasen en eieren

Hoe mooi kan een traditie zijn!

Op eerste Paasdag bij ons opoe en opa aan de Vijf Eiken in het Brabantse dorpje Rijen paaseieren gaan rapen, was een feest.

’s Morgens al rond koffietijd, renden wij de tuin in, achterna geroepen door onze ouders: “Kijkt’uit vur de plaantjes en de groentebedjes, aanders krijd’t mee oew grôtvaoder te doen!”

Ja, we deden wel voorzichtig, want we wisten dat de Paasmol de eieren zeker niet bij de pas ingezaaide grond en de jonge plantjes verstopte. We moesten wel voorzichtig doen, want dikwijls lagen onze snoepgoederen tussen de kruidoorns (kruidnagelstruiken) verstopt. En die struiken hadden doornen die je aardig konden verwonden. De Paasmol was best slim!

 

Ik zie u kijken en denken: “U schrijft al twee keer Paasmol? Het is toch een Paashaas?”

Ja, u hebt gelijk. Bij u misschien.  Maar wij leefden toen rond het jaar 1950 en achteraan in de Pastoor Gillisstraat op de Rijen was het een Paasmol, die de eieren kwam verstoppen.  Misschien getekend in de vorm van een haas, dat weet ik niet meer zo precies, maar wat maakte dat nou uit voor ons, kinderen. Pas toen ik verkering kreeg met een Rotterdamse hoorde ik, dat in Nederland de Paashaas de eieren rond bracht.

Wij geloofden er in. Zwarte Piet en Sinterklaas zag je toch ook maar een paar weken. Sinterklaas was honderden jaren oud en Piet was zo zwart als roet. Prima! Hij bracht cadeautjes! Daar ging het om! De Kerstman kenden wij niet; die is later geïmporteerd.

De Paasmol verstopte bij ons eieren, hard gekookte gekleurde eitjes. Ook een paar van chocolade en suikergoed. Meer verwachtten we niet. Of hij er nou uitzag als een mol of een haas, het maakte allemaal niets uit.

En zo hoort het: tradities moet je aanhangen!

 

Waar komt dat eieren verstoppen eigenlijk vandaan, want als je er goed over nadenkt, is het toch maar een vreemde zaak.

Een haas (of een mol) met een rugzak vol eieren, die her en der dat spul in de struiken en tussen het gras gooit?

Hij moet gooien, want ander krijgt hij dit karwei nooit op tijd voor alle kinderen klaar!

Ik ben me er nu, grijs en dik in de zeventig (niet gezet, maar dik in de zeventig), eindelijk eens in gaan verdiepen, want het houdt je toch bezig.

Ik begin bij Pasen.

Dit is een christelijk feest, dat in de lente valt. Als Rooms katholiek jongetje gingen wij op vrijdagmiddag voor Pasen naar de kerk om de ‘Kruistocht’ te doen. Die laatste tocht van Jezus van Nazareth was op grote schilderijen in de kerk afgebeeld en vertelden het verhaal over het Laatste Avondmaal tot de kruisiging van Jezus Christus; van de Romeinse gouverneur Pilatus tot de terechtstelling op de heuvel Golgotha net buiten Jeruzalem. Wij geloofden, dat Jezus hiermee de straf voor alle zonden van de wereld op zich nam en voor ons weg nam.

Nou, hij kan gerust terug komen, want twintig eeuwen lang is er weer volop gezondigd!

 

Terug naar het Paasfeest.

Ja, het is een feest, want drie dagen na zijn gruwelijk sterven aan het kruis stond hij weer op uit de dood. En dat vieren wij!

Eerst op Eerste Paasdag naar de kerk, daarna naar onze grootouders om de eieren te zoeken. Dan komt die vraag weer naar boven: Waar komt dan die verdraaide Paashaas of Paasmol vandaan? Die had met heel die kruisiging niks te maken!

