Advertentie:

Klik op de advertentie. Advertentie plaatsen: mail hevanoos@ziggo.nl
* * * * * * * * * * * * * * * * * * LEUKE BOEKEN VOOR U: Klik op de boeken voor meer informatie. .

Uit het boek: Ik voel me klote

Zijn eerste val

Het is maandag 23 februari 2009, de tijd dat carnaval van zaterdag tot en met dinsdag in Geertruidenberg wordt gevierd. In heel het zuiden van ons land trouwens.

“Ik voel me klote,”zeg Bas voor de tigste keer tegen mij. Hij heeft opnieuw allerlei klachten, voelt zich ziek en heeft hoge koorts. Zelf denken we aan een soort griep. Daarom belt hij zijn huisarts op.

“Blijf maar lekker thuis en rust uit,” is het antwoord van de dokter, “Het zal wel een griep wezen.”

Als ik een dag erna, op carnavalsdinsdag, naar mijn werk in Dordrecht vertrek, ligt Bas erg ziek op de bank.

Als ik net uit een ‘briefing’ kom, gaat mijn telefoon. Gelukkig maar, want tijdens deze samenkomst mogen we geen telefoongesprekken aannemen. Een geluk bij een ongeluk. Als ik op neem, heb ik Bas aan de lijn.

"ik heb pijn op mijn borst", hoor ik hem zeggen en meteen valt zijn stem weg.

 Ik roep door de telefoon: “probeer de voordeur open te doen, dan ga ik 112 bellen. De voordeur opendoen!”

Wetende, dat er echt iets aan de hand is, want Bas is niet zo flauw uitgevallen, bel ik snel de hulpdiensten.

“Hij heeft pijn op zijn borst,” deel ik hen mee, “en ik heb hem gevraagd de voordeur open te maken. “Zijn stem viel daarna weg en ik weet niet, of hij de deur nog geopend heeft!”

Ik moet snel weer de verbinding verbreken. Er wordt voor gezorgd, dat de broeders op de ambulance, die naar ons huis zijn gestuurd, zo snel mogelijk telefonisch contact met mij opnemen, als ze daar zijn gearriveerd.

Kort daarna word ik door een van de broeders gebeld en ik hoor hem zeggen:"Meneer heeft de voordeur opengedaan en wij kunnen naar binnen".

Wat ben ik blij, dat Bas mijn oproep nog gehoord heeft, waardoor de eerste hulp bij ons binnen kan komen en zij Bas naar de Spoedeisende Hulp in het ziekenhuis te Breda kunnen brengen.

Ik meld me intussen snel bij mijn leidinggevende en leg de situatie uit. Hij geeft mij toestemming om naar Bas toe te gaan. Een collega wil mij naar het Bredase ziekenhuis brengen, maar ik vraag hem me af te zetten bij de parkeerplaats Weeskinderendijk, waar mijn Suzuki SX4 geparkeerd staat. Zelf rijd ik daarna zo snel mogelijk naar Breda.

 

In het ziekenhuis aangekomen hoor ik, wat er waarschijnlijk gebeurd is.

Bas is op de salontafel gevallen, is misschien even buiten bewustzijn geweest en heeft mij gebeld. Daarna is hij naar de voordeur gestrompeld. Daar hebben de ambulance-broeders hem gevonden. Hij heeft enkele ribfracturen en er wordt longontsteking bij hem geconstateerd. Bas verblijft hierna drie weken in het ziekenhuis op de longafdeling. Ook noteert men, dat Bas op afstand dubbelziet en bovendien werken zijn nieren niet goed. Hij kan ook niet plassen.

Die avond rond zeven uur voelt Bas zich al iets beter en hij krijgt, staande, een onderzoekje. Dat valt slecht, want daarna krijgt hij veel pijn en wordt suffer. De neuroloog wordt gewaarschuwd en komt langs. Die constateert links en rechts verschil in bloeddruk en vertelt, dat er afwijkingen in de bloedvaten kunnen zijn. De neuroloog regelt een onmiddelijke een heen en retour rit per ambulance naar een ander ziekenhuis in Breda voor een onderzoek naar zijn halsslagaders.

Ook wordt een CT-scan aangevraagd voor zijn hersenen

Pas als mijn man terug is op zijn eigen kamer word ik gebeld. Er zijn dan nog geen uitslagen van de onderzoeken.

Hij kan rond tien uur ’s avonds nog steeds niet plassen en krijgt een katheter voor de urine afloop.

Rond middernacht voelt Bas zich redelijk, volgens eigen zeggen, maar ligt toch wat gespannen in bed. Hij heeft pijn, maar die is uit te houden. De koorts is weg.

De pijn wordt in de loop van de nanacht echter heviger en de paracetamol werkt onvoldoende. In overleg met de dienstdoende arts krijgt Bas diclofenac toegediend, een ontstekingsremmer en pijnstiller, en valt hiermee in slaap.

Op de CT-scan van de longen is geen embolie (verstopping slagader) te zien.

Om twaalfuur bij het middageten komt Bas weer uit bed en oogt veel beter dan de dag ervoor. Hij verorbert zijn eten zittend op een stoel aan tafel. Hij ziet dan niet meer dubbel en voelt zich niet meer zo paniekerig. Hij krijgt pilletjes om zijn bloedddruk te verlagen.

 

Dit waren de eerste twee dagen van zijn ziekenhuisopname en Bas zal drieentwintig etmalen in het ziekenhuis blijven. Hij krijgt in die periode allerlei onderzoeken. Hij heeft pijn aan zijn linker borstkas, klaagt steeds over benauwdheid en krijgt daarvoor ook zuurstof. Soms roept hij in paniek om de zuster, omdat hij geen lucht krijgt en dan passen ze verneveling toe, waardoor hij weer wat opknapt.

Hij zweet dikwijls flink, maar heeft dan slechts een temperatuur van 35,5 graden. Daarbij heeft hij steeds last van brandend maagzuur. Tijdens deze opname is hij op 6 maart al acht kilo afgevallen.

Bas krijgt ook spontaan een bloedneus, heeft hoofd- en nekpijn en is suf en vergeetachtig.  

Als zijn zusters Annebert en Tonny uit Den Haag op visite komen, herkent hij ze niet. Wij, familie en vrienden, merken gewoon aan alles, dat er ook iets met zijn geheugen niet goed is.

 

 

Hij is tijdens zijn opname in het ziekenhuis in consult gezien door een neuroloog, terwijl hij op de afdeling longziekten ligt. Dan is hij al een week grieperig en moet steeds braken. Hij klaagt er ook over, dat ie dubbelziet, als hij in de verte kijkt.

Uit het neurologisch onderzoek blijkt echter, dat er geen afwijkingen zijn. Er is een CT-scan van zijn hersenen gemaakt en een Duplex Carotiden, waarbij bloedvaten in beeld gebracht worden zoals bij echografie. Een ECG  om zijn hartrythme te controleren.

Uiteindelijke conclusie van al deze onderzoeken: men stelt, dat er te weinig aanwijzingen zijn voor een onderliggend neurologisch lijden. Een vasovagale collaps (flauwvallen, een kortdurende vanzelf-overgaande bewusteloosheid, veroorzaakt door verminderd bloedtoevoer naar de hersen) lijkt het meest voor de hand liggend. We hebben een beetje het gevoel, alsof we niet serieus genomen worden en dat gevoel zal nog dikwijls terugkeren.

Bas kan intussen weer lopen en goed plassen. Hij is redelijk opgeknapt. Op dinsdag 17 maart 2009 wordt Bas ontslagen uit het ziekenhuis, hoewel hij die nacht slecht geslapen heeft door pijn in de heup. Er wordt geen controleafspraak gemaakt.

 

Opmerking:

Achteraf gezien is het te betreuren en ongelooflijk, dat de doctoren de diagnose q-koorts hier gemist hebben, anders zou hij nog een goede kans op herstel gehad hebben. De symptonen heeft hij wel, zoals koorts, hoofdpijn, hoesten, koude rillingen, 's nachts zweten, spierpijn en gewrichtspijn. Ze waren in deze periode al bekend, want de eerste Q-koorts patiënten werden in 2007 ontdekt. 

Pas later komt men erachter, dat Bas bloedingen in zijn hoofd heeft zitten, voortgekomen voor of door zijn val op 24 februari. Of misschien is zijn val veroorzaakt door die bloedingen. Om dat te ontdekken, moet hij nog een aantal keren naar de huisarts en het ziekenhuis.

 

Henk 's Leeshoek

Op deze pagina waargebeurde verhalen, gedichten en commentaren, geschreven door Henk M. van Oosterwijk, in de data volgorde:

17-06-2021: Zijn eerste val  (uit: Ik voel me klote)

10-03-2021:  Alleen (uit: Omnibus)

13-12-2020:  Oorlogskinderen

10-11-2020:  Ik ben geen stuiver waard

02-11-2020:  Roestbak

26-10-2020:  't Electrisch geisertje

22-10-2020:  Gevallen

19-10-2020:  Onze Ouders

16-10-2020:  Guus (Uit het boek: Stamgasten van café D'n Ever

09-10-2020:  Ik wil ome Frans! (Uit het boek: De dood als vijand?)

28-09-2020: Voel me enaaid

17-09-2020:  Bier, whisky en . . . .

09-09-2020:  Eigenwijs is ook wijs

14-06-2020:  De rubberboot

09-05-2020:  Het boek voor Moeder en Dochter

16-04-2020:  Oud

26-03-2020:  Hoe kom ik op teevee?

15-03-2020:  Goede daad in Oertijd

19-02-2020: Thee drinken

31-01-2020:  Het achterlicht (Uit het boek: Mijn jeugdherinneringen)

02-10-2019:  Wat is geluk?

20-09-2019:  Oos ma zeej aaltij

26-06-2019: Lasse baste, pa!

11-05-2019:  Bij de Marine (Uit het boek: Mijn jeugdherinneringen)

26-04-2019:  Persberichten

19-04-2019:  Acrobatiek

25-03-2019:  Hondenbeet

04-02-2019:  't Plekkie van het Lege Bekkie (Uit het boek: De spuigaten uit)

30-01-2019:  Olympisch Goud op de Rije

20-01-2019:  Onze huiskrekel

 

Voor boeken van Henk M. van Oosterwijk: klik links boven op Henk M. van Oosterwijk.

Zie verder ook: www.facebook.com/Henksleeshoek

 

 

Uit 'De dood als vijand?': Alleen

Op de vijfde dag na het bezoek aan de oncoloog, die ons meedeelde dat de kanker niet meer actief was bij Riet, staat opnieuw de ambulance voor onze deur. Het is de dag na Pinksteren. Een zoveelste dubbele longontsteking heeft een aanval op Riet gedaan en ’s morgens om zeven uur maakt zij me weer wakker. Ze heeft het opnieuw erg benauwd en dat geeft een gevoel van stikken.

Het is intussen routine voor mij geworden. Ik heb een klein apparaatje aangeschaft, dat haar zuurstofgehalte en de hartslag aangeeft. Ik hoef het alleen op haar middelvinger te klemmen. Dan 112 bellen, binnen acht minuten staat er de ziekenwagen en wordt zij overgebracht naar Amphia Breda. Dan stap ik in de auto met het klaarstaande koffertje, rijdt naar Breda en wacht drie à vier uur in de behandelkamer naast haar bed op de ‘Spoedeisende Hulp’ voordat er een uitslag komt.

Weer longontsteking dus, weer een opname, die deze keer zeven dagen duurt. De eerste dagen ligt Riet er slecht bij, maar langzaam herstelt ze weer, opgepept door antibiotica en Prednison.

 

Daar sta ik. In de keuken.

Mijn handen gebald, rustend op de rand van het aanrecht. Tranen stromen over mijn gezicht naar mijn kin.

Machteloos staar ik naar de wok met nasi, die opgewarmd moet worden.

De wildste gedachten schieten door mijn hoofd.

Het kan niet! Het mag niet!

Maar toch: mijn vrouw heeft longkanker. Ongeneeslijk ziek! Niet meer te genezen. 

Alleen het gevecht blijft over. De strijd tegen de dood. De worsteling om tijd te winnen. Weken, maanden, jaren. Hoeveel? Hoe lang?

Geen mens weet het. Onzekerheid blijft.

De chemo doet een extra aanslag op het lichaam van Riet. Ze wordt gesloopt.

Maar ze vecht terug.

De aanslag op haar afweersysteem wordt in het ziekenhuis afgeslagen, met hulp van antibiotica, Prednison en een zak bloedplaatjes. Ze krabbelt overeind, wordt sterker.

En ik?

Ik sta hier machteloos, gebalde vuisten, de bak nasi voor me, voor mezelf, om op te warmen.

Ik moet eten. Ik moet sterk blijven.

Ik moet Riet ondersteunen met tijd winnen.

 

Ik zit die avond thuis in mijn fauteuil na een lang bezoek aan het ziekenhuis, met de hap nasi. Ik kan altijd bij Riet terecht en mag zolang blijven als ik wil. Maar aan het eind van de middag ga ik meestal naar huis om mijn potje eten te bereiden. De kinderen komen ’s avonds op bezoek. Overdag moeten ze werken.

Het is zaterdagavond, 10 juni 2017.

Over acht dagen zal ik vierenzeventig worden.

Na het eten zit ik alleen, te kijken naar een (heel) oude detective: ‘Death in Paradise’. Het is een simpele politieserie, maar dat heb ik nodig. Kijken, niet hoeven nadenken, alleen volgen.  Ik moet ontspannen.

Soms komen er komische scenes. Ik glimlach en kijk automatisch naar links om mijn kleine genot te delen. Maar de stoel is leeg.

Riet ligt hier tien kilometer vandaan in het ziekenhuis. Dat besef ik wel, maar steeds kijk ik naar die lege stoel.

