Advertentie:

(Klik op de advertentie.)
* * * * * * * * * * * * * * * * * * LEUKE BOEKEN VOOR UW VAKANTIE:. Klik op de boeken voor meer informatie. .

De dood bestaat niet

 

De dood bestaat niet.

Als ervaringsdeskundige kan ik u er alles van vertellen en dat ga ik hier ook doen.

 

Ik ga terug naar begin september 2016, als Riet net gehoord heeft, dat ze aan longkanker lijdt. We zitten samen bij de longarts/oncoloog, die ons op een monitor toont, hoe ver de kanker zich al in beide longen heeft gevestigd.

Het is een schok voor Riet en mij.

Na een korte stilte stelt Riet haar enige vraag: ”Hoe lang heb ik nog dokter?”

De arts wacht even met het antwoord. Ze kijkt Riet aan.

“We kunnen het nooit exact zeggen. Twee maanden, een half jaar, misschien een jaar.” Ze kijkt ook mij aan.

“Maar er is toch wel iets tegen te doen,” stel ik optimistisch. “Opereren, bestralen, chemo. Er genezen toch mensen.”

De dokter knikt.

“We gaan er natuurlijk van alles aan proberen om het leven te verlengen. Opereren gaat niet meer; bestraling zal niet helpen. Alleen een chemokuur kan werken.” Ze kijkt even van de een naar de ander. Wij reageren niet.

“Tenslotte is er ook nog een nieuw middel: de immuuntherapie. Maar we gaan eerst chemotherapie toepassen, kijken hoe je hierop reageert.”

Even later lopen Riet en ik het ziekenhuis uit. Mijn vrouw wil niet in een rolstoel en gaat zelf lopen.

“Om conditie op te doen,” legt ze uit, maar een paar keer moet ze stoppen en op een bankje gaan zitten, want de parkeergarage is eigenlijk te ver voor haar. We wandelen stil naast elkaar, ieder met eigen gedachten.

Twee maanden, één jaar? Dat kan toch niet! Riet is pas drieënzeventig. We kunnen nog zoveel jaren samen genieten. Nee, voor mij is de dood ver weg! Dat bestaat niet!

 

Ruim drie weken na de verschrikkelijke mededeling krijgt Riet haar eerste chemo.

Onvoorstelbaar. Vijf, zes mensen, allen ouderen, zitten daar via een infuus verbonden aan een zak vloeistof, die langzaam hun bloedaderen vult met het giftige spul.

Er wordt echter volop gelachen, gepraat, moppen vertelt en koffie of theegedronken. Mensen, die eigenlijk de dood in de ogen moeten hebben, maar die optimisme uitstralen. Kankerpatiënten, die nog een tijdje verder willen leven. Zelf geloof ik ook niet meer aan de dood. Dit overkomt ons niet.

Vrolijk gaan we naar huis; over zes weken de tweede van de vier kuren.

 

Drie weken later is de toestand echter weer heel anders. We hebben met goedvinden van de oncologen voor een midweek een huisje gehuurd nabij Emmen en trekken daar met kinderen en kleinkinderen vijf dagen in. We bezoeken de omgeving, gaan pijl en boog schieten en de diertuin in Emmen bekijken. We hebben veel plezier samen.

Riet zit wel in een rolstoel, voorzien van een fles zuurstof. Zonder dat levens voedende gas, zo belangrijk voor hersenen en organen, kan ze niet. We kunnen er zelfs om lachen, als Riet het in de dierentuin benauwd krijgt en dan blijkt, dat ik de zuurstofkraan niet opengedraaid heb bij het overstappen van auto naar rolstoel.

“Hè’k echt nie expres gedaon,” verontschuldig ik me lachend.

Wie denkt er nog aan de dood?

 

Het geluk duurt echter slechts tot de nacht van woensdag op donderdag. Zo rond vier uur word ik wakker van het woelen van Riet. Ze is erg warm en ik neem meteen haar temperatuur op.

Negenendertig gaden. Koorts dus.

Ik bel onmiddellijk de oncoloog in Breda, die dag en nacht bereikbaar is. Ik moet meteen met Riet naar het ziekenhuis in Emmen.

Als we daar aankomen bij de ‘spoedeisende hulp’ is het team al gewaarschuwd. De verpleger neemt nog snel even bloeddruk en temperatuur op.

Koorts van 41,8 graden!

In een oogwenk is Riet op een brancard verdwenen. Ongerust drinken schoonzoon Bart en ik de aangeboden koffie.

Wat nu? Is dit het einde? Dat kan toch niet; het was zo gezellig met de familie.