Ik ben gaan graven in de geschiedenis en vond enkele opmerkelijke verhalen.

Luister maar mee:

 

Ongeveer honderd jaar voor Christus leefde er een Germaanse stam in Duitsland en die aanbad onder andere Ostara, godin van de lente (Pasen valt in dit seizoen). Deze mythe vertelt het verhaal van een jong meisje, dat een gewond vogeltje vond. Het diertje was er slecht aan toe en het kind bad tot de godin Ostara om hulp.  De godin was er blijkbaar als de kippen bij, zag dat het beestje er slecht aan toe was en veranderde het in een gezonde haas.

“Deze dankbare haas zal elk jaar eenmaal terugkeren om gekleurde eieren te leggen,” verzekerde godin Ostara het meisje.

En zo geschiedde.

Dit is een verklaring van Amerikaanse schrijver Kevin Shortsleeve. “Rond 1680 werd het eerste verhaal van een haas die eieren legt en ze in de tuin verstopt, gepubliceerd,” stelt Shortsleeve.

Dat was wel 17 eeuwen later en uit die publicatie van 1680 kon hij ook geen bewijzen onttrekken. Maar het had wel gevolgen.

Er ontstond een nieuwe traditie: Kinderen legden hun petten en mutsen in de tuin en op de eerste Paasdag had de Paashaas  deze hoofddekseltjes vol met eieren gelegd. Dit fenomeen verspreidde zich over Europa.

Duitsers die in de 18e en 19e eeuw naar Amerika vertrokken en als pioniers het Wilde Westen ontgonnen, namen de Paashaas mee naar hun nieuwe vaderland.

En zo veroverde het beestje bijna de gehele wereld!

 

Dit verhaal over godin Ostara legt wel de link met de lente, maar niet met het Paasfeest. Bovendien komt deze vertelling in vele vormen voor.

Sommige mythes vertellen over de Germaanse godin Eostra een bijna gelijkluidend verhaal. Zij was echter een ‘Godin van het weer’, die zich eens verslapen had, waardoor de winter te lang duurde. Met een ruk maakte ze de lente warmer, maar zag een zwak vogeltje stervende liggen. Het beestje kon de aanhoudende winter niet aan. Eostra veranderde het vogeltje snel in een haas en die kwam uit dankbaarheid elk jaar terug rond dezelfde tijd, de herdenkingsdag van godin Eostra , om als ‘ex-vogel’ eieren leggen!

Simpel toch!

Eostra wordt overigens ook gelinkt met het Engelse ‘Easter’ en het Duitse ‘Ostern’, beide dus ‘Pasen”.

 

Oké, tot zo ver geloven we de fabeltjes nog. Maar hoe komt die haas dan precies met Pasen zijn eieren leggen?

Dat is een kwestie van even regelen. Er zijn meerdere ‘heidense rituelen’ gebruikt door de Rooms katholieke kerk, zoals het Kerstfeest. Want Jezus van Nazareth is helemaal niet op 25 december geboren! Wie maalt daar nog om?

Het ei is het symbool van de wedergeboorte. De opstanding van Jezus was een wedergeboorte!

“Een ei hoort er bij,” denkt dan de slimme zakenman. In combinatie met de lente, de haas uit ons eerder verhaal en Pasen wordt een prima commercieel product gemaakt.

En kinderen geloven alles, dus: weer een feestje er bij.

Bovendien is het niet zo gek, het idee van ‘wedergeboorte’. Want zoals wij knallend het nieuwe jaar in gaan, verlieten de Perzen het Oude Jaar en vierden met het eten van gekleurde eieren de geboorte van het nieuwjaar!

 

Hoe groeit een traditie? Je weet het niet.

Neem nou de verdwenen ‘Hubkesdag’. Wij aten vroeger op 3 november door een priester gewijde broodjes. Het brood werd geheiligd uit naam van Sint Hubertus en bood bescherming tegen hondsdolheid. Het heeft geholpen: ik heb die ziekte nooit gehad!

