Advertentie:

(Klik op de advertentie.)
* * * * * * * * * * * * * * * * * * LEUKE BOEKEN VOOR UW VAKANTIE:. Klik op de boeken voor meer informatie. .

Onze huiskrekel

 

Het gebeurt in het jaar 2004.

Het is de maand oktober en het vaarseizoen zit erop voor Riet en mij. De boot is ‘winterklaar’ gemaakt en onze rubberboot hebben we laten leeglopen, ingepakt en opgeslagen in onze logeerkamer. Helaas is onze berging, die bij het appartementje hoort, te klein om hem te herbergen.

We kunnen de winter in.

 

Op een nacht word ik wakker van een vreemd geluid. Ik richt me op in bed om beter te kunnen luisteren. Het is een korte, trillende en piepende toon, die uit de gang vandaan komt. Het lijkt wel de roep van een krekel.

“Dat zou kunnen,” denk ik in mezelf. “Het wordt wat kouder buiten en die beestjes zoeken warmte op.”

Ik laat me uit bed glijden (een bejaarden bed is vrij hoog, weet je) en loop voorzichtig – om het beestje niet weg te jagen - naar de gang.

Het geluid is weg.

Zou ik toch te rumoerig zijn geweest?

Ik draai me om en wil de slaapkamer weer in lopen, als de krekel zich opnieuw laat horen.

“Rrrrriee, rrrrriee.”

Komt de roep nu uit de logeerkamer?

Op mijn tenen sluip ik die kamer in, maar het diertje heeft me blijkbaar in de smiezen en laat zich niet meer horen.

Teleurgesteld zoek ik mijn bed weer op en trek het dekbed over me heen.

“Wè bende ammel aon’t spoke?”

Riet is wakker geworden van mijn zoektocht en draait zich naar me toe.

“Ik hôr nun krekel in huis, mar kan ‘m nie veine,” antwoord ik. “Hedde gij ‘m nie gehôrd?”

“Ikke nie.” Riet draait zich om en even later ligt ze te snurken.

Nee, natuurlijk heeft ze dat trillende geluidje niet gehoord: haar linkeroor is stokdoof en haar rechter, daar slaapt ze op! Bovendien heeft ze haar gehoorapparaten ’s nachts niet in.

Ik hoor de krekel nog een paar keer roepen, maar dwing mezelf in slaap te vallen.

 

Deze scène herhaalt zich nog enkele nachten en onze huiskrekel begint voor mij een obsessie te worden.

Voor ik naar bed ga, loop ik al een paar keer de gang in om te luisteren of onze huisvriend al wakker is. Meestal hoor ik niets. Maar steeds, als we te bed zijn gegaan en ik in slaap wil vallen, begint die krekel aan zijn concert.

“Rrrrriee, rrrrriee, rrrrriee, rrrrriee!”

Ik zoek elk begin van de nacht alle ruimten door, om het krekeltje te ontdekken. De badkamer, het washok, de toiletruimte en de logeerkamer. Het beesje is echter heel slim. Als ik hem (of haar) hoor roepen, trippel ik bijvoorbeeld voorzichtig naar het washok en blijf gespannen staan luisteren.

Maar dan houdt hij zich stil!

Dat rotbeest is slimmer dan ik dacht.

 

Na de vijfde nacht bedenk ik me plots iets: de rubberboot!

Bij het inpakken van de boot in de haven is het diertje natuurlijk in de boot gekropen en hebben we het meegenomen naar ons appartementje.

“Rietje,” zeg ik tegen mijn vrouw, “schuif de meubels in de kaomer aon de kaant, dan sjouw ik de rubberboot hiernaortoe en rolle we ‘m uit. Ik mot en zal die krekel veine!”

Ik sleep de toch nogal zware boot over de betegelde vloer de logeerkamer uit en door de gang de woonkamer in, waar Riet intussen ruimte heeft gemaakt. We pakken samen de boot uit.

“Goed oplette, dè ge da bist van de boôt ziet springe,” waarschuw ik mijn vrouw. Voorzichtig rollen we de rubberboot uit, kijken in alle hoekjes en gaatjes maar ontdekken geen krekel.

Als de boot weer opgerold en ingepakt is, breng ik hem weer naar de logeerkamer. Daarna laat ik me met een plof in mijn zorgstoel vallen. Ik ben doodop van dit karwei en Riet natuurlijk ook.

“Ge bekijkt het vôrtaon mar meej oewe krekel,” zegt ze zuchtend. “Ik doei nimmer meej!”

 

Diezelfde avond zit ik in de logeerkamer te werken op mijn computer, als ik de krekel weer hoor. Nu echter kan ik vrij precies de plaats van het geluid bepalen. Ik loop zachtjes naar de boekenkast en hoor opnieuw de roep: “rrrriee, rrriee.”

De trillende klanktoon komt uit een doosje!

Ik wacht even in spanning.

Als het timbre weer uit het doosje klinkt, til ik snel de deksel eraf en houd mijn hand op de opening. Gespannen kijk ik door mijn vingers heen of ik de krekel kan ontdekken.

Niets.

Voorzichtig schuif ik mijn hand van het doosje af, til het ronde ding eruit, maar krijg mijn aartsvijand niet te zien.

Teleurgesteld zet ik het vermeende krekelhuis weer terug.

“Rrrrriee, rrrrriee,” klinkt uit de doos.

Ik snap er niets meer van, pak de doos en haal het apparaatje eruit. Het is een rookmelder! Dat ding heb ik anderhalf jaar geleden gekregen van zoon Raymond. We hebben het toen nog uitgeprobeerd.

Maar in dat doosje kan toch geen rook gekomen zijn?

Ik pak de gebruiksaanwijzing en lees uiteindelijk:

‘Als de batterij bijna leeg is, hoor je een trillerig piepend geluid!”

Die batterij heb ik erin laten zitten!

Daar heb ik nou vijf dagen lang mijn huis voor over hoop gehaald!

 

© Henk M. van Oosterwijk