“Ik wil nu sterker thuiskomen dan de vorige keer,” vertelde ze me in het ziekenhuis. Gelijk heeft ze. Er zitten nu welgeteld tien dagen tussen het ontslag uit het ziekenhuis en weer opgenomen worden. Hier zijn we niet blij mee.

 

Pas een week geleden kregen we de heuglijke melding, dat haar longkanker nog steeds stil staat. Het slaapt, werkt niet, staat stil, blijft even groot. Er is zelfs een heel klein vlekje verdwenen.

Blijheid en nieuwe plannen gingen door ons hoofd. Plannen om weer ‘iets’ te gaan doen. Mensen bezoeken, met de boot varen. De komende weken, de komende maanden. Het mocht nog niet zo zijn: opnieuw diende een longontsteking zich aan en alweer kwam mijn vrouw via spoedeisende hulp op een bed van de longafdeling terecht. Ze is al jaren COPD-patiënt (longziekte), maar het lijkt erop dat de chemokuren, die ze heeft ondergaan, weliswaar de kanker een halt hebben toegeroepen, maar ook haar weerstand tegen bacteriën en virussen doet verzwakken.

We moeten afwachten, steeds maar wachten.

 

Ik zit weer met mijn volle aandacht naar het opsporingsverhaal op de teevee te kijken.

“Da kan toch nie!” is weer mijn reactie hardop en opnieuw draait mijn hoofd onbewust naar links.

De stoel is natuurlijk leeg, Riet ligt hier ver vandaan te rusten.

Het is eigenlijk niet leuk, alleen teevee kijken. Ik kan mijn emoties en gedachten niet delen. De lach of het ongeloof, de vermoedens of conclusies; niemand is er om mij aan te horen en reactie te geven. Het is niet fijn op deze manier een tv-serie te volgen.

 

Ik voel me niet zielig, maar ik begrijp nu de eenzaamheid van mensen beter dan ooit. Ik snap dat vele alleenstaanden, oud of jong, hun isolement beleven als een machteloos feit. Het overkomt je; je leeft er mee, je doet er niets aan.

Je kunt een weg zoeken om uit de eenzaamheid te ontsnappen. Zoek die en ga iets doen! Gemakkelijk gezegd.

Gelukkig houd ik me vast aan de geneeskunde en heb ik nog perspectief: mijn Riet zal terug keren in haar stoel.

Dan gaan we dingen doen, plannen maken, samen teevee kijken. Plezier in het leven hebben en delen!

 

Maar het zal anders aflopen.

Op 12 juni mag ze ’s middags weer mee naar huis.

Met lood in mijn schoenen duw ik de rolstoel van Riet vooruit naar de parkeergarage. Ik kan het nog niet helemaal bevatten.

Zowel het personeel van unit 28 (spoed) als unit 56 (longafdeling) kwamen één voor één afscheid nemen van Riet: zij zal niet meer opgenomen worden! Het is de laatste keer, dat ze op een ziekenhuisbed gelegen heeft.

Het dringt nu tot mij door: het einde nadert.

Maar dat kan toch niet! De immuun kuur dan? Is dat geen uitweg?

Ondanks dat je verstand aan de dood denkt, verdringt het leven en de liefde alle gedachten aan een mogelijk einde. De dood bestaat niet.

Het kan niet waar zijn. De longkanker is niet meer actief.

Riet zal nog wel een hele tijd bij me zijn.

Ze houdt onze vijand op afstand; ze verslaat de dood.

Ik twijfel weer even.

Nee, ik weet het zeker.

 

Mijn gedachten dwalen weg naar een moeder eend, die voor haar jongen gestorven is.

Maar waarom moet Riet sterven?

Daar is toch geen rede voor? We kunnen toch nog jaren samen genieten van het leven?

 

 Henk M. van Oosterwijk.

Oorlogskinderen

(1e hoofdstuk uit mijn boek 'Op de wereld gezet Omnibus, ISBN nr. 978.90.820203.7.3, het complete leven van mijn vrouw, Riet Stoops. Twee boeken in één, 295 blz.)
 
Op de 19e november 1942, een donkere donderdag tijdens de Tweede Wereldoorlog, wordt Riet in Rotterdam-Zuid, tijdens een bomalarm in de St. Franciscus van Assisi kerk geboren als Maria Elisabeth Stoops. Later moet ik dikwijls van haar horen, als ik opmerk dat ze de deur heeft open laten staan: “Ik ben toch in de kerk geboren!”
In de Goede Hoopstraat op nummer 17a is zij het achtste kind van Elizabertus (Bertus) Stoops en Johanna (Annie) Elizabeth Zwijnenburg.
Ondanks dat er grote armoede is in het gezin en twee jaar na de geboorte van Riet de hongerwinter hard toeslaat, gaat de geboorte van kinderen – ook tot vijf jaar na de oorlog - gewoon door en krijgt het echtpaar dertien kinderen! Een onstabiele moeder, toch met goede trekken, die haar kroost veel alleen laat met de smoes “ik ben vader zoeken”, en een besluiteloze vader, geven hun kinderen geen opvoeding, maar ontwikkelt de gehele kroost zichzelf. Pa Stoops wordt aangetrokken door een oorlogsweduwe met twee kinderen en een patatzaak. Hij komt daardoor ook niet zoveel thuis. Eigenlijk alleen maar om nog kinderen te verwekken, waarmee hij tot 1950 doorgaat, terwijl hij in die periode bij zijn frietvrouw ook nog twee kinderen krijgt.
In de Goede Hoopstraat gaat het leven wonderwel gewoon door. Zonder hun ouders voeden de meisjes en jongens zichzelf op. De ouderen verzorgen de jongsten. Er ontstaat een vreemde hechte band tussen hen. Zij vechten voor elkaar en vormen zo hun eigen karakters.
Als het gezin na de oorlog door de Rotterdamse Kinderbescherming uiteen wordt gerukt, blijft die band bestaan, maar wel erg lang uitgerekt. De Stoopjes begrijpen het niet. Ze kunnen toch gewoon in het huis blijven wonen en voor zichzelf zorgen? De Rotterdamse Kinderbescherming denkt daar anders over. De kinderen worden verspreid over Nederland en ieder krijgt een eigen leven.
Trouwerijen worden de reünies van de familie, waarbij zo af en toe moeder of vader Stoops opduiken. Met een raar gevoel in de maag worden dan handen geschud, omdat niemand goed weet, hoe met deze situatie om te gaan. Ook omdat er kinderen Stoops bij zijn, die vader of moeder nog nooit gezien hebben of hen niet meer herinneren.
Bij dit weerzien worden tussen broers en zussen afspraken gemaakt en praat men elkaar een beetje bij.
Na het feest gaat iedereen weer terug naar zijn of haar eigen wereld. De familieband is wel erg ver uitgerekt, maar hij is er!
Twee dingen hebben de kinderen Stoops gemeen: humor en koppigheid.
Met humor vertellen zij hun verhalen. Verdoezelen daarmee een beetje hun gevoelens van teleurstelling, boosheid en verdriet. Met die humor zoeken zij liefde en gehechtheid, die ze missen. Er ontbreekt bij hen een echt en hecht gezinsleven in hun jeugd.
Met humor overbruggen ze hun problemen en proberen ze ook hun huidige ellende te minimaliseren. Met humor blijven ze op de been.
En koppigheid?
Het is een goed wapen tegen de harde wereld, waarin ze leven. Maar ook een nadeel in het onderhouden van relaties. Ze denken steeds maar te moeten vechten tegen onrecht en dat sloopt de mens. Die koppigheid doet hen echter wel overleven in de Hongerwinter van 1944/45.
Riet ontpopt zich als een kind, dat in een eigen wereld leeft. Ze leert gedwee luisteren naar de commando’s van anderen, maar zoekt toch haar eigen weg in haar nog jonge leven.
Henk M. van Oosterwijk
 
Wilt u het boek verder lezen en bestellen? Klik dan op:  Omnibus

Ik ben geen stuiver waard

Het carnavals seizoen begint bij de Elfde van de Elfde, maar helaas zal er carnaval zijn in dit seizoen 2020/2021 vanwege Convis-19. Toch wil ik u vertellen over mijn ervaringen in de Rijense Carnaval Stichting.

 

November 1967 word ik gevraagd: “Heb je geen zin om als reserve bij de Raad van Elf te komen?”

De RCS was net daarvoor opgericht en het Elfde van de Elfde bal had ik lijfelijk meegemaakt. En ja, ik ben een feestbeest, alhoewel je als Raadslid in het gevolg van toen Prins Sooi dun Irste (Jan Adriaansen) niet dronken rond kon lopen.

Na overleg met mijn vrouw Riet meld ik me aan. Nou houdt Riet niet zo van feestjes. In de aanloop naar een feest of evenement is ze er erg negatief over, maar als ze eenmaal tussen het feestgedruis zit, dan gaat ze meestal helemaal uit haar dak.

Dat eerste jaar loop ik mee als reserve van de Raad, maar moet toch al diverse keren invallen voor zieken of verhinderden.

 

Het Raadslid schap bestaat niet alleen uit feesten bezoeken. Ik word toegevoegd aan de technische commissie, die de Prinsenwagen moet bouwen en zij zijn daar intussen al ver mee gevorderd. Mijn inbreng is al meteen nodig, want de assen van de RCS-wagen zijn te smal voor het evenwicht van de wagen. Deze moeten dus verbreed worden om de wielen verder uit elkaar te zetten. Ik ben dan werkzaam bij Gebroeders Kin BV en zorg ervoor, dat de assen van de wagen in onze werkplaats door een fotolasser langer gemaakt worden.

We bouwen op de wagen het Paard van Troje, met in de rug van het dier een vloerverlaging, waarin Prins, hofdames, pages en Raad van Elf kan staan. Voor de bouw mogen we gebruik maken van een leegstaande hal van het leger, die staat op de hoek van de Oosterhoutseweg en de Broodbaan.

 

Als de poten onder het beest worden bevestigd, komen de ontwerpers tot een schrikbarende ontdekking: het hele geval is te hoog en kan niet onder de spoorwegdraden bij de Vijf Eiken door om in ons dorp te komen!

Door tijdgebrek wordt besloten de poten niet te gebruiken en het paard dan maar op zijn buik op de platte kar te leggen.

Totaal geen gezicht: Sooi dun Irste met gevolg in dat dier zonder poten, maar de lol is er niet minder om.

Dat eerste jaar doe ik er alles aan om in de optocht te komen en ik heb geluk. Bekkenist Helmus Theeuwes is verhinderd om met hofkapel De Dorstige Vlegels mee te gaan. Ik ga die deksels dan maar slaan en kom met de boerenkapel achter het liggende paard (niemand zag er trouwens een paard in) op de Prinsenwagen terecht. En nog niet eens onverdienstelijk ook!

 

Het is een mooie tijd van opbouw. Carnaval in Rijen groeit elk jaar uit tot een steeds groter feest. Er komen drukbezochte ‘Sauwelavonden’ en een Prinsengala.

Mijn tweede jaar kom ik vast in de Raad van Elf. Tevens word ik samen met Kees Rook gevraagd om de carnavalskrant te maken. We nemen dat over van Piet Schoof, onderwijzer bij de Pius X school. Dat heb ik de daarop zes volgende jaren met plezier gedaan, ook toen ik na 5 jaar bedankte als Raadslid.

Als Kees Rook stopt, hij wordt overgeplaatst vanuit vliegbasis Gilze-Rijen naar de Generale Staf in Den Haag, geef ik ook de carnavalskrant uit handen en word toegevoegd aan de ‘commissie Protocol”. Dat is een mooi baantje, want je hoeft alleen maar ideeën aan te dragen. De uitvoering wordt door anderen gedaan.

 

In 1976 kopen Riet en ik café ’t Halve Maantje en moet ik als kastelein volgens de RCS-regels de stichting verlaten. Een wet, die is bedacht om horecamensen geen extra rechten of kansen te verschaffen om carnavalsfeesten naar hun eigen zaak te trekken.

Ik maak mijn 10e jaar toch nog een beetje vol met ideeën. Onder leiding van voorzitter Joop van den Broek wordt dit 2e lustrum van de RCS gevierd met circus Boltini. Ik leid onze pony Moortje met wagen in het circus rond, inclusief jeugdprins Sooike de 10e. Bovendien moet ik proberen om op een ezel te blijven zitten. Dat lukt echter maar enkele seconden en tot hilariteit van het Rijense publiek word ik met een sierlijke boog naar de pistevloer gegooid.

Prins Bernardo (Bernard Speekenbrink) heeft een stoerder optreden, waar je niet jaloers op hoeft te zijn: hij betreedt de leeuwenkooi en laat enkele leeuwen naar zijn pijpen dansen! Wat een lef heeft die prins!

 

Uiteindelijk brengt me het tienjarig werk voor de Rijense Carnaval Stichting, samen met nog negen andere RCS-leden, een mooie onderscheiding op.

Ik ontvang uit handen van Prins Bernardo een “Vergulde Cent”, omdat ik geen stuiver waard ben.

© Henk M. van Oosterwijk

Roestbak

Het is in de jaren tachtig van de vorige eeuw, dat we, mijn vrouw en ik, ons uit een financieel diep dal aan het werken zijn: het wegwerken van een behoorlijke belastingschuld. Dat is ook de rede, dat ik me geen mooie auto kan veroorloven en met een oude roestige bak rond moet rijden.

Mijn keuze is gevallen op het merk Toyota, type Corola. Deze heeft een motor, die 'motte kapot slaon, want zelf schaait ie ur nie uit', zeggen autokenners.