Ik houd wel van oude gebruiken en we moeten ze daarom koesteren: de Paasmol of Paashaas, Sinterklaas met zijn zwarte Pieten en de Vastenavond (carnaval), een groot feest, voordat we eigenlijk veertig dagen ons eten moeten laten staan.

Ben er zuinig op, het hoort bij onze cultuur!

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

De accordeon

Vreugde en ontspanning ontstaan soms uit het niets.

Het is in het jaar 1995.

We hebben vier weken vakantie en varen met ons bootje via de Hollandse IJssel naar Gouda en door de Gouwe naar de Oude Rijn. Bij Alphen aan de Rijn draai we het de Hermanswetering in, een kanaal van Alphen naar het Brasemermeer, en vinden tien kilometer verder een ligplaatsje tegen het eilandje Zuiderhem in het Brasemermeer.

Het is heerlijk weer.

Klapstoelen en tafel worden op de wal gezet en we genieten met volle teugen. We liggen aangemeerd, samen met de Don Pedro van Peter en Rietje en nog een vijftiental andere boten, tegen een wal met grasstrook en een bos, dat ons beschermt tegen de westenwind.

 

Genietend van de zon komen we in gesprek met een andere plezierschipper en na veel schipperspraat valt het woord ‘accordeon’ ineens.

“Ja,” vertel ik de man, “ik speel een beetje mondharmonica en dacht op mijn vijftigste: ik leer even accordeonspelen. Niet dus.”

Ik kijk de wat kleinere man dan ik aan, die geïnteresseerd staat te luisteren.

“Ik ben niet verder gekomen dan anderhalf liedje,” ga ik verder, “want zo’n accordeon is een compleet orkest, als je het goed bespeelt.”

“Inderdaad,” antwoordt de man, “Ik speel van jongs af aan al accordeon, maar het is een moeilijk instrument.”

“Oja, speel jij?” reageer ik enthousiast, “wacht eens even.”

 De muzikale schipper.

 

Zonder een antwoord af te wachten loop ik naar mijn boot en kom even later terug met een grote accordeon, een 120 basser.

“Gekocht van iemand, die hem mee bracht uit Tsjechië,” leg ik meteen uit. “Misselijk hoe oud dit kastje is.”

De schipper kijkt nieuwsgierig naar de oude accordeon.

“Mooi oud beestje,” glimlacht hij, “zit er ook nog geluid in?” Hij kijkt me vragend aan.

“Natuurlijk zit er geluid in, maar je moet het er wel uit kunnen halen.” Ik reik hem de trekkast aan. “Een paar valse noten heb ik laten vervangen. Probeer maar eens.”

 

De man maakt even een afwerend gebaar, maar ik houd hem de accordeon voor en hij steekt zijn armen door de riemen. De harmonica is zwaar en de  man is niet zo groot. Riet reikt hem een stoel aan, zodat hij de accordeon op zijn knie kan laten rusten. Zijn vingers beroeren zoekend de toetsen van de klavierkant. Daarna bespeelt zijn linkerhand de bassen. Dan zet hij in en rolt er een prachtig oer-Hollands lied uit de harmonica: Het Vissersmeisje! De omstanders zingen mee en na dit nummer komen er verschillende verzoekjes naar de muzikale schipper, die hij speelt, maar ook soms moet afslaan.

“Die ken ik niet uit het hoofd,” reageert hij dan, “maar deze wel!” En hij laat weer een mooie meezinger over het water en grasveld heen galmen.

Het wordt een heerlijke middag: zon, muziek en een biertje erbij natuurlijk!

Wat is het leven dan toch heerlijk!

© Henk M. van Oosterwijk

 

Akropolis

We cruisen in 2006 nog steeds door de Middellandse zee. Via Napels (Italië), Alexandrië (Egypte), Limasol (Cyprus) en Rhodos (Griekenland) belanden we in de haven van Athene. En als je daar toch bent, mag je de Acropolis niet missen!