Na een onrustig uurtje mogen we bij Riet.

Ze hebben haar weer opgekalefaterd.

“De koorts is al flink gedaald,” legt een longarts uit. “Ze moet wel hier blijven tot de temperatuur nog wat gedaald is. Meer kunnen we niet voor haar doen.”

Dat is donderdag morgen.

Op vrijdag hoort Riet, dat er vervoer geregeld wordt en diezelfde dag wordt ze per ambulance naar Breda vervoerd.

 

De tweede chemokuur, die zes weken na de eerste zou worden uitgevoerd, wordt uitgesteld. In november komt ze toch voor de tweede maal aan het infuus te liggen en ook nu wordt ze na drie weken doodsziek. De doctoren besluiten haar geen kuren meer te geven.

In de eerste week van januari 2017 zitten we samen weer bij de longarts/oncoloog.

Het gaat goed met Riet. We krijgen te horen, dat de kanker niet verder gegroeid is.

Er is weer hoop.

Zie je wel: de dood is weer ver af. Er is weer hoop!

De dokter probeert ons uit te leggen, dat het grootste deel van de twee longen verkankerd is en dat het toch aan te raden is rustig aan te doen, maar die mededeling dringt niet helemaal tot ons door. De kanker is gestopt! De twee chemokuren hebben toch hun werk gedaan! Dat idee juicht in onze hersenen.

Opgelucht en gelukkig gaan we nar huis.

De dood is weer ver weg.

 

Het jaar 2017 wordt echter een tijd van liggen en opstaan. Viermaal moet de ambulance uitrukken en wordt Riet in het ziekenhuis opgenomen, weer opgeknapt en na enkele dagen weer naar huis gestuurd.

De laatste keer is op 12 juni 2017.

Zowel het personeel van unit 28 (spoed) als unit 56 (longafdeling) komen een voor een afscheid nemen van Riet: zij zal niet meer opgenomen worden!

Ik weet het: het einde nadert.

Maar dat kan toch niet!

De immuun kuur dan? Is dat geen uitweg?

 

Ondanks dat je verstand aan de dood denkt, verdringt het leven en de liefde alle gedachten aan dat einde. De dood bestaat niet.

Drie maanden later op dinsdagochtend om vier uur geef ik Riet haar pillen en leid ik ze naar het toilet. Op de terugweg naar haar bed, dat in de woonkamer tien stappen verwijderd van de wc staat, zegt Riet tegen mij:

‘Henk, ik kan niet meer.”

Ik wil haar terug dragen naar haar slaapplaats, maar ze is te zwaar voor mij. Samen komen we voetje voor voetje bij het bed en ik leg haar tussen de lakens.

“Ge ligt nie goed, Riet, zal ik oe wa verleggen?’

Ik kijk haar vragend aan.

“Là me zo mar ligge. ’t Is goed, Henk.”

Het zijn haar laatste woorden. Ze valt in een diepe slaap en wordt niet meer wakker. Anderhalve dag later overlijdt ze.

 

Nu is het bijna zeventien maanden later en het went niet zonder Riet.

Ze is niet dood.

Als ik ’s nachts wakker wordt om naar het toilet te gaan, stap ik automatisch voorzichtig uit bed om haar niet wakker te maken.

Ook automatisch voel ik ’s morgens bij het opstaan of ze naast me ligt.

Als ik op de biljartclub een biertje bestel, hoor ik haar een beetje verwijtend zeggen: “Henk, ge mot nog rije.”

“Twee mag ik er hebbe,” antwoord ik in gedachte. Toch neem ik drie tapkes. Dat zijn toch twee flesjes?

’s Avonds bij het tv-kijken reageer ik op een situatie in een film en kijk als vanzelf naar haar stoel.

Ook heb ik mijn mindere dagen; mijn jankdagen, noem ik ze. Het gebeurt, dat ’s avonds plotseling mijn gemoed vol schiet. De tranen rollen dan rijkelijk over mijn wangen. Ik kijk naar haar grote foto. Haar stralende lach en fonkelende ogen kijken mij dan geruststellend aan en lijken te zeggen: “Laat je mar lekker gaon, Henkie. ’t Is goed zo.”

Dat geeft me rust, maar de tranenvloed wordt niet meteen gestopt. Waren de eerste tranen van boosheid, daarna vloeien ze voor zoete herinneringen. Langzaam droogt mijn gezicht op; Riet heeft me weer rustig gemaakt.

Riet is niet dood.

De dood bestaat niet.

Riet leeft!

  

© Henk M. van Oosterwijk