Dus ik koop zo'n wagen. Ruim tien jaar oud, en dat is echt oud in deze jaren. Het vehikel heeft doorgeroeste spatborden en een flets rode kleur. Maar remmen, remleidingen, stuurinrichting en motor zijn in prima staat: dus veilig genoeg voor mij.

Ik rijd er al een tijdje mee, zonder problemen.

Tot die kleine aanrijding.

 

Het is mijn eigen schuld.

Als ik een doodlopend straatje uit rijd, zit ik blijkbaar te veel in gedachten en zie een van rechts komende auto te laat. Ik trap bruusk op de rem, de auto komt meteen tot stilstand, maar net te laat om de andere wagen te ontwijken.

De dame achter het stuur heeft me blijkbaar ook te laat gezien, want als zij tot stilstand komt, is haar auto vanaf de koplamp tot aan het achterlicht beschadigd.

Ik stap uit en mijn tegenspeelster ook. Ik ken haar niet.

"Niet zo mooi," begin ik het gesprek.

"Ik kom van rechts," is meteen haar reactie, "hoe lossen we dit op?"

Ik haal mijn schouders op. "Ik ben verzekerd. Laten we maar een formulier invullen," is mijn voorstel.

"Ik wil graag voor de zekerheid de politie bellen." De dame kijkt me toch twijfelend aan.

"Ook goed," antwoord ik. "Je zal hierbij Gebroeders Kin wel van de telefoon gebruik kunnen maken."

De dame kijkt me onderzoekend aan.

"Ja, ga maar. Ik rij echt niet weg."

Terwijl de dame de politie gaat oproepen, bekijk ik de schade van mijn oude Toyota. Niks. Helemaal niets aan het front van mijn auto te zien. Terwijl mijn botsmaat van voor tot achter beschadigd is, zit er nog geen krasje op mijn bumper. Wel ligt er voor onder de wagen een hoopje roest, waarschijnlijk door de tik los geschoten van de binnenkant van de carrosserie.

Ik laat het maar liggen.

De dame komt terug van haar telefoontje en enkele minuten later stopt een politiebusje naast onze wagens en stappen er twee dienders uit. De dame en ik leggen ieder onze verklaring apart af.

"Zet de auto's maar aan de kant," commandeert de leidinggevende agent, als we onze verhalen verteld hebben. Dan ziet hij het hoopje roest onder mijn auto.

"U nog niet," reageert hij meteen. " Die roest, komt die van uw wagen af?"

Ik kijk eens naar de roesthoop. Het is wel een schop vol!

"Ik weet het niet." Ik haal de schouders op. " Misschien."

De agent laat zich op de knieën vallen en bekijkt het hoopje metaaloxide. Ook werpt hij meteen een blik op de onderzijde van de auto. Hij staat weer op, loopt rond de auto en betast de roestige gaten, die in de spatborden zijn gevallen.

"Het is een behoorlijke roestbak," merkt hij op.

"Maar hij rijdt prima," werp ik tegen.

"Dat kan," antwoordt de politiebeambte nuchter, "maar ik neem hem in beslag en laat hem afvoeren. Ik zal even een sloper bellen."

"Een sloper?"

Ik zie mijn vervoermiddel al verdwijnen. Maar dat kan niet! Ik heb die auto nodig!

"Ik teken protest aan," zeg ik eigenlijk iets te fel tegen de agent. "Ik kan die auto niet missen. Ik wil dat toevoegen aan mijn verklaring en tekenen."

"Zoals ge wilt." 

De agent neemt me mee naar het busje en verzoekt me op de achterbank plaats te nemen. Hij vouwt zijn schrijfmap open en schuift die op het tafeltje naar mij toe. Hij wijst met zijn vinger naar de onderzijde van de bladzijde.

"Schrijf hier maar, wat je wil. En ondertekenen."

Ik schrijf een dringend verzoek om mijn auto onmiddellijk terug te vorderen en plaats mijn handtekening er onder.

"En nu?" Ik. Kijk de politieman aan.

De agent klapt de map dicht. "Nu wordt je auto weggesleept en zal de Officier van Justitie beslissen, wat er gaat gebeuren."

"En hoelang duurt dat?" Is mijn volgende vraag."

"Weet ik niet precies. Enkele dagen, denk ik."

En met deze woorden stapt hij bij zijn dienstmaat voor in de auto om op de sleepdienst te wachten.

 

Daar sta ik dan.

Terwijl ik rondkijk en opmerk, dat de dame al vertrokken is, draait er een vrachtwagen de straat in. De chauffeur zet hem achteruit voor mijn auto en laat twee oprijplaten zakken. Ik haal intussen wat persoonlijke dingen uit mijn wagen en terwijl mijn Toyota op de bak van de vrachtwagen wordt getrokken, spreek ik met de chauffeur.

"Waar breng je mijn auto naar toe?"

"Naor ooze werkplôts in Hulte," vertelt de man. "Hij zal rap gesloôpt worre."

"Ik denk het niet." Ik haal een balpen en stukje papier uit mijn zak en noteer het telefoonnummer van het slopersbedrijf, dat op de autodeur staat. Ik groet de sloper en de agenten en loop terug bij Gebroeders Kin binnen, waar ik werk. Van daaruit bel ik naar het slopersbedrijf in Hulten. De eigenaar, de heer van Eyck ken ik en hem leg ik de situatie uit.

"Ik laot de waoge wel staon, totda ge mèn belt," stelt ie mij gerust.

 

De volgende morgen bel ik vanaf mijn werk naar het politiebureau in Rijen en krijg het telefoonnummer van de Officier van Justitie, die mijn papieren intussen heeft ontvangen. Die is erg meegaand en belooft me, dat ik voor twaalf uur nog een bericht zal krijgen van politie Rijen.

Om half twaalf krijg ik 'mijn agent' aan de lijn.

"Goede morgen, meneer van Oosterwijk," begroet hij me vriendelijk. "Om drie uur vanmiddag kunt u uw wagen laten keuren bij onze technische dienst in Breda."

"Is mijn wagen dan daar," vraag ik verrast.

"Nee meneer," is het antwoord, "Die staat in Hulten. Uzelf moet er voor zorgen, dat ie in Breda komt."

"Maar jullie hebben mijn papieren. Kan ik die bij u ophalen?"

"Uw papieren liggen bij de TD in Breda," klinkt door de hoorn, "als de auto goedgekeurd wordt, krijgt u die terug. Zo niet, dan is dat het einde van het verhaal."

"Mag ik dan met mijn wagen van Hulten naar Breda rijden?" Blijf ik doorvragen.

"U kunt hem door de sloper laten bezorgen. Als u zelf rijdt, riskeert u een fikse bekeuring."

"Oké," sluit ik het gesprek af, "bedankt. Ik ga het regelen."

 

Regelen? Zeker, niet!

Ik laat me die middag door een servicemonteur van ons bedrijf afzetten in Hulten en rijd mijn auto, zonder papieren, naar de Technische Dienst in Breda. Daar meld ik me bij de balie van de Rijkspolitie. Ik krijg een keurmeester, die me met de wagen naar een groot leegstaand parkeerterrein brengt. Hij vraagt totaal niet, hoe ik hier gekomen ben.

"Rij hier maar eens met een snelheid van ongeveer vijftig kilometer en trap dan keihard op de rem," legt hij aan mij uit. "De wielen moeten blokkeren. Dit moet je drie keer doen!"

Ik stap in de Toyota, en doe wat hij van mij verlangt. Tot driemaal toe trap ik krachtig de rem in bij een snelheid van vijftig kilometer. De wagen reageert prima en komt met piepende banden in rechte lijn tot stilstand. (In die tijd zat er nog geen rembekrachtiging en blokkeerregeling op de wielen!)

Dan rijd ik weer richting inspecteur.

"Goedgekeurd," roept hij al, als ik uitstap. "Hier zijn uw papieren en succes met uw auto!"

"Bedankt meneer."

Ik ben blij! Opgelucht ook, dat ik mijn wagen terug heb. " En hopelijk niet tot ziens," zeg ik er glimlachend achteraan.

"Doe wat aan die gaten in de carrosserie van die roestbak," roept de technische politieman nog, voor ik de deur dicht trek. "Dan nemen ze hem misschien niet zo snel in beslag!"

Met een bevrijdend gevoel rijd ik het terrein van de TD af.

 

Alles loopt prima af voor mij.

De verzekering betaalt de schade aan de wagen van de dame. Ik krijg vijfentwintig gulden boete voor de aanrijding en ik hoef geen opsleepkosten te betalen, omdat mijn wagen goedgekeurd wordt en dus ten onrechte in beslag is genomen.

De Toyota is nog een goed jaar meegegaan, voordat ik hem inruilde voor een andere wagen. Met roestgaten in de carrosserie, maar met goede remmen, remleidingen en veilig stuurinrichting.

© Henk M. van Oosterwijk

 

't Electrisch geisertje

Mijn vader kocht een elektrisch geisertje.

Het was het Ei van Columbus. Een superuitvinding, waarmee wij meteen warmwater konden tappen.

Zomaar! Kraan open draaien en hup: je had water van zo’n veertig tot zestig graden. Misschien wel heter, want we hadden geen temperatuurmeter, maar je brandde wel je handen, als je die onder de kraan hield. We waren gelukkig met dat ding.

 

Het gebeurt op een zaterdagmiddag in het jaar 1955 van de vorige eeuw.

De voordeurbel rinkelt in de keuken. Dat is al bijzonder, want iedereen komt bij ons achterom. Mijn moeder strikt haar schort glad en gaat open doen. Op de stoep staat een netjes geklede man met een koffer.

“Dag, mevrouw,” sprak de man in algemeen beschaafd Nederlands, “Is uw man toevallig ook thuis, want ik heb u iets speciaals aan te bieden.”

“Speciaols?” reageert moeder, “Wa hedde dan bij oe?”

“Ëen warmwatergeiser, mevrouw,” antwoord de man, “en dat wilde ik graag aan uw beiden uitleggen.”

“Effe wachte, meneer,” zei mijn moeder netjes, “dan zal ik mijne vent gaon haole.”

Ze loopt door de gang en keuken naar achter, opent de keukendeur en roept de tuin in: “Kees, hedde efkes tijd. Dur staot nun vent mee jun apparaodje vur de deur.”

Nieuwsgierig komt mijn vader, gekleed in een blauwe overall uit zijn moestuin en kijkt moeder vragend aan.

“Un apparaodje? Wè vur un apparaodje?”

“Iets meej wèrmwaoter. Kom mar us kijke.”

Pa loopt naar de voordeur en bekijkt de man in pak van onderen tot boven.

“Wè komde oôs brenge?”

“Een elektrische warmwatergeiser,” begint de man meteen zijn verkooppraatje. “Je hoeft geen fluitketel meer op het gas te zetten. Je tapt zo heet water uit de geiser.”

“Mar wij zette de fluitketel mistal op de kachel,” reageert mijn vader. “Die braandt toch.”

“Maar niet in de zomer,” reageert de slimme koopman. “En,” gaat hij onmiddellijk verder, “je draait de kraan open en het warme water stroomt zo in je emmer. Je hoeft niet te wachten op het warm worden van je fluitketel.

Vader denkt even na.

“Hedde zo’n ding bij oe?”

“Jazeker, een showmodel. Ik kan het u laten zien.”

“Dan kom mar binnen.” Mijn vader draait zich om en loopt naar de keuken, terwijl hij roept: “Trek de deur effe aachter oe dicht.”

 

De koffer wordt op de keukentafel gelegd en geopend. De koopman haalt een verchroomd toestel uit het valies. Het ding is ongeveer twintig centimeter hoog, heeft een diameter van twaalf centimeter en de vorm van een ei.

“Kijk,” legt de man uit, “je schroeft je koudwaterkraan uit de muur, draai dan dit koperen staarteind in die muurplaat, een stroomdraadje daaraan en klaar is Kees! Wil je koud water, draai je alleen deze kraan hieronder open. Wil je warm water, dan druk je op dit knopje en draai dan pas de kraan open. Het is de uitvinding van de eeuw!”

“En waor mot ik de stroom vandaon haole?”

Vader kijkt peinzend naar de aanrecht.

“Oh, ‘k wit ut al: uit de bijkeuken. Aachter dè muurke, waor de kraon tegenaon zit, hangt un stopkontakt.”

“Gemakkelijker kan al niet,” vult de koopman aan.

“Marruh, wa kost da ding eigeluk?”

“Honderd vijf en twintig gulden,” is het directe antwoord. “Een speciale aanbieding deze maand.”

“En wie sluit da ding aon?” is de volgende vraag.

“Mijn monteur.” De koopman kijkt vader triomfantelijk aan. “Omdat de stroom vlakbij zit, knopen we de stroomdraad er voor niks aan! Bovendien krijgt u twee jaar garantie.”

Nog steeds kijkt vader bedenkelijk en draait zich naar moeder, die het hele gesprek zwijgend heeft gevolgd.

“Het is wel ruim un weekgeld, Mina.”

Moeder heeft tijdens het gesprek toch wel een warm gevoel gekregen voor het geisertje.

“Da wel, natuurlijk. Mar ge krijgt meteen wèrm waoter! Da’s toch wel gemakkelijk.”

Pa knikt instemmend.

“Nou, gij maag ut zegge.”

Pa legt het besluit dus bij ma neer, die meteen ja knikt.

“Wanneer komd’t dan aonsluite?” is meteen haar vraag.

“Volgende week dinsdag. Hoe laat, weet ik niet precies, want we hebben er hier meer verkocht in de straat.”

“En wanneer motte we betaole?” vraagt mijn vader. “Want we hebbe nou natuurlijk da geld nie in huis.”

“Ook volgende week dinsdag,” verklaart de koopman, “nadat u gezien heeft, dat het werkt.”

Daarmee is de koop gesloten.