Dus Aaf, Riet, Christ en ik nemen de taxi naar deze toeristische trekpleister.

Wat is een Akropolis eigenlijk?

In het Oudgrieks is het:  кρόπολις.

Vrij vertaald: ‘het hoogste punt van de stad’ en in werkelijkheid is het een citadel, een verdedigingsburcht. De vorst bouwde in vroeger tijden ergens op een berg zijn burcht en de burgers vestigden zich aan de rand of de voet van de berg. Zo ontstond er een stad, soms met machtige vorsten, zoals in Athene.

 

Terug naar het heden.

Onze taxichauffeur brengt ons tot aan de voet van de tafelberg, waarop de Akropolis is gebouwd. Wij spreken een tijd met hem af, waarop hij ons weer zal ophalen. Dan kijken we tegen de ruim honderd en vijftig meter hoge tafelberg op.

Na de entree betaald te hebben duw ik Christ in zijn rolstoel de berg op. Al gauw ontdekken we, dat het onbegonnen werk is. Onze chauffeur vertelde eerder, dat er een lift zou zijn en daar gaan we naar op zoek.

Hoe vraag naar de lift in de Griekse taal?

Ja: “Πού είναι ο ανελκυστήρας για άτομα με ειδικές ανάγκες?”

Maar dat wist ik toen nog niet!

Met Engels kwamen we wel verder en een goedwillende Engels stotterende Griekse beambte stuurt ons een weggetje op achter het drukke toeristische gedeelte om. Na een korte wandeling, die overigens ook langzaam omhoog leidt, komen we bij een steile rotswand.

 

Inderdaad, er is een lift. Twee zelfs!

Het eerste gedeelte bestaat uit een traplift, die ons een stukje hoger tot bij de eigenlijke lift zal brengen. Christ en Riet tenminste! Aaf en ik moeten de trap te voet nemen, lopend naast de lift.

 

 

Eerst glijdt Christ met rolstoel langs de roestvrijstalen begeleidingsbuizen omhoog, terwijl Aaf de gehele trap op loopt. Daarna komt het klimhulpmiddel terug langs de buizen en is Riet aan de beurt om op te stappen. En ondanks dat er plaats genoeg is om naast haar op het liftplateau te gaan staan, moet ook ik van de begeleidende dame, net als Aaf, de bijna honderd traptreden naar boven klimmen.

Daar staan we dan voor de simpele lift, die ons naar de Acropolis zal tillen: een soort bouwlift met een dichte kooi er op. Aan twee zijden voorzien van een deur, gemaakt van stalenbuis en daar tussen gaas gespannen. De traplift ziet er, volgens onze waarneming, solider uit dan die kooilift! Maar we hebben geen keus, want we willen dichterbij de Akropolis komen.

 

Ook nu weer wordt Christ met  Aaf als eersten door de liftgirl naar boven gebracht en daarna komt dat gazen gevaarte Riet en mij ophalen. Als we zijn ingestapt en de deur grondig is afgesloten, schuift de liftkooi langzaam langs de dubbele stalen rails steil omhoog, stotterend en rammelend, maar wel gestaag in hetzelfde kruipende tempo.

De secondes lijken wel minuten!

We hebben eigenlijk niet zoveel vertrouwen in het hijswerktuig, dat ons tergend langzaam naar boven brengt. Met een schok komt de kooi eindelijk boven aan de rotswand tot stilstand en opent onze lifthulp de gazen deur, nu aan de andere zijde van de lift.

We kunnen er uit!

 

 

 

Ik stap op de rotsachtige grond en adem diep de Atheense warme lucht in. Blij, dat we boven zijn!

 

Het is de moeite waard.

Het brede uitzicht over de stad Athene is geweldig!

