Advertentie:

(Klik op de advertentie.)
* * * * * * * * * * * * * * * * * * LEUKE BOEKEN VOOR UW VAKANTIE:. Klik op de boeken voor meer informatie. .

Onze ouders

In een van mijn verhalen vertelde ik u over mijn ouders. Dat ik eigenlijk niet wist hoe ze elkaar hebben leren kennen.

Diepgaand onderzoek (onzin natuurlijk) en gesprekken met mijn broer Wim brachten het volgende verhaal naar boven.

 

Onze pa was een avonturier.

Het was in het jaar 1932, in de crisisjaren voor de Tweede Wereldoorlog, toen hij een paar keer per

week in de nacht bij Strijbeek de grens naar België over fietste om met een paar dozen boter op zijn pakkendrager terug te komen. Opoe kocht voor hem speciaal een racefiets, met verzwaarde pakkendrager natuurlijk, zodat hij toch zeker de douane, die ook op een rijwiel bij de grens patrouilleerden, voor de kunnen blijven.

Dat lukte aardig, maar het ging ook wel eens mis.

Op een avond werd onze pa verrast door twee douaniers, die zich in een droge sloot verschanst hadden.

“Halt!” klonk plotseling in het donker.

Onze vader’s reactie was erg snel. Terwijl de grenswachters uit de sloot kropen, demarreerde hij weg van de twee gewapende mannen, die nog een schot in het donker gaven, onder het roepen van: “Halt of ik schiet!”

Voordat de douaniers hun fietsen uit de sloot hadden, was onze pa al een heel eind weg. Hij verstopte snel de twee dozen boter in de bossen en fietste, uiteraard zonder licht op, met grote snelheid over de bospaden en verstopte zich ergens met racefiets in de struiken. In de verte hoorde hij de grenswachters met elkaar praten, maar die mannen gaven het op en trapten richting kazerne. Pa deed nog een uurtje een klein dutje en besloot daarna de paden te gaan verkennen, of de dienstkloppers toch wel zeker verdwenen waren.

Het bleef rustig en vader laadde de twee dozen boter weer achter op zijn fiets en reed richting Rijen, waar een ongeruste moeder op hem zat te wachten, omdat hij zo lang wegbleef.

Alles was dus goed afgelopen en snel kroop ie in bed om nog een paar uurtjes te slapen. Om zeven uur moest hij weer op de leerlooierij zijn.

Dat was vrijbuiter Kees van Oosterwijk.

 

 

Pa was bevriend met Koos van der Kaa (tot aan zijn dood) en die zegt op een dag: “Kees, ge môt zondag us meegaon naor Oosterhout. Ik heb daor een meiske leren kenne, en die brengt dan haar vriendin mee. Misschien iets voor jou.”

“We zulle wel zien,” was het antwoord van Kees. “Veur jou dan.”

De nieuwe vriendin van Koos zei hetzelfde tegen Mina Sestig, zeventien jaar oud.

“Wie brengt ie meej?” vroeg ze belangstellend.

“Kees van Oosterwijk uit de Rijen,” was het antwoord.

“Kees van Oosterwijk?” reageerde Mina afwijzend. “Die ken ik wel. Mar zônne lullikke vent môt ik  nie!”

Mina werkte namelijk bij Schoenfabriek Klerkx op het Martveld in Rijen en kwam elke dag langs het huisje op de Vijf Eiken gefietst, waar Kees dan in zijn oude kleren of overall aan het werk was.

 “Gao nou mar vur mijn meej,” smeekte de vriendin, “aanders staoj ik daor alleen meej twee venters!”

Dus Mina beloofde mee te gaan.

Het boter smokkelen legde Kees geen windeieren, en die zondag kwam hij met Koos mee in zijn zondagse pak met overhemd, stropdas en onder de omslag van zijn broek een paar blinkend gepoetste schoenen. Zelf was hij ook helemaal gewassen, opgefrist en gekamd. Mina’s mening over Kees draaide meteen honderdtachtig graden om: ze vond hem zelfs knap en met z’n vieren gingen ze dansen. Kees had door zijn smokkelactiviteiten best wat geld op zak om een stevig drankje te kopen, terwijl veel heren droog aan de kant stonden.

 

Koos en zijn vriendinnetje hielden het niet lang met elkaar vol, maar deze eerste dansavond was het begin van een zeven jaar lange verkering tussen ons ma (Mina) en ons pa (Kees).

Moeder Sestig-de Vos had over die lange verkering haar eigen bedenkingen en zei dikwijls tegen haar dochter: “Mina, heej Kees al us over trouwe gepraôt?”

“Neije moeder,” was steeds het antwoord en dan kreeg Mina altijd dezelfde opmerking van haar moeder te horen: “Kees is nun vrijer, mar ginne trouwer!”

 

De verkering telde dus bijna zeven jaren, toen Mina en Kees langs een juwelierszaak in Breda liepen. Mina stond naar de ringen te kijken, toen Kees plotseling zei: “Zoek mar nun trouwring uit.”

Dat was het.

Dat was zijn huwelijksaanzoek. Niks romantiek, recht voor z’n raap. Dat was onze pa.

 

Op 19 oktober 1939, ruim een half jaar voordat de Nazi’s Nederland bezetten, traden ze in het huwelijk in de St. Antonius kerk in Oosterhout. Daar waar ons ma in 1916 was gedoopt en later haar H. Communie deed. Ze kregen twee zonen: Henk en Wim, die beide geboren werden in de Pastoor Gillisstraat 146, het huisje met de Franse kap, dat ze met het trouwen gehuurd hadden. In 1951 verhuisden ze naar de Laagstraat 55, een vrijstaand huis, dat door mijn grootouders gebouwd werd.

In 1989 vierden ze hun Gouden Huwelijk en zeven jaar later stierf onze pa op 83-jarige leeftijd. Moeder bereikte de leeftijd van 96 en had misschien de honderd wel gehaald. De laatste drie jaar van haar leven was ze blind en wilde niet meer verder.

 

Dat waren onze ouders, misschien niet romantisch, maar wel recht door zee en een sterke liefde voor elkaar en hun twee zonen. Ik kan me niet herinneren, nee ik weet het zeker, dat ze de woorden ‘ik hou van je’ nooit tegen ons hebben uitgesproken.

Dat hoefde ook niet; wij wisten het gewoon.

© Henk M. van Oosterwijk