 

U moet weten, dat wij slechts één koudwaterkraan in huis hebben. Deze woning is gebouwd en door ons betrokken in 1951. Een badkamer of douche hadden we niet. Wel een toilet natuurlijk, maar zonder waterspoeling.

Op het eind van de zaterdagmiddag wasten we ons om de beurt aan de keukenaanrecht, want daar was water.

Nu het geisertje geplaatst was, konden we lekker warmwater in een wasbak laten lopen en ons in de bijkeuken heerlijk wassen. Ook moeder had baat bij het apparaat en had altijd direct heet water vor het zetten van thee.

De warmwaterpret duurde echter niet lang.

Zo’n drie à vier weken. Toen kwam het moment, dat er alleen nog maar koud water uitkwam.

Het telefoonnummer bellen in Rotterdam, dat op de rekening stond, had geen zin. Er werd nooit opgenomen. Vader moest altijd bij de buurman bellen, een tassen fabrikantje. Er waren maar drie telefoons bij ons in de straat!

Twee weken bellen had geen resultaat. Op het garantie-certificaat, twee jaar hè, stond een adres. De brieven, die daar naar toe gestuurd zijn, werden nooit beantwoord.

Wij waren niet het enige slachtoffer in de straat. Een stuk of zes buurlui zaten in hetzelfde schuitje.

Maar goed, wij hadden toch drie weken warmwater gehad.

Al zal de prijs per liter wel erg duur zijn geweest!

 

© Henk M. van Oosterwijk

Gevallen

Soms gebeuren er dingen, die je had moeten voorzien. Maar ja, als je 77 jaar oud bent, dan werken de hersenen niet meer zo precies. Nog al eens kom je er te laat achter, dat je wat vergeten bent te doen. Zo gebeuren er dingen, die je achteraf zelf had kunnen voorkomen.

Zo ook die dinsdag.

 

Mijn auto moet worden gekeurd.

Normaal gebeurt dat bij de Citroen garage, maar die is uit Oosterhout verdwenen en daarom zal ik naar Breda moeten. Toch zoek ik deze keer een garage in Oosterhout en via internet kom ik bij Hoefnagels BV terecht. Een bedrijf, dat amper een kilometer van mij vandaan zit. Iets meer dan tien minuten lopen dus.

Na een belletje kan ik de aanstaande dinsdag al komen. En ik krijg een fiets mee, zodat ik binnen vier minuten alweer thuis kan zijn.

Nou is het misschien al meer dan tien jaar geleden, dat ik op een rijwiel gezeten heb. Ik heb er niet eens een. Fietsen verleer je nooit, wordt toch altijd gezegd en zo is het ook.

Als ik mijn auto bij de garage geparkeerd heb en de sleutels heb ingeleverd, wordt mij een damesfiets aangewezen. Lekker makkelijk opstappen!

 

Op het parkeerterrein werk ik me voorwaarts in het zadel; dus niet met mijn been zwaaiend over de bagagedrager. Ik vind eigenlijk, dat de zadelhoogte prima is, omdat ik rondtrap zonder dat mijn benen geheel gestrekt worden.

Toch wel heerlijk, dat fietsen!

Vanaf de Statendamweg draai ik fluitend de Van Liedekerkestraat in richting de Bredase weg, die bij de kruising ‘Trommelen’ begint.

Hier gebeurt het.

Het stoplicht voor me springt op rood en ik knijp in de remmen. De fiets komt tot stilstand. Nog even blijf ik in evenwicht, terwijl mijn voeten naast de trappers bungelen en de grond zoeken.

Tevergeefs!

Het zadel staat net te hoog om mijn schoenzolen op het fietspad te zetten. Stilstaand blijf ik enkele secondenlang naar grond onder mijn voeten zoeken, maar dan stort ik zijdelings neer naar het harde asfalt. Wonderwel vang ik mezelf op en kan met een snelle beweging voorkomen, dat mijn hoofd tegen de trottoirband slaat. Ik raak met mijn kop zelfs de grond niet!

Zo vlug als een 77-jarige het kan, richt ik me weer op, zet mijn fiets recht op zijn wielen en constateer, dat er nergens schaafwonden of zere plekken op mijn lichaam zitten.

“Kan ik u helpen meneer?”

Ik kijk op en zie drie mannen bij me staan; de portieren van hun auto’s nog openstaand voor het rode licht.

“Nee, alles is goed,” antwoord ik geruststellend. “Maar toch bedankt voor uw snelle reactie.”

De mannen stappen gerustgesteld weer in hun auto’s, terwijl ik de fiets nog even controleer. Niets aan de hand!

De verkeerspaal geeft groenlicht voor mij en ik stap op de fiets, opnieuw op de damesmanier.

 

Honderdvijftig meter verder moet ik oversteken naar de Nieuwe Bouwlingstraat en hier neem ik geen risico. Ik schuif als een vrouw voorwaarts van mijn zadel af en kom met beide benen op de grond. Daarna waag ik de oversteek te voet naar mijn appartementje.

‘Ik heb het er goed vanaf gebracht,’ bedenk ik, terwijl ik de fiets op slot zet voor mijn deur. ‘Zeker met die twee kunstheupen, die ik al twintig jaar geleden ingeplant kreeg! Belangrijk, dat ik vele jaren doelman ben geweest in de voetballerij: daar heb ik leren vallen!”

Voordat ik die middag mijn auto weer op moet halen, stel ik toch maar het zadel wat lager, zodat ik met beide voeten aan de grond kan!

 

© Henk M. van Oosterwijk

Onze ouders

In een van mijn verhalen vertelde ik u over mijn ouders. Dat ik eigenlijk niet wist hoe ze elkaar hebben leren kennen.

Diepgaand onderzoek (onzin natuurlijk) en gesprekken met mijn broer Wim brachten het volgende verhaal naar boven.

 

Onze pa was een avonturier.

Het was in het jaar 1932, in de crisisjaren voor de Tweede Wereldoorlog, toen hij een paar keer per

week in de nacht bij Strijbeek de grens naar België over fietste om met een paar dozen boter op zijn pakkendrager terug te komen. Opoe kocht voor hem speciaal een racefiets, met verzwaarde pakkendrager natuurlijk, zodat hij toch zeker de douane, die ook op een rijwiel bij de grens patrouilleerden, voor de kunnen blijven.

Dat lukte aardig, maar het ging ook wel eens mis.

Op een avond werd onze pa verrast door twee douaniers, die zich in een droge sloot verschanst hadden.

“Halt!” klonk plotseling in het donker.

Onze vader’s reactie was erg snel. Terwijl de grenswachters uit de sloot kropen, demarreerde hij weg van de twee gewapende mannen, die nog een schot in het donker gaven, onder het roepen van: “Halt of ik schiet!”

Voordat de douaniers hun fietsen uit de sloot hadden, was onze pa al een heel eind weg. Hij verstopte snel de twee dozen boter in de bossen en fietste, uiteraard zonder licht op, met grote snelheid over de bospaden en verstopte zich ergens met racefiets in de struiken. In de verte hoorde hij de grenswachters met elkaar praten, maar die mannen gaven het op en trapten richting kazerne. Pa deed nog een uurtje een klein dutje en besloot daarna de paden te gaan verkennen, of de dienstkloppers toch wel zeker verdwenen waren.

Het bleef rustig en vader laadde de twee dozen boter weer achter op zijn fiets en reed richting Rijen, waar een ongeruste moeder op hem zat te wachten, omdat hij zo lang wegbleef.

Alles was dus goed afgelopen en snel kroop ie in bed om nog een paar uurtjes te slapen. Om zeven uur moest hij weer op de leerlooierij zijn.

Dat was vrijbuiter Kees van Oosterwijk.

 

 

Pa was bevriend met Koos van der Kaa (tot aan zijn dood) en die zegt op een dag: “Kees, ge môt zondag us meegaon naor Oosterhout. Ik heb daor een meiske leren kenne, en die brengt dan haar vriendin mee. Misschien iets voor jou.”

“We zulle wel zien,” was het antwoord van Kees. “Veur jou dan.”

De nieuwe vriendin van Koos zei hetzelfde tegen Mina Sestig, zeventien jaar oud.

“Wie brengt ie meej?” vroeg ze belangstellend.

“Kees van Oosterwijk uit de Rijen,” was het antwoord.

“Kees van Oosterwijk?” reageerde Mina afwijzend. “Die ken ik wel. Mar zônne lullikke vent môt ik  nie!”

Mina werkte namelijk bij Schoenfabriek Klerkx op het Martveld in Rijen en kwam elke dag langs het huisje op de Vijf Eiken gefietst, waar Kees dan in zijn oude kleren of overall aan het werk was.

 “Gao nou mar vur mijn meej,” smeekte de vriendin, “aanders staoj ik daor alleen meej twee venters!”

Dus Mina beloofde mee te gaan.

Het boter smokkelen legde Kees geen windeieren, en die zondag kwam hij met Koos mee in zijn zondagse pak met overhemd, stropdas en onder de omslag van zijn broek een paar blinkend gepoetste schoenen. Zelf was hij ook helemaal gewassen, opgefrist en gekamd. Mina’s mening over Kees draaide meteen honderdtachtig graden om: ze vond hem zelfs knap en met z’n vieren gingen ze dansen. Kees had door zijn smokkelactiviteiten best wat geld op zak om een stevig drankje te kopen, terwijl veel heren droog aan de kant stonden.

 

Koos en zijn vriendinnetje hielden het niet lang met elkaar vol, maar deze eerste dansavond was het begin van een zeven jaar lange verkering tussen ons ma (Mina) en ons pa (Kees).

Moeder Sestig-de Vos had over die lange verkering haar eigen bedenkingen en zei dikwijls tegen haar dochter: “Mina, heej Kees al us over trouwe gepraôt?”

“Neije moeder,” was steeds het antwoord en dan kreeg Mina altijd dezelfde opmerking van haar moeder te horen: “Kees is nun vrijer, mar ginne trouwer!”

 

De verkering telde dus bijna zeven jaren, toen Mina en Kees langs een juwelierszaak in Breda liepen. Mina stond naar de ringen te kijken, toen Kees plotseling zei: “Zoek mar nun trouwring uit.”

Dat was het.

Dat was zijn huwelijksaanzoek. Niks romantiek, recht voor z’n raap. Dat was onze pa.

 

Op 19 oktober 1939, ruim een half jaar voordat de Nazi’s Nederland bezetten, traden ze in het huwelijk in de St. Antonius kerk in Oosterhout. Daar waar ons ma in 1916 was gedoopt en later haar H. Communie deed. Ze kregen twee zonen: Henk en Wim, die beide geboren werden in de Pastoor Gillisstraat 146, het huisje met de Franse kap, dat ze met het trouwen gehuurd hadden. In 1951 verhuisden ze naar de Laagstraat 55, een vrijstaand huis, dat door mijn grootouders gebouwd werd.

In 1989 vierden ze hun Gouden Huwelijk en zeven jaar later stierf onze pa op 83-jarige leeftijd. Moeder bereikte de leeftijd van 96 en had misschien de honderd wel gehaald. De laatste drie jaar van haar leven was ze blind en wilde niet meer verder.

 

Dat waren onze ouders, misschien niet romantisch, maar wel recht door zee en een sterke liefde voor elkaar en hun twee zonen. Ik kan me niet herinneren, nee ik weet het zeker, dat ze de woorden ‘ik hou van je’ nooit tegen ons hebben uitgesproken.

Dat hoefde ook niet; wij wisten het gewoon.

© Henk M. van Oosterwijk

Guus

(Eerste hoofdstuk uit het boek “Stamgasten van café D’n Ever”.)

 

Het is vrijdagmorgen zo tegen twaalf uur.

Veel belovend voor het weekeinde kijkt de lentezon over de A27, de snelweg die de provincie Brabant in twee delen snijdt. Een grote bouwplaats met een naar vers beton ruikend viaduct geeft het punt aan, waar het bouwbedrijf Wegenbouw BV momenteel met een hele ploeg bouwvakkers bezig is om een viaduct te bouwen, dat straks twee dorpen in Brabant met hun achterlanden met elkaar zal verbinden.

Het is een behoorlijk karwei, want ook de op-- en afritten naar de snelweg toe moeten worden aangebracht en dat is niet zo maar efkes uit de grond gestampt. Het bouwbedrijf heeft dan ook op een stukske perceel nabij de werkplek enkele keten weggezet.

Een directiekeet, waar de bouwvergaderingen plaatsvinden, want de geleerden – zoals Guus ze noemt – moeten op hun gemak over het werk kunnen ouwehoeren. In deze keet is gelijk ook de opzichter met zijn bouwkundig bestek en normenboeken gehuisvest.

Daar vlak naast staat de houten keet, waar de uitvoerder met zijn stapels tekeningen bivakkeert en dan volgen enkele opslagcontainers om klein materiaal en gereedschap in op te bergen. Ook staat er natuurlijk een schaftkeet, waar de bouwvakkers om negen en twaalf uur hun brood kunnen opeten.

 

Guus met zijn werkmaat Jan lopen richting de keten om hun meegenomen boterhammen in de schaftkeet te gaan verorberen. De twee hebben waarschijnlijk tegen elkaar stoere verhalen te vertellen, want er wordt flink gelachen en Guus deelt een aardig harde schouderklop uit aan Jan, die er bijna van omvalt.

Guus Salon is een echte rouwdouwer.

Hij rijdt voor zijn werk niet voor niks op een grote graafmachine! Werken is zijn hobby en ondanks dat hij het in zijn privé leven niet zo nauw neemt met allerlei zaken, legt hij met een kolossaal graafmonster het zand tot op de millimeter nauwkeurig op de juiste plaats!

 

Plots staat Guus stil.

Hij ziet Pietje lopen, een oudere bouwvakker, die bijna aan zijn pensioen toe is. Het bouwvakkerke loopt trippelend rondjes om het toilethok, dat vlakbij de bouwketen staat. Blijkbaar neemt iemand de tijd om in het gemak, zoals de bouwvakkers het toilet noemen, tot rust te komen en heeft niet in de gaten dat er iemand hoge nood heeft.

Pietje staat intussen nog al onder hoge druk. Hij loopt rond met zijn ene hand zo stevig op zijn billen gedrukt, alsof hij vier vingers in zijn achterste wil steken om de zaak af te stoppen! Dat gaat dus gepaard met korte driftige pasjes en korte zuchtjes. De twee bouwvakkers zien, dat hun oudere collega ineens achter een stapel lege pallets verdwijnt. De houten pallets zijn vlakbij het wc-hok neergelegd en wachten op een vrachtrijder, die ze mee zal nemen. Er zit namelijk statiegeld op. Guus kijkt Jan met een geamuseerd blik aan en knikt met zijn hoofd.

“Rap,” fluistert hij, “ ‘n schoep!”

Jan rent meteen naar de openstaande materiaalcontainer, pakt snel een panneke, een schop zogezegd, en samen sluipen de bouwvakkers voorzichtig om de stapel pallets heen. Zo komen ze achter Pietje terecht, en precies op tijd: deze heeft zijn overall al los geknoopt en de werkkleding van zijn schouders af gerold. Dan trekt hij zijn broek naar beneden en zakt snel door zijn knieën op zijn hurken. Met een diep zucht laat hij de natuur de vrije loop!

Op datzelfde moment heeft Guus al de grote schop onder Pietjes achterste geschoven en vangt de overvloedige stroom uitwerpselen met dit werktuig op. De ouwe bouwvakker laat eerst nog wat lucht ontsnappen en er volgt een tweede lading fecaliën, die nog steeds opgevangen wordt door de schop. Dan scheurt Pietje een stuk van een mee gebrachte krant af en maakt aanstalten om zijn kont daarmee af te vegen.

Guus trekt de schop snel terug en verdwijnt geruisloos met Jan achter de houtstapel, gooit de drek in een naast gelegen sloot en verschuilt zich samen met zijn collega achter de directiekeet.

Pietje heeft intussen met het plaatselijke nieuws zijn kont schoon geveegd en trekt zijn broek en overall weer omhoog.

Dat is een opluchting!

Wat doet ’n normaal mens, nadat hij zijn grote boodschap in de natuur heeft weggelegd? Achterom kijken natuurlijk!

Even zien, of alles wel gezond is!

Terwijl Pietje zijn werkkleding tevreden dicht knoopt, draait hij zijn lichaam half om en kijkt nog even onder zijn arm door naar wat hij daar heeft weggelegd.

Verrast vergroten zijn ogen zich: niks! Er ligt helemaal niets! Alleen een stukske krant!

Hij kijkt nog eens onder die afgescheurde nieuwsberichten; niets te zien!

“Verdomme,” mompelt Pietje hardop in zichzelf, “ik heb toch nie in munne overall gescheten!”

Hij maakt rap weer zijn werkkleding los en rolt de overall naar beneden. Onderzoekt zijn broek, onderbroek en overall grondig, maar kan totaal geen uitwerpselen vinden, laat staan ruiken! Nog een keer controleert hij zijn kleding, maar vindt en ruikt weer niets. Hij trekt alles maar omhoog, stopt zijn overhemd in de broek en knoopt de overall dicht.

Met een ongemakkelijk gevoel stapt hij richting schaftkeet, gaat naar binnen, pakt zijn tas en zoekt helemaal achter in de keet apart een plaatsje aan het laatste tafeltje.

Guus Salon is ’n aparte!

Niet, dat hij een kwaaie gast is, maar hij gaat zo zijn eigen weg, merken jullie wel. Dat kan ook, want met zijn eenendertig jaren is hij nog steeds vrijgezel, woont op zichzelf en hoeft dus met geen mens rekening te houden. Iemand voor de gek houden zit in zijn genen en ideeën op dat gebied worden op de juiste momenten geboren.

Dan gebeurt het gewoon!

Voor een goede grap neemt Guus zelfs gedurende zijn werk de tijd. Ge hebt het net kunnen constateren!

 

Guus stapt de schaftkeet binnen.

Hij is een vent van ongeveer een meter vijfentachtig lang, breed geschouderd en zijn gewicht zit tegen de honderd kilo aan. Misschien wel er over heen! Zijn stevig hoofd met donkerblond krullend haar loopt over in een bijna even brede nek. Zijn ogen kijken je ernstig aan. Maar achter die blik zit een ondeugende schittering. Zijn voeten, maat zesenveertig, zitten in een paar zware brede werkkistjes die hem met grote stappen vooruit brengen.

Achter hem aan loopt zijn werkmaat Jan.

Pietje heeft zijn fles drinken en boterhamzakje al op tafel staan en is aan zijn eerste boterham toe.

De twee binnenkomers kijken wat rond en lopen dan de hele keet door naar het tafeltje, waar Pietje zit te schaften.

“We kunnen wel bij jou aanschuiven, hè Pietje. Er is toch plak zat hier, niewaar?” zegt Guus tegen de oude bouwvakker.

Zonder een antwoord af te wachten laten beide mannen zich op een houten stoel vallen en halen hun brood en drinken tevoorschijn. Pietje kijkt ze onrustig aan, maar zegt niets en gaat verder met het weg werken van zijn broodmaaltijd.

De twee beginnen ook aan hun meegebrachte spijzen.

Guus heeft net zijn achtste en laatste snee brood weggewerkt, als hij zich naar Jan toe draait.

“Wat stinkt ’t hier verschrikkelijk, Jan. Ruikte gij dat ook?”

Pietje schrikt een beetje, kijkt wat schuw naar beide mannen tegenover hem, maar zwijgt.

“Ja, nou ge ’t zegt,” antwoordt Jan. “ ’t Is net, of er iemand in z’n broek gescheten heeft. En nog taai ook!”

Zowel Guus als Jan steekt zijn neus in de hoogte en ze snuiven met diepe halen de schaftketenlucht naar binnen, terwijl Pietje hen met een afwachtende angstige blik in zijn ogen aan kijkt.

“ ’t Ruikt echt naar stront!” roepen Guus en Jan bijna gelijktijdig uit.

Pietje weet niet, hoe hij moet kijken, gooit zijn drinkfles in zijn tas en loopt met een rot gang de keet uit.

De twee plaaggeesten schieten in een lach en kijken door het raam van de schaftkeet naar buiten om te zien, wat hun slachtoffer verder gaat ondernemen.

Die stapt natuurlijk het schijthuisje in om te controleren, wat er nou toch allemaal in zijn kleren is blijven hangen!

 

 

“We hebben vanmiddag Pietje niet meer gezien,” probeert Guus het lachen van zijn cafégenoten te overstemmen.

Het is al avond en hij zit aan de bar van café D’n Ever, zoals elke vrijdag, en heeft zijn grap van deze middag in geuren en kleuren verteld aan de overige stamgasten. Guus moet hard spreken, want gedurende het verhaal heeft kastelein Bertus regelmatig een rondje bier weg gezet, wat de stemming extra verhoogt.

“Pietje zal wel ergens alleen zijn dag af hebben gewerkt,” besluit hij zijn verhaal.

“Thuis zal hij opnieuw zijn kleren na gekeken hebben en weer niks hebben gevonden,” schatert Gerrit van de Laar. Gerrit is vrijgezel en gebruikt café D´n Ever bijna als zijn huiskamer! Hij zit nu tussen de vele vrijdagavondklanten die nog een afzakkertje pakken voor ze naar moeder de vrouw gaan.

“Ik en mijne maat hebben op het werk niks van dit geintje verder verteld,” zegt Guus toch een beetje ernstig. “Want dan wordt Pietje daarmee heel de week geplaagd, en dat wil ik niet!”

Ja, zo is Guus. Hij heeft een gouden hart, maar staat toch altijd klaar om eventueel zijn beste vriend een flinke loer te draaien!

Dat moet kunnen!

Wij, dorpsgenoten, kunnen wel lachen om zijn streken, ofschoon ze soms wel iets te ver gaan.

Dat weten wij, stamgasten van café-bar D’n Ever, maar al te goed! Aan de bar gezeten vertelt hij ons zijn verhalen in alle details nauwkeurig en hangen wij aan zijn lippen. Figuurlijk natuurlijk, want regelmatig heeft hij die nodig om zijn biertjes naar binnen te laten glijden.

 

O ja, café D’n Ever.

Dat moeten we even aan u uitleggen!

 

© Henk M. van Oosterwijk

Ik wil ome Frans

We hebben twee kinderen.

Twee verschillende karakters, twee verschillende geslachten. Elk ouderechtpaar vertelt veelal gelijkwaardige verhalen over hun kroost en daaruit blijkt meestal, dat de ene de andere niet is. Bij ons zaten de verschillen al bij de zwangerschap en de geboorten van die twee. De eerste werd verwekt in Rijen en zijn geboorte vond plaats in Breda; de tweede produceerden we in Breda en zij kwam op de Rijen ter wereld. 

Dat zijn niet alleen de verschillen, er is meer. Luister naar mijn verhaal.

 

We leven in 1969 en wonen op een flat in Breda.

Riet is zonder problemen drie maanden zwanger van ons eerste kindje. U hebt het gelezen: we kregen het te horen van de personeelscheffin van de Philips!

Het is een weekend in juni en die zondag wordt door de commercie als Vaderdag bestempeld. Als we 's morgens klaar staan om naar Rijen te vertrekken om daar bij mijn ouwelui Vaderdag te vieren, krijgt Riet buikkrampen en bloedverlies. In allerijl wordt de vroedvrouw gewaarschuwd, die ons meteen doorstuurt naar het Ignatius ziekenhuis in Breda.

De tijden waren toen anders dan nu: ik mag ergens in een wachtkamer wachten, terwijl Riet op een brancard naar een behandelkamer wordt gebracht voor onderzoek. Na een half uur wachttijd word ik door een van de verplegenden naar huis gestuurd met de mededeling, dat dit hoogstwaarschijnlijk met een miskraam zal eindigen. Ik mag op het bezoekuur 's middags weer terugkomen!

Moedeloos probeer ik in onze flatwoning de tijd door te brengen en ga rond half drie 's middags met lood in mijn schoenen terug naar het ziekenhuis. Daar tref ik mijn vrouw licht overstuur aan in bed, maar de baby is er nog!

Ademloos luister ik naar haar verhaal.

 

Na een kort onderzoek die morgen ligt Riet in de behandelkamer te wachten op wat er komen gaat. Ze voelt zich nu prima en denkt snel naar huis te kunnen gaan. Dan komen er een paar verpleegsters binnen, die haar bed op de rolstand zetten en haar naar de gang willen rijden.

"Wat gaat er met mij gebeuren?" 

Riet wendt zich tot een van de zusters. Deze vertelt haar voorzichtig, dat de baby weg zal worden gehaald.

"Dat kan niet, dat mag niet!" schreeuwt mijn vrouw tegen de verpleegkundigen. "Ik voel me prima, ik voel volop leven! Ik wil dokter Willemen spreken; ik wil, dat ome Frans hier komt!"

Je moet namelijk weten, dat Riet een periode als hulp in de huishouding diende bij een familie Willemen in Rijen (zie het boek: Op de wereld gezet) en daar kwam 'ome Frans' regelmatig op bezoek. En ome Frans is gynaecoloog in het St. Ignatius ziekenhuis. 

Haar laatste zin herhaalt ze verschillende malen: “Ik wil dokter Willemen spreken; ik wil, dat ome Frans hier komt!"  En 'ome Frans' slaat blijkbaar bij beide dames goed aan. De verpleegsters kijken elkaar aan en gaan dokter Willemen oproepen, die toevallig die zondag dienst heeft. 

Dokter 'ome Frans' Willemen komt, doet zijn onderzoek en besluit, tegen het eerdere artsenbesluit in, dat de zwangerschap niet afgebroken zal worden! Riet is dolgelukkig en ik natuurlijk ook! Ze blijft nog twee weken in het ziekenhuis ter observatie, maar haar eerste dokter wil ze niet meer aan haar bed zien. Zo geschiedt.

Deze zwangerschap verloopt verder zonder problemen.

 

Ondanks de zwangerschap gaan we die zomer nog op vakantie met onze vrienden Michael Vreijsen en Trees van der Kaa. Twee weken Texel zonder problemen en met veel plezier. We slapen in een bungalowtent en Riet slaapt ook gewoon op een luchtbed.

Op een dag lopen we door het plaatsje De Koog en komen op het plein in ’t centrum. Daar neem ik mijn mondharmonica uit mijn zak, leg mijn (zonne)pet op de grond en ga daarachter in een rare houding zitten. Zo, dat mijn rechterbeen is verdwenen voor de langslopende toeristen. Dan zet ik “Aan het strand stil en verlaten’ in.

“Henk, doe nie zo gek,” reageert Riet, die anders zelf altijd in is voor een of andere jongensstreek. Zou haar moederinstinct al spreken? “We staon vur schut.” En loopt samen met Trees naar de andere kant van het plein. Daar staat een schavot en als we aan paar nummers gespeeld te hebben, volgen Michael en ik de beide dames toch maar. De muziek bracht overigens niets op.

“Un foto maoke?” vraag ik aan Riet. “Gij in da schavot?”

Ik betaal de schavotbeheerder en Riet steekt haar hoofd en handen in het strafblok. De beheerder sluit het hangslot af en ik kan de foto schieten.

“Hoeveul motte hebbe vur dieje sleutel?” vraag ik de man lachend.