Jammer voor Christ, dat we hem met de rolstoel niet tot aan de oude ruïne kunnen rijden, want het plateau rond de Akropolis ligt vol met oud gesteente, waar je alleen te voet voorzichtig tussen door kunt stappen. Eigenlijk hebben de Grieken al vele eeuwen de tijd gehad om dat steenpuin eens wat op te ruimen, zodat toeristen zonder het risico een enkel of been te breken bij de oude ruïne kunnen komen ! Maar waarschijnlijk ligt het er nu – elf jaar later – nog steeds! Ook Christ kan gelukkig vanuit zijn positie van het prachtige panorama genieten.

 

  

 

Als we genoeg van dat oude gesteente gezien hebben en de stad Athene van bovenaf hebben aanschouwd, dalen we de tafelberg weer af.

Niet met de lift!

Met de rem op de rolstoelbanden zakken we voorzichtig het asfaltweggetje af naar het beginpunt, waar we onze chauffeur zullen treffen.

Er is nog tijd om een snack en een biertje te pakken, voordat onze taxi zich meldt en we richting haven en de ‘Costa Europa’ rijden.

 

Achterover leunend in een strandstoel bij het zwembad op het achterdek van het cruiseschip genieten we van een koud biertje, Christ en ik. De dames zitten aan een heerlijk glas wijn.

Onze gedachten gaan naar die Akropolis, waar de eeuwenoude ruïne omringd wordt door de grote rondslingerende bouwstenen.

Maar vooral die bouwlift met zijn ‘gazen deur’, die vergeten we nooit meer!

 

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

De Tent van Willem I

Ben jij, Rijenaar, ook naar de lezing geweest van Heemkring Molenheide, die ging over het Militaire Kamp?

Nee? Dan heb je echt wat gemist.

Zeker als je, zoals ik ruim zestig jaar geleden, op deze plek nabij de Kampstraat in Rijen door de bossen rondliep met een zelf gemaakte ‘pijl en boog’ en vele keren met een houten zwaard.

De bossen tussen de oude buurt van de Kampstraat en de Rijksweg Breda-Tilburg was ons speelterrein. Vanuit de Laagstraat trokken we daar naar toe om onze ‘oorlogjes’ uit te vechten.

 

Toen heb ik het totaal niet kunnen bevroeden, dat ik regelrecht en letterlijk in de voetsporen van onze eerste Koning Willem trad! Zijn koninklijke rijlaarzen, en ook die van zijn zoon Frederik,  raakten daar de grond, waarover ik me met zwaard en pijl en boog bewoog!

Honderd en zesentachtig jaar geleden beval hij ter plekke zijn leger richting België te snellen om de opstand van de zuiderlingen neer te slaan! Dat was in de zomer van 1931. Zowat 12.000 militairen en burgers bevolkten toen de Rijense heide.

 

Waar deze Willem van Oranje zijn voetsporen achter liet en waar zijn luxe tent heeft gestaan, heb ik waarschijnlijk liggen rollebollen met mijn vrienden, als ridder of als Robin Hood. Als we het geweten hadden, dan zouden we zeker geloot hebben wie Willem mocht zijn en wie er als Nederlander of als Belg moesten vechten. Maar we wisten het niet!

 

Daarom moeten we nu zuinig zijn op deze plek. Onze generatie zal er voor moeten zorgen, dat kleinkinderen of achterkleinkinderen trots kunnen zijn op Willem I, die de Tiendaagse Veldtocht tegen de Belgen won door tijdens de veldslag bij Hasselt het Belgische leger in de pan te hakken. De voor ons opstandelingen sloegen op de vlucht en onze Willem voorkwam hiermee, dat de Belgen de grote rivieren zouden bereiken.

Bedankt Willem, want anders gingen we nu als Belg door het leven!

 

In 1839 werd uiteindelijk het huidige België en Luxemburg geboren en kon Willem I zich wat rustiger gaan gedragen.

Wij, Rijenaren, kregen ook wat meer rust, alhoewel, het opdoeken van het Militaire Kamp zal toch veel middenstanders hier pijn hebben gedaan!

  

© Henk M. van Oosterwijk

Kortingen op pensioen

(commentaar)

Op 24 februari 2003 begon het aftellen: nog 100 dagen!

En voor ik het wist, was het donderdag 17 juli, mijn laatste werkdag. Een 43-jarige werkperiode werd afgesloten met een receptie in café ‘t Halve Maantje.

Mijn officiële pensioen ging pas 1 oktober 2003 in, maar er stonden nog zoveel dagen op de snipperkaart, dat ik toen al van een vrije zomer kon gaan genieten.

 

Ik wil niet klagen, maar toch is het schandalig.

Drieënveertig jaar lang heb ik me in gezet om de economie in Nederland een beetje mee te laten renderen, en ook om mezelf een goede boterham met beleg te verschaffen natuurlijk, en dan wordt ik keihard teruggepakt.

‘Houdoe en bedankt!”

Dat zijn de woorden van het pensioenfonds. Niet dat ze dat letterlijk tegen me gezegd hebben, maar het voelt wel zo. Ondanks mijn inzet tijdens mijn werkzame leven wordt ik ongenadig gekort in het pensioen, dat ikzelf bijeen gespaard heb.

Vanaf 2008 geen compensatie voor de indexering van de prijsstijgingen, elk jaar gemiddeld 2%. En daar bovenop nog eens enkele kortingen van ongeveer 6% en 1% op mijn ouderdomsuitkering.

Waar halen ze het lef vandaan!

En dan praten ze maar over een ‘dekkingsgraad’ die elk jaar anders berekend wordt. Naar mijn mening steeds passend in hun eigen straatje. Ja, de regering heeft daar ook debet aan en daar wijzen ze dan ook prompt naar.

 

“Er zijn te veel ouderen!” roepen ze steeds. “De werkende mensen kunnen het niet opbrengen om die grote groep te onderhouden! Waar moeten we het geld vandaan halen?”

Laat me niet lachen!

Misschien kun je 500.000 werkelozen aan een baan helpen? Het mes snijdt dan aan twee kanten: een half miljoen mannen en vrouwen verdienen dan hun eigen geld en hun eerdere uitkeringen kunnen dan naar de ouderen geschoven worden.

Bovendien is het zo, dat Nederland in 1960 ongeveer 10 miljoen inwoners telde en nu zijn het er ruim 16 miljoen. Dus geen fabeltjes vertellen zoals ‘er zijn nu veel meer mensen, die ouder worden’, want er zijn ook veel meer werkenden die voor die meer ouderen kunnen afdragen.

 

Dit jaar kreeg ik het verheugende nieuws van mijn pensionfonds: “We gaan uw uitkering niet korten, maar u blijft hetzelfde bedrag als in 2016 ontvangen!”

Moet ik dan blij zijn?

Nee, helemaal niet.

Wanneer komen ze eens met het bericht, dat de pensioenuitkering wordt verhoogd of aangepast? Hoe lang gaat het nog duren, voordat mijn maandelijkse loon weer op het oude niveau ligt?

Ik heb een klein rekensommetje gemaakt. Als de indexering over de afgelopen negen jaar wordt verrekend, en ook de kortingen op mijn oudedagsvoorziening terug worden gedraaid, dan moeten er elke maand 25% meer eurootjes binnen komen als nu het geval is!

Houdoe en geen dank!

© Henk M. van Oosterwijk

Een baard

 Als je scheerapparaat kapot gaat, heb je slechts twee opties: een nieuwe kopen of je baard laten groeien.

Nou heb ik een vrouw, die faliekant tegen een baard is. Zeker als die op MIJN gezicht groeit. Desondanks heb ik een aantal jaren zo’n harige aanvulling op het gelaat en onder mijn kin gehad, en gelukkig zonder dat mijn relatie er onder leed. Naar mijn idee had ik echt wel een kop om wat harige versiering op aan te brengen. Maar naar het idee van mijn vrouw was het een vreselijke degradatie van mijn figuur en aanblik. En bovendien vond ze de baard kriebelig en onprettig bij het knuffelen.

 

Ikzelf genoot er van, want tegen dat de winterkoude onze lichamen ging teisteren, liet ik de haren op mijn gezicht vrij groeien. Dat was dan ook een goede gelaatsisolatie tegen de vrieskou naast een stoer uiterlijk!

Ik liet de baard ook steeds in een andere vorm gedijen. Soms beeldde het een uitvinderslijk ringbaardje uit, dat van oor tot oor over mijn kaakrand groeide; dan weer een handelaarsuiterlijk bestaande uit een baard met snor. De oude herbergiersbaard deed ook mee: uitlopende bakkebaarden, die langs beide kaken omhoog klommen tot aan de mondhoeken. Dus met een kale kin en kale bovenlip. Het was ook wel eens een volle kunstenaarsbaard. Ik hield van variatie en je kan er kunstwerken van maken!

Als de lente de winter weer deed wegsmelten, verdween ook mijn baard. Niet vanzelf natuurlijk, maar ik schoor kin en wangen weer geheel glad en het vrouwtje was weer blij!

 

Eén gebeurtenis is me echt bij gebleven.

Als kastelein en vrouw runden wij ruim vijf jaar een café en ook in deze periode groeide er wel eens een baardje aan mijn kin.

Als de dagen langer werden en de temperatuur zomerse vormen aan ging nemen, besloot ik op een zaterdag een experiment te doen. Ik scheerde de ene zijde van baard en snor af en liet de andere zijde goed in tact op mijn gelaat zitten.

Het café zat op zaterdagavond altijd goed vol en ik was aan het werk achter de bar.

De ene keer liet ik de linkerkant van mijn gezicht met baard aan de stamgasten zien, en dan weer draaide ik de rechter glad geschoren zijde naar de klanten toe.

En zie daar: het viel niet op!

Verbazingwekkend was het voor mij, maar men ontdekte niet snel wat er met mijn gezicht en baard was gebeurd!

 

Ik heb het een hele tijd volgehouden, voordat men door had, dat ik half geschoren was. Ook bij de nieuwe binnenkomers probeerde ik het uit met het zelfde resultaat!

Veel gasten keken me, aan de geschoren zijde, vreemd aan met een blik van “wat zie ik toch aan hem”, maar maakten geen opmerkingen. Totdat zij ontdekten, dat ik met een halve baard rond liep!

Alom hilariteit natuurlijk!

 

Zo zie je maar, dat het niet veel uitmaakt hoe je er uit ziet: baard of geen baard, lang haar of kort geknipt, en vul zelf maar verder in …

Het gaat er om, hoe mooi je van binnen bent! 

© Henk M. van Oosterwijk

     

 

                          Vier gezichten van Henk M.

Mijn tasdrager

Het is een uur.

Ik controleer de inhoud van mijn sporttas in voetbaltechnische volgorde: schoenen, zwachtels, scheenbeschermers, kousen met koordjes, zwembroek, keepersbroek en pet tegen de zon. Uiteraard ook zeep en handdoek. Tenslotte handschoenen, gebreid en zonder vingertoppen. Ik gebruik deze alleen bij nat weer, want alle ballen worden in mijn tijd met de blote handen gepakt! Daarom ook de afgeknipte vingertoppen om het gevoel op de bal te houden. Heden ten dage ondenkbaar natuurlijk!

Alles is present en de grote sporttas is goed gevuld. De tas wordt dicht geritst. Ik trek mijn jas aan, pak de sporttas en loop naar de buitendeur.

"Houdoe." Ik steek de hand op naar mijn huisgenoten, die me nog een 'succes' achterna roepen en loop het erf over en de oprit uit.

We wonen in de Laagstraat van het Brabantse dorpje Rijen, een steenworp van de voetbalvelden van de plaatselijke club RAC vandaan. Deze zondag spelen we tegen Rood Wit uit het Haaike, St.Willebrord voor niet-Brabanders.

 

Bij onze uitrit op het trottoir staat een jongen. De handen in de zakken houdt hij onze inrit in de gaten. Als hij me ziet, straalt zijn gezicht en roept tegen mij: 

"Henk, maag ik oew tas draoge?"

Ik kijk hem lachend aan.

"Is die nie nu bietje te zwaor vur jou?"

Hij schudt heftig ontkennend zijn hoofd en neemt zonder verdere toestemming van mij de handvaten van grote tas in zijn handen.

"Ik ben sterk, ik kan um wel draoge. Ik ben al bijna twaolf!" 

Ikzelf tel achttien jaren en sta nu twee seizoenen onder de lat van RAC's hoofdmacht.

De jongen houdt de hengsels met twee handen vast en slingert de tas met zijn linker been bij elke stap naar voren. Het is een stevige jongen voor zijn leeftijd.

"Ik ken jou ergens van," zeg ik tegen hem. "Hoe hitte gij?"

"Huub," zegt het manneke. "Huub Berbers."

"Dan bende gij nu zeun van dieje duivemelker uit de Bernardstraot."

Ik kijk hem vragend aan. Hij knikt bevestigend.

"Ge bent zelfs familie van mijn," ga ik verder. "Jou vaoders opa is un bruur van mijne opa!" 

De jongen kijkt mij verrast aan. Ik zie, dat het dragen van de tas wel zwaar wordt voor de kleine Huub. Hij draagt de tas nu tussen beide benen en probeert me toch met korte snelle pasjes bij te houden. Ik houdt wat in.

"Zal ik de tas wir draoge?"

Ik steek mijn arm uit om mijn voetbalspullen van hem over te nemen, maar hij draait zich van mij af.

"Neije, ik kan um nog makkelijk hebbe. Hij is nie zo zwaor." Weer slingert hij de tas voor zijn schijnbaar sterke linker been en duwt de tas daarmee met grote stappen vooruit.

 

We zijn intussen aangekomen bij ons voetbalveld.

Normaal loop ik via de kantine naar het veld, maar nu kies ik de hoofdingang, waar Frans de Mulder de entreekaartjes staat te verkopen.

"Goeie middag, Frans." Ik knipoog tegen het bestuurslid. "Huub heej mijn tas gedraoge. Die maag zeker wel vur niks naor de wedstrijd kome kijke?"

Zowel Frans als ik weten, dat de jongen jeugdlid is van RAC en dus gratis het sportveld op kan lopen.

"Ja natuurlijk," antwoordt De Mulder lachend, da heetie wel verdiend nao het sjouwe van zo'n zwaore kieperstas!"

Lachend lopen Huub en ik door naar de kleedruimtes, want de jongen staat er op om de sporttas tot het bittere einde te dragen.

"Wa wilde gij laoter worre?" Vraag ik de jongen nog, voordat hij een plaatsje op de tribune gaat opzoeken.

"Da wit ik nie," antwoordt hij peinzend, "mar ik wil wel in het irste van RAC komme!"

 

Zes jaar later maakt Huub Berbers zijn debuut in het hoofdteam van RAC, dat dan in de Tweede Klasse van de KNVB uitkomt. De voetbalclub is intussen verhuisd vanuit de Laagstraat naar sportpark Vijfeiken. Ik verdedig nog steeds het doel. Als linker verdediger is hij bijna niet te passeren en heeft een specialiteit: keiharde afstandsschoten met zijn linker been!

 

© Henk M. van Oosterwijk