“Hoezo?”

“Nou, ik wil mijn vrouw kwijt, want ze moppert alleen mar tege mijn!”

Iedereen lachen, behalve Riet.

“Lôt me d’ur uit,” roept ze en de schavotbeheerder bevrijdt ze snel en Riet kan weer lachen. De man wil geen problemen natuurlijk. Wij slenteren verder.

We hebben goed weer en veel plezier op Texel.

 

Tegen het einde van de zwangerschap, die verder prima verloopt, krijgt Riet schijnweeën, die mij erg zenuwachtig maken. Dat zijn twee weken van spanning en ongerustheid. Hierna kondigt zich een kerngezonde baby van acht pond aan, waar echter twee volle dagen van opkomende en wegebbende weeën aan vooraf gaan. Zowel voor Riet als voor mij is dit een zware beproeving, want het handje vasthouden en de pijn zien, grijpen je heftig aan!

Maar hij komt.

Die vrijdagmiddag houd ik mijn zoon onwennig en voorzichtig, maar wel trots in mijn armen. Ik ben vader!

Het is dus een jongen en we noemen hem Raymond!

 

Twee jaar later wordt Susanne geboren. We wonen dan alweer een half jaar in de Colijnstraat in Rijen.

“Ik laot de kinderen nie hier op een flatgaolerij opgroeien,” zeg ik tegen Riet na de geboorte van Raymond en we kopen een twee-onder-een-kapwoning in mijn geboortedorp. Die moet nog wel gebouwd worden.

Het tweede zwangerschap kent weinig problemen voor Riet. De negen maanden gaan geruisloos voorbij, wel wat meer misselijkheid dan bij de eerste. Na de ervaring met onze eerste nakomeling, heb je toch die onzekere angst, dat er nog wat fout gaat.

Dan begint rond de veertigste week het aftellen.

 

"Henk, bel de dokter, want de kleine gaat komen," zegt Riet op een nacht tegen mij, als ik rond een uur naar bed kom.

"Dokter bellen?" antwoord ik vragend. "Bij Raymond hèdde’r twee weken over gedaon. Nie in paniek raoke, hè meid.’

Ik draai me op mijn andere schouder en val snel in slaap.

Nog geen twintig minuten later schrik ik wakker door een stoot in mijn rug. Ik kom slaperig omhoog en hoor Riet zeggen: "Henk, bel de dokter, want ik denk dat het gaat gebeuren."

Ik kijk haar slaperig aan.

"Rustig, mèske, rustig.” Ik draai me naar haar toe. “Bij Raymond begon het ok meej schijnweeën. Het zal wel loslopen! Tel de tijd maar eens tussen de weeën."

En weer probeer ik te slapen, maar kan nu de slaap niet te pakken krijgen.

Een kwartier later grijpt Riet me bij de schouder.

"Als ge nou de dokter niet belt, ga ik het zelf doen!"

"Oké, ik ben al naor benéje."

Ik gooi de dekens van me af, loop de trap af en de woonkamer in om dokter van Ardennen te bellen.

Op zijn beurt vraagt hij mij de kraamzuster op te roepen. Als ik die aan de telefoon heb, legt ze me uit, dat ze geen auto heeft en gehaald moet worden. Ze woont in Gilze en kan moeilijk snel naar Rijen fietsen. Daarom bel ik mijn broer Wim wakker. Hij woont ook in Rijen en is meteen bereid om de zuster op te halen.

Er is heel wat te regelen in korte tijd.

 

Net heb ik de telefoon op de haak gelegd, of de deurbel gaat en kan ik de dokter binnen laten.

“Ze ligt boven,” zeg ik hem, wijzend naar de trap.

Het lijkt nu, dat alles van tevoren gepland is.

Op het moment dat de kraamverzorgster binnenkomt, dient dochter Susanne zich aan! De kraamzuster kan de arts nog net assisteren bij het doorknippen van de navelstreng. Ik heb gewoon geen tijd om na te denken.

Een fluitje van een cent, dus, deze bevalling. Heel anders, dan toen Raymond kwam. Ik heb amper de tijd gehad om de geboorte te volgen!

Als de zuster de kleine Susanne in mijn armen legt, zeg ik tegen mijn vrouw: “Nu zijn we compleet; een jonge en een meisje erbij. Met z’n viertjes nu.”

 

Als dokter van Ardennen zijn handen staat te wassen, is broer Wim alweer naar huis. Hij moet vroeg op voor zijn werk en wil nog gauw wat slaap meepikken.

“Zin in een drankje, dokter?”

Het scheel moet er toch afgedronken worden, zeggen ze hier in Brabant.

"Een jonge jenever, als je die hebt, gaat er wel in met zo'n mooie dochter," lacht hij tegen mij.

Ik heb jonge jenever.

Terwijl de kraamzuster zich over kleine Susanne ontfermt en de mama ligt uit te rusten van de - toch wel korte - inspanning, schenk ik in de woonkamer twee borrels vol. De klok meldt met een lichte slag, dat het half vier is.

Dokter van Ardennen heft het glas: "Op Susanne, dat ze een gelukkig leven tegemoet gaat."

En je weet het: ook dokters kunnen niet op een been staan!

 

Wat is nu de clou van het verhaal?

Twee kinderen, twee ver uiteenlopende geboortes, twee verschillende karakters.

Twee kinderen, waar we allebei veel van houden.

 Copyright Henk M. van Oosterwijk

Voel me genaaid

Soms voel je je weleens behoorlijk genaaid, zoals afgelopen woensdag mij overkwam.

Ik zal het u uitleggen.

 

“Pa,” veert dochter Susanne op vanuit haar telefoon, “bij de Action staat zo’n Multi Tool in de aanbieding voor maar vierentwintig vijfennegentig.”

Ik kijk op vanaf mijn iPad. “Da’s vur niks. Ik gaoj ur naodemiddag gelijk intje haole.”

Met zo’n Multi Tool apparaat, inclusief diverse onderdelen die er bij zijn, kun je nogal wat karweitjes aan de boot opknappen. Een verrijking van mijn gereedschapskist dus.

 

Na wat zoeken vind ik in de Action-winkel de afdeling gereedschappen, op gepaste corona-afstand blijvend van de overige kopers en het personeel. De Multi Tool ligt voor het grijpen en na €24,95 afgerekend te hebben, loop ik opgetogen naar huis.

Daar aangekomen maak ik meteen maar de doos open en bekijk het apparaat met bijbehorende hulpstukken. Net wat ik zoek, goed voor het onderhoud van mijn boot.

Maar dan ontdek ik, dat er geen accu c.q. batterij in de doos zit. Het lezen van de gebruiksaanwijzing geeft ook niets bijzonders aan over de batterij. Net zit ik me een beetje op te winden over dit gemis, als ik op de doos de woorden “battery not included” lees. Verdorie, nou hebben ze me te pakken! Zo’n batterij kan misschien wel even duur zijn als de Multi Tool!

Maar goed, ik heb het apparaat nu eenmaal in huis en er moet een accu op. Gelukkig woon ik tegen het centrum van Oosterhout aan.  Dus ik loop maar – wel een beetje opgewonden - terug naar de Action. Daar aangekomen zoek ik in het vak ‘gereedschap’ de juist batterij bij mijn Multi Tool, kosten vijfentwintig vijfennegentig, één euro duurder als het apparaat, en loop naar de kassa.

“Nou, ik voel me een beetje genaaid,” reageer ik naar de kassajuffrouw, “Leuke aanbieding die Multi Tool, maar er staat nergens, dat ik er een accu bij moet kopen!” (Achteraf blijkt dat wel het geval te zijn)

De kassière glimlacht en haalt haar schouders op. Zij zit alleen maar af te rekenen en is voor de aanbieding niet verantwoordelijk. Ik pin weer, nu €25,95 en loop ook maar schouderophalend de winkel uit. Ik kan nu mijn Multi Tool in ieder geval gaan gebruiken, ook al kost ie me intussen €50,90.

 

Echter thuisgekomen kom ik voor een nieuwe verrassing te staan: de oplader ontbreekt. Ik begin een beetje wanhopig te worden. Waarom heeft die kassajuffrouw mij niet vertelt, dat er bij de accu geen oplaadsnoer zit? Dat staat niet op het doosje!

Nu ga ik eerst googlen. Ik zoek bij Action de juiste oplader erbij en zie tot mijn opluchting, dat deze slechts €3,99 kost. Er staat nog een snel-oplader bij voor €14,95, maar de eerste is voor mij goed genoeg. Ik dus terug naar Action, de oplader gezocht en de betaalbalie door met de opmerking, dat ik hier nu drie keer ben geweest en me nog erger genaaid voel als voorheen. Weer die schouders, maar ik maak er verder maar geen woord aan vuil.

Thuis probeer ik de Multi Tool met batterij en oplader even uit en alles werkt gelukkig. Hoewel ik nu €54,89 in plaats van €24,95 heb uitgegeven, ben ik toch tevreden. Ik heb die apparaten elders voor het dubbele bedrag zien liggen. Nu maar hopen, dat de kwaliteit ook aan mijn eisen voldoet.

 

Het enige positieve aan dit verhaal is, dat mijn stappenteller op mijn telefoon nu op 5427 staat, ruim boven het gemiddelde dat ik per dag wil lopen!

 

© Henk M. van Oosterwijk

Bier, whisky en . . . . .

. . . .  Geen vrouwen. 

Nee, het was anders. Ik wist niet, dat ik dit nog op mijn 77e zou doen, maar het overkwam me gewoon. Ik schaam me een beetje, maar ik moet het jullie vertellen. Luister naar mijn verhaal.

 

Na een drukke dag kom ik om half acht 's avonds bij mijn boot aan. 's Zomers woon ik namelijk samen met mijn papegaai Schipper ruim vier maanden op mijn plezierjachtje 'Dagaonogal'. Als ik familie of vrienden aan boord heb, gaan we varen; zo niet, dan blijf ik lekker in de Oosterhoutse haven liggen. Ik kan me daar ook best bezighouden met schrijven, kletsen met de andere schippers en wat werkuren maken om de haven netjes te houden. Het Covid-19 virus heeft wel een grote verandering in onze leefstijl aangebracht, maar we proberen er het beste van te maken. Gelukkig is het biljart in onze kantine begin juli weer vrijgegeven. Als we ons aan de regelementen houden, zoals anderhalve meter afstand, biljart, ballen en tafeltje ontsmetten en zo voort, kunnen we ons spelletje weer spelen.

 

"Henk, potje biljarte!" hoor ik iemand roepen, net als ik op mijn boot stap.

Mijn botenbuurman Ben roept deze woorden. Hij en ik houden wel van een partijtje biljart.

"Oké," roep ik terug, "mar ik heb effe twintig minuten nodig om wa te ete."

"Prima," roept Ben weer, "dan gaoj ik alles alvast klaorzette."

Ik duik de kajuit in, afdeling kombuis, warm een kopje soep op en werk een koude schotel(tje) weg. Dan denk ik aan die fles whisky, die ik enkele weken hiervoor van Ben heb gekregen.

"Drinken die samen op," was toen mijn bedankje. Dus pak ik snel die fles en twee glazen mee en stap de steiger op, nadat ik Schipper verteld heb, dat "ik een potje ben biljarte". De papegaai begrijpt het en roept: “Houdoe!”

 

Het is precies twintig minuten na de uitnodiging, als ik met mijn biljartfoedraal met keu en whisky de kantine binnen stap.

Even voor de buitenstaanders: als lid van WSV Sluis 1 kunnen we ten alle tijden in onze kantine. Hierin staat een koffieautomaat en een automaat voor frisdranken en bier en een biljarttafel natuurlijk.

Goed acht uur dus beginnen we aan ons partijtje biljarten, libre wel te verstaan. Ben is een opkomend talent, die graag veel speelt om bij te leren. Ik ben een routinier met vergane glorie, die veel moet biljarten om nog een armzalig moyenne van 1,5 op peil te kunnen houden.

“Eerst een whisky,” zeg ik, terwijl ik de glazen inschenk.

“Wel rustig aon,” antwoordt Ben, “want morge gaoj ik mee Loes op vakantie.”

“Tuurlijk kalm aon,” zeg ik, “Het is mar om te proeve, toch?”

We proberen allebei het drankje met een klein slokje. Het kan onze goedkeuring wel hebben en beginnen aan de eerste partij. Die gaat Ben winnen.

“Nog een partijtje?” is zijn vraag, terwijl ik de glazen weer inschenk.

“Prima.” Ik druk de kurk weer in de fles en pak mijn keu om de opstoot te gaan maken.

“Ik nim er effe een pilske bij veur de dorst. Gij ôk?”

Ben kijkt me vragend aan en ik knik bevestigend. Van deze whisky krijg ik een droge keel en dan smaakt een biertje wel.

De tweede partij schrijf ik op mijn naam, we nemen naast de whisky nog een blikje Bavaria en beginnen aan ons derde wedstrijdje libre.

 

En dan gaat bij mij het licht uit.

Ik word die volgende morgen om acht uur gewekt door mijn telefoon. Op het scherm zie ik, dat om negen uur mijn havenwerk begint: onkruid uit het tegelpad halen. Ik lig met mijn kleren aan in mijn slaaphut. Langzaam kom ik overeind.

Een beetje duf scheer en was ik me, intussen diep nadenkend, hoe het nou eigenlijk gisteravond is afgelopen met ons biljarten.

Hebben we toch alles opgeruimd? Ik kijk de boot rond en zie de Jumbo plastic tas. Daaruit haal ik een lege fles whisky en twee glazen!

Hebben we gisteren elk een halve liter whisky op? Ben en ik? En nog wat biertjes? Ik kan het me niet meer herinneren! Hoe zijn we terug op de boot gekomen? Ik loop de steiger op en zie Ben op zijn boot. Hij kan me misschien antwoord geven.

“Ik wit ut ôk nimmer,” verklaart hij. “Ik hôr van Loes, da ze oôs meegenome heé naor de boôt. Hedde gij ok zonne kater?”

“Valt mee,” antwoord ik, “mar ik mot drek gaon werken aon de tegelpaoden, en ut wordt vandaog drieëndertig graden! ‘k Zal mar un fles waoter meeneme!”

Dan komt Loes de boot opgelopen en horen we haar verhaal. Toen ze gisteravond om half twaalf terugkwam van haar werk, zag ze nog licht aan in de kantine en vond ons aan het biljart. Het hoeveelste partijtje, dat we aan het spelen waren, weet geen mens. We herinneren beide alleen de aanvang van wedstrijd drie. Loes krijgt ons zo ver, dat we opruimen en de kantine afsluiten. Slingerend zoeken we onze weg naar de boten en Loes helpt mij veilig mijn kajuit te bereiken.

Meteen val ik in een diepe slaap.

 

Hoe Ben zich die eerste vakantiedag voelt, weet ik nog niet. Hij is nog niet terug in de haven. Ik hoef gelukkig maar een halve dag te werken. Samen met maatje Piet het gras tussen de tegels verwijderen, een zwaar karwei bij deze hitte en vooral het bukken doet me aan de whisky herinneren.

Maar ik houd het tot half één uit en klaar het geplande werk.

Ik heb me echter voorgenomen, dat ik me nooit meer ondersteboven drink. Een beetje schaamte is hier wel op zijn plaats.

Ik word nog wijs op mijn leeftijd!

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Eigenwijs is ook wijs

Eigenwijs is ook wijs, zegt men wel.

Niet altijd komt deze spreuk uit. Altijd niet, denk ik.

Ik heb ook wel een kleine vorm van eigenwijsheid en dan heb je zo af en toe wat mee te maken. Zo ook maandag 31 augustus jl.

 

Het verhaal begint op de zondag ervoor.

Ik zit lekker op mijn boot, gelegen in de Oosterhoutse haven Sluis 1, naar het verloop van de tweede etappe van de Tour de France te kijken en laat daarna de rest van de sport op NPO 1 ook over me heen komen. Rond acht uur die avond kom ik stijf uit mijn stoel omhoog en besluit om nog wat te gaan lopen. Wandelen in mijn geval, want deze dag heb ik nog maar weinig stappen gezet. Ik zoek mijn schoenen op en, zittend in een van de rietenstoelen, trek ik ze aan.

Dan gebeurt het.

Als ik de veter van mijn rechterschoen wil vastknopen, schiet mijn rechter kunstheup uit de kunstkom. En ik kan je vertellen: dat doet pijn!

Mijn beide kunstheupen zijn twintig jaar geleden aangebracht en het is nu voor de derde keer, dat die rechter bij een onverhoedse beweging uit de kom schiet.

Even blijf ik stil zitten, zodat de pijn iets zakt. De banden, pezen en spieren rondom de kunstheup zijn waarschijnlijk flink opgerekt en dat veroorzaakt het leed.

Zal ik de buren te hulp roepen? John en Lia zijn beide op hun boot naast mij. Maar nee, denk ik, even zelf proberen of ik het op kan lossen.

Mijn rechterbeen reageert nergens op; het hangt er maar wat bij. Maar ik heb dit eerder meegemaakt en daarbij de heupbol weer zelf in de kom kunnen drukken.

Ik weet wat me te wachten staat: nog meer pijn. Maar ik breng langzaam mijn beide handen naar de rechter enkel en pak deze vast. Langzaam, omdat deze beweging erg pijnlijk is. Van daaruit druk ik de knie voorzichtig omhoog richting mijn schouder en de hiel naar mijn bil.

Knak!

Met een vreselijke pijnscheut schiet de heupbol terug in de kunststof kom. De pijn blijft aanhouden, vooral in mijn lies, waar een harde bobbel opgroeit. Niet, die ik gewend ben, maar waarschijnlijk een reactie van spieren en banden. Ik blijf een tijdje stilzitten en dat werkt wel wat verzachtend, maar ik wil het been toch in beweging zetten om te proberen, dat het op de zenuwprikkels werkt. Voorzichtig kom ik omhoog en zet een paar pijnlijke stappen.

Alles werkt gelukkig nog, maar wel met een behoorlijke portie pijn erbij.

Ik schuif de deur open en vertel het gebeurde aan mijn buurvrouw Lia.

“Had effe geroepe,” is haar reactie, “dan had ik kunnen helpen.”

“Ge had toch nie veul kunne doen,” antwoord ik.

“Ge gaot toch zeker morge wel effe naor de dokter?”

Ze kijkt me vragend aan.

“Ik kijk wel, misschien is mèrege de pijn wel weg.”

Morgen heb ik het druk, want overmorgen varen vrienden Piet en Maria met mij mee voor een rondje Biesbosch. Boodschappen doen, de motor nog even nalopen en het volgbootje van Arno van achter mijn boot op een andere plaats leggen.

Dus ik zie wel.

 

Zondag nacht kan ik moeilijk in slaap komen. Ik weet niet hoe mijn been weg te leggen en neem daarom maar een aantal pillen in tegen de pijn. Uiteindelijk val ik rond vier uur, goed verdoofd, in slaap.

Maandagmorgen lukt me het om te lopen. De pijn is toch wat minder geworden en tijdens het boodschappen doen schijnen de spieren opgewarmd te worden en doen met minder pijn hun werk. Ik moet echter niet te vlug lopen.

Als de boodschappen aan boord zijn en mijn DAF-motor gecontroleerd is, bekijk ik even het rubberbootje. Het is behoorlijk vol water geregend en is ook nog halfleeg gelopen. Maar ik stap in het ding, maak het voorzichtig los uit de davits en roei staande naar de wal. Zitten is geen optie met mijn beschadigde heup.

Het lukt me tijdens het roeien staande te blijven en kom bij de kant aan. Hier ligt een loopbrug, die de walkant met de drijvende steiger verbindt. Half onder die schuin liggende brug moet ik het bootje aanleggen tegen een vingersteiger, die onder de brug doorloopt,. Er zijn aan de steiger twee ringen aanwezig, waaraan ik de rubberboot moet vastleggen. Eén ring bevindt zich onder de brug. In een poging me daarnaartoe te trekken, grijpend aan een stalen balk van de brug, schiet het bootje ineens vooruit en val ik achterover in de boot. Door mijn gewicht gaat de punt van de boot omhoog en zit ik midden in het regenwater, waardoor de achterzijde door mijn gewicht een beetje onder water gedrukt wordt en de boot vol stroomt.

Ik ben zeiknat!

Maar dat is nog niet het ergste. De koude van het water voel ik ook niet. Ik lig echter half achterover en kan geen kant op! Mijn rechterbeen kan ik niet afzetten door die geblesseerde heup. Gelukkig heb ik mijn telefoon en portemonnee in de grote boot gelaten.

Hulpeloos kijk ik om me heen.

Niemand!

Geen mens te zien. Iedereen zit natuurlijk naar het achtuurjournaal te kijken en de meeste boteneigenaren zijn thuis. Er zal ook niemand komen opdagen nu.

Ik ben echter te trots (lees eigenwijs) om “HELP” te roepen. Daarom blijf ik rustig achterover in het bootje liggen, nadenkend over hoe ik uit deze positie kan komen. Tot mijn middel in het water. In die houding trek ik het bootje, me vasthoudend aan de zijplanken van het steigertje, naar voren, onder de steigerbrug en het lukt me een touw door de ring aldaar te steken. Voorzichtig vooroverbuigend, rekening houdend met mijn heup, leg ik de boor hieraan vast, met gevierd touw. Daarna duw ik me stukje voor stukje naar achter, naar de andere ring, tot ik er net bij kan. en snoer het bootje stevig tegen de steiger aan.

Na enkele pogingen grijp ik met beide handen een ijzeren balk van de loopbrug en hijs me omhoog, tot ik weer in het bootje kan staan. Me aan de brug vasthoudend krijg ik mijn linkerknie op de steiger en krabbel voorzichtig overeind. Het water loopt uit mijn broek.

Ik heb het gefikst!

Heeft wel twintig minuten geduurd, maar het is gelukt. Nog steeds geen mens te zien hier! Gelukkig maar, want het was wel een hilarische situatie, denk ik.

Voorzichtig loop ik over de steiger, mijn heup sparend, naar mijn boot Dagaonogal en vertel ik mijn avonturen aan de buurvrouw.

“Wa bende toch eigenwijs,” spreekt ze me vermanend toe. “John had da botje wel effe verlegd! En bende al naor de dokter gewist?””

“Doe’k woensdag wel,” antwoord ik, “Ik mot mèrege irst mee vrienden gaon vaoren.”

 

En zo geschiedde.

Dinsdag, met weer wat minder pijn, werd een mooie tocht door de Biesbosch, en woensdag vergat ik de dokter te bellen.

Het doktersbezoekje werd donderdag uitgevoerd en meteen werden er foto’s van mijn heupen gemaakt in Amphia Oosterhout. Uitslag: alles zit goed en nog hetzelfde als in 2011, toen de heup ook uit zijn kom schoot.

Als ik dit schrijf, is het weer maandag, een week verder. De pijn is nog niet weg, ik moet lopen met kleine stapjes, maar nu kan ik weer lachen om mijn benarde situaties.

Eind goed, al goed.

© Henk M. van Oosterwijk


De rubberboot

Ik had hem eigenlijk al afgeschreven, mijn rubberen bijboot.
Het bootje bestaat uit drie luchtkamers: twee zijkanten en een voorpunt. En die laatste veroorzaakte het probleem: die liep langzaam leeg en hing dan slap en triest in de touwen van mijn davits. (Voor de niet-watersporters: davits zijn een soort takeltjes, waarmee je de volgboot achter je grotere boot hangt). Het zou gemakkelijk zijn, als je zo'n bootje even in de haven onder water kon dompelen, zoals je bij een fietsband een lek vindt, maar met alle mankracht van de wereld lukt dat natuurlijk niet. Afschuimen dan maar.
Met kleinzoon Arno haalde ik de rubberboot op de walkant en samen gingen we het ding met een spuitbus te lijf, een bus voor het vinden van gaslekken.
Geen resultaat.
Nergens kwamen er belletjes, die ons naar een lekkage leidden.
"Ik hou de aluminium vloer en de peddels," zei ik tegen Arno, " en de rest breng ik naar de stort."
Ik schafte een ander bijbootje aan. Tenminste, ik kreeg de polyester boot van Gerard, die bij mij aan de steiger ligt, en kocht de houten roeispanen en een benzinetank. Een buitenboordmotor hield ik over van de rubberboot.
Ik had weer een bijboot.
De lekke rubberboot lag intussen, leeg en opgerold, in mijn wagen.
"Hedde't lek in oew botje al gevonde?"
Het is mijn vaarvriend Peter, die me deze vraag stelt.
"Neije," antwoord ik hem. "Himmel afgeschuimd, mar niks gevonde. Hij ligt nou in munnen auto om um naor de stort te brenge."
"Da's toch zonde. Ut botje is nog nie zo oud." Peter kijkt me nadenkend aan. "Zal ik ur us naor kijke?"
"Da's goed." Ik strijk langzaam met mijn hand over mijn grijze baardje. "Ge maag um houe ok."
De volgende dag rijd ik met het bootje achterin de wagen naar Rijen, om het ding bij Peter af te geven. Ik heb een beetje een rotgevoel over deze situatie, want kleinzoon Arno heeft me gisteravond gebeld of hij nog mocht proberen om het lek te vinden.
Ik heb het bootje echter aan Peter beloofd, dus breng ik het naar hem.
Als ik dit toch aan Peter vertel, reageert hij spontaan: "Mokt niks uit. Hij maag ut hebbe. Mar we gaon irst wel da lek zoeke!"
We leggen het rubber bootje, toch wel twee meter tachtig lang, op de achterplaats van de woning en pompen het op. Net als alles op druk staat, begint het te regenen.
"Ik laot m'neige nie nat rengele," zegt Peter tegen zijn vrouwtje Ria, "leg mar un laoke klaor in de woonkaomer, dan brenge we ut botje naor binne!"
Ik krijg geen tijd om verbaasd te kijken, want Peter gebiedt me al de boot mee op te pakken. Samen sjouwen we het rubberen ding. (2,80 x 1,25 meter) door de gang en keuken de woonkamer in, waar Ria alles al klaar heeft gemaakt om de boot neer te leggen.
Peter begint met afschuimen. Ook hij moet zich na een half uur werk overgeven aan het feit geen lek te kunnen vinden.
"We douwen um in bad!"
Ik kijk Peter verbijsterd aan.
"In bad? Hoe krijge we da vur mekaar?"
"Simpel," legt mijn vriend uit. "We laote de twee achterste luchtkaomers leeg lope en douwen um meej de punt in het bad!"
Ook nu krijg ik geen tijd om na te denken, want Ria is al onderweg om het bad vol te laten lopen, en Peter draait de ventielen van de twee zij-luchtkamers open. Als de lucht uit het achterste deel van het bootje verdwenen is, pakken we de boot weer op. Vanuit de woonkamer, door de keuken, gang en de slaapkamer bereiken we de badkamer. Er valt hier en daar wat van de muur.
"Gift niks," reageert Ria, "da ruim ik drek wel op."
Met vereende krachten drukken we de punt van het bootje verticaal in het bad. Peter hangt tussen die voorpunt en de slappe achterkant op de badrand, drukt samen met Ria en mij de boot zo diep mogelijk onder water. Peter zoekt luchtbelletjes, maar die komen er niet.
"Dan mar wir naor buite," commandeert Peter, en via slaapkamer en gang leggen we het lekke ding opnieuw op de achterplaats weg.
Het is intussen opgehouden met regenen.
"Oppompe en opnieuw beginne," legt Peter uit.
Terwijl ik het uitgebreid zoeken eigenlijk allang beu ben, geeft Peter niet op. Ik pomp alle drie de luchtdelen van de boot weer op volle spanning en Peter rolt de tuinslang uit. Intussen hangt Ria de van de muur gevallen objecten weer terug aan de wand.
"Ik schuim de hille boot aon de buitenkaant af en gij lot um vol waoter lope," zegt Peter. IJverig gaat hij met zijn sopbakje het rubber weer te lijf, en ik vul de boot met water en tuur gespannen op de rubber wanden, zoekend naar bubbels.
"Gevonde!"
Peter uit deze kreet.
Ik kijk naar zijn handen, die op het rubber rusten.
"Neije, nie bij mijn. Daor!" Hij wijst aan de binnenkant van de boot een plekje aan, net op de scheiding van drie rubber lagen. Kleine luchtbelletjes dringen zich omhoog naar het wateroppervlak.
Peter blij, Ria blij, ik blij, allemaal blij!
We hebben het piepkleine gaatje gevonden. Peter pakt meteen een merkstift en markeert de boosdoener. Het lek beplakken ga ik wel bij Arno in Dongen doen.
"Arno zal wel blij zijn," merkt Peter nog op. "Kom, we ruime de boel op."
De kleine spulletjes is zo gebeurd, maar de boot omkiepen om het water er uit te laten lopen, zit even tegen. Er zitten nogal wat litertjes, misschien wel anderhalve kuub, water in de rubberboot. Met vereende krachten lukt het uiteindelijk en een waterval stort zich over het gazon.
"We hadde d'ur ok de stop uit kunnen trekke'", is mijn reactie nog achteraf.
Ja, zo kan je meer opmerkingen plaatsen. De rubberboot heeft een heel traject afgelegd. Van de auto naar de achterplaats, vanwege de regen door de gang, keuken naar de woonkamer. Dan weer door de keuken, gang en slaapkamer naar de badkamer. En dan van de badkamer, door de slaapkamer en gang naar de achterplaats, waar we zijn begonnen.
We hadden de boot ook in de regen kunnen laten liggen. Gevuld met het hemelwater waren de luchtbelletjes ook tevoorschijn gekomen.............
Henk M. van Oosterwijk

Het boek voor Moeder en Dochter

Of: Hoe een man zijn vrouw graag ziet.

 Omdat ik in deze corona-tijd niet de deur uit mag, ben ik mijn boekenkast maar eens in kaart gaan brengen.

En wat kom ik tegen?

Het zakboekje, of liever gezegd: het tasboekje "Het boek voor moeder en dochter", met als ondertitel: " Volledig onderricht in alles wat ene vrouw, als huishoudster en moeder dient te weten." 

Zo, een mondvol.

De uitgave is kerkelijk goedgekeurd en geschreven door een R.K. Priester "naar de gegevens van ervaren huisvrouwen, geneesheeren en opvoedkundigen".

Als u enige vreemde spellingswijze in mijn zinnen opmerkt, komt dit, omdat ik het letterlijk uit dit boekje heb oovergenomen. Het is namelijk uitgegeven in 1906, maar ik heb de 5e druk van 1923 voor me liggen.

 

In het voorwoord zegt Z.H. Paus Leo XIII: " Het is een onloochenbaar feit, dat de oorzaak van velerlei maatschappelijke misstanden moet gezocht worden in de gebrekkige inrichting der huisgezinnen, in de onbekwaamheid van vele huisvrouwen en in de verwaarloosde opvoeding der kinderen."

Voor zover Leo Dertien.

Zo, die is raak!

Ik heb het altijd wel gedacht: die huisvrouwen!

We zijn nu 100 jaar verder, en wat is er veranderd?

Niets.

Veel misstanden in onze maatschappij ontstaan uit karaktervorming en opvoeding van onze kinderen. Ik wil alleen niet zo ver gaan als onze pauselijke Leo en er alleen de huisvrouwen de schuld van geven. De tijd van "de vrouw heeft maar een recht: het aanrecht" is intussen wel voorbij en ook de man moet zijn deel van de schuld maar opeisen.

Zo, dat is gezegd, dames.

 

Honderd jaar terug, had de Roomse kern hier toch andere gedachten over. Anders hadden ze ‘Het boek voor moeder en dochter’ niet geschreven.

Paus Leo gaat verder: "Vroeger leerden bijna alle meisjes de huishoudkunde in den huiselijke kring. De levensomstandigheden zijn echter heden ten dage zoo gewijzigd, dat betrekkelijk weinig toekomstige huisvrouwen de noodzakelijke kundigheden voor hare roeping van hare moeder leren. Voor zulke huisvrouwen en meisjes, die niet de gelegenheid hadden een grondig onderricht in het huishouden te ontvangen, is dit boekje op de allereerste plaats bestemd."

1923 hè!

Bijna honderd jaar geleden. Is er iets veranderd dan? Mijn eerste conclusie uit deze woorden: de vrouwen zijn er schuldig aan, dat de maatschappij zo verrot in elkaar zit, niewaar? Volgens Leo!

En nu heb ik pas het voorwoord gelezen. Ik ben erg benieuwd, wat de schrijver, zijnde een R.K. Priester, verder in de komende 350 pagina's te vertellen heeft over huisvrouwen en meisjes.

Kan hij daar verstand van hebben?

 

Als ik onderstaande tekst aan mijn eigen Rietje had voorgelezen, dan zou ik, of een boze vrouw, of een hartelijk lachende vrouw gezien hebben. Net in welke stemming ze dan verkeerde. Leest u het zelf maar.

 

De inleiding.

 

Na het voorwoord van paus Leo XIII komt in het boekje de inleiding, die begint met:

“De huisvrouw heeft het huiselijk geluk in handen. Wanneer zij hare plichten van echtgenoote, huisvrouw en moeder goed kent en die steeds in beoefening brengt, dan alleen kan er van huiselijk geluk sprake zijn.”

Kijk, komen toch weer hare plichten naar voren. Ook in de inleiding spreekt ‘de priester’ niet over de man, alleen voert hij tot slot het spreekwoord aan:

Goede vrouwen maken goede mannen.

 

Dan beginnen de lessen.

In het eerste hoofdstukje “Hoedanigheden eener goede huisvrouw; zij moet aan de volgende voorwaarden voldoen” (ik heb het een beetje ingekort):

Zij is vóór alles godsdienstig; aan God’s zegen is alles gelegen.

Zij koestert een oprechte liefde jegens haar man. Zij tracht op alle mogelijke wijzen hem het leven aangenaam te maken.

Zij is onbaatzuchtig. Gaarne onderdrukt zij hare eigen wenschen om die van haar man te volbrengen.

Zij is geduldig en weet de fouten van anderen te verdragen. Wanneer soms de huiselijke vrede dreigt verstoord te worden, weet zij wijselijk te zwijgen.

Zij is oprecht en openhartig.

Zij is vredelievend en zachtmoedig.

Zij is altijd vriendelijk en opgeruimd.

Zo is zij een waarlijk aangename levensgezellin voor haren man, een liefderijke, zorgzame moeder voor haar kinderen.”

 

Hé, dat moeten veel vrouwen eens op hun bucketlist zetten. Of niet?

En dan die slotzin:

“Een flinke, arbeidzame vrouw kan het huishouden tot zekeren bloei brengen, zelfs al zou de man hiertoe niet altijd medewerken.”

 

“Ziede wel,” zeg ik als Brabander, “wij, mannuh, hoeve dur niks vur te doen. Oos vrouw môkt oos gewôôn gelukkig.”

 

Ik heb het boekje uitgelezen, maar zal u er verder niet mee lastig vallen. Alles staat erin. Hoe ge met biervlekken om moet gaan, hoe je moet voorkomen dat slaolie dik wordt. Het breien, stoppen, mazen, naaien, knippen en verstellen. Wassen, stijven en strijken. Je kunt het niet opnoemen, of het is uitgelegd.

Maar niets over seks, waar een man toch echt gelukkig van wordt, niewaar? Helemaal niks over de liefde bedrijven, vrijen, enzovoort. Even vind ik het woord Gummi artikelen. Ik denk nog: nou gaat het gebeuren.

Niks van dat alles, er staat:

“Gummi artikelen, die hun elasticiteit verloren hebben, legge men een half uur in een mengsel van twee deelen water en een deel ammoniak. Ze zijn dan weer als nieuw.”

 

Houdoe.

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Oud

 

Ik ben vanmorgen opgestaan

Vanavond ga ik weer naar bed

Wat heb ik heel de dag gedaan

Ik heb er echt niet op gelet

 

 

Krantje lezen, koffiedrinken

Mail na kijken, Facebook linken

Dan nodige boodschappen doen

Rondje lopen, langs puinhopen

Whisky kopen, veter knopen

Thuiskomen en jas uit doen

 

Eten en teevee aanzetten

Languit in de luie stoel

Met een vreemd vermoeid gevoel

Niet vergeten: de tabletten

 

Laatste nieuws en weer naar bed

Ik heb het weer een dag gered

Oud worden was ooit de wens

Oud zijn is lijk een telelens

Je haalt het verleden naderbij

Maar de dood is dichterbij 

                                        © Henk M. van Oosterwijk

Hoe kom ik op teevee?

Ik heb wel wat pogingen gedaan.

In 2013 kwam mijn eerste boek uit, al snel gevolgd door het tweede, en intussen is boek 7 al voor negentig procent af. Dat wil niet zeggen, dat het volgende week al klaar is want als de laatste punt is gezet, komt de fase van corrigeren, stukjes herschrijven en weer nakijken. Bij dat nakijken worden er weer deeltjes herschreven of gewijzigd. Als tenslotte de proefdruk op tafel ligt, volgt nog eens een ronde van drie maal lezen en taalcorrecties aanbrengen en daarna wordt het boek pas definitief.

Dan blijkt later, als ik het nog eens lees, dat er toch nog wat kleine foutjes inzitten, maar who cares?

 

Nou heb ik diverse keren geprobeerd om mijn boeken bij diverse praatprogramma’s op teevee onder de aandacht te brengen. Niet opdringerig. Gewoon een boek opsturen en afwachten. Wat denk je? Geen enkele reactie! Zelfs geen mailtje, dat het in goede orde ontvangen is!

Maakt me niet uit, want ik hoef er niet van te leven. Ik krijg mijn natje en droogje toch wel op tijd. Zelfs tijdens deze Corona tijd.

Ik had het echter wel normaal gevonden, als ze mij berichten, dat ze niets met mijn boeken konden. Is wel zo netjes, niewaar.

Er zijn toch een hoop mensen, die van mijn boeken en korte verhalen genieten. Mijn doelgroep ligt wel bij de 50-plussers, zeventig procent dames, en dan nog wat jongeren erbij.

Ik ben er mee tevreden, maar blijf boeken sturen naar de media.

 

Nou ben ik in het verleden wel op teevee geweest.

Niet dat ik daar trots op ben, maar – na eerst mezelf erg kwaad te maken en op te winden – heb ik daarna veel lol gehad om deze optredens.

Omdat ik ze na het eerste interview op Omroep Brant TV niet meer serieus nam.

Ik zal het u vertellen.

 

Vanaf 1993 organiseerde ik accordeon festivals. Samen met accordeonist Rini Marijnissen deed ik er zestien in Rijen en veertien in Gilze; en samen met de watersportvereniging kwamen er tien in Hank.

Totaal veertig stuks dus.

Zo gebeurde het in 2013 dat er een festival in Hank was. Tot mijn grote verwondering verscheen er plotseling een verslaggever met camera van Omroep Brabant, die – onaangekondigd - om een interview vroeg.

Natuurlijk kon dat.

Hoewel ze in het verleden nooit interesse hadden getoond, op een keer of twee na door hun afdeling Radio, stemde ik toe. De streekkranten schreven in die tijd volop over onze festivals.

 

Het was een normaal gesprek.

Ik vertelde de cameraman, want hij was alleen, over het wel en wee van onze accordeonfestivals, totdat de man liet merken, dat hij genoeg stof had voor zijn programma.

Op woensdag na die bewuste zondag werd ons festival uitgezonden op Omroep Brabant.

En wat denk je? Het ging niet over de prachtige accordeonmuziek en het plezier dat een volle zaal hiervan had. Nee, de hoofdzaak was, dat er te weinig accordeonmuziek vanuit Hilversum de ether werd ingestuurd!

Eén zinnetje had ik daar over gezegd. Letterlijk: “Met deze festivals promoten wij de accordeon, want Hilversum draait weinig accordeonmuziek.”

Deze zin gebruikte die cameraman, om de vraag aan een aantal accordeonisten en bezoekers te stellen: “Vinden jullie, dat Hilversum te weinig accordeonmuziek uitzendt?”

Natuurlijk vonden ze dat.

Het tv-programma ging niet over onze muziek, maar Hilversum werd aangevallen!

 

Nou, de volgende dag brak de hel los.

Radio Brabant belde me om wat vragen te stellen. Diverse DJ’s uit Hilversum kreeg ik aan de lijn en zat ineens live in hun programma’s. Allen met de vraag, waarom ik vond, dat ze geen accordeonmuziek draaiden. Dat deden ze ook niet, vertelden ze me, want dat was ouderwets enzovoort.

Maar ik had wel een aanval op mij verwacht, alleen niet zo groot. Ik was toch een beetje voorbereid.

“Wat denken jullie van onze Nederlandse pop-bandjes,” was steeds mijn antwoord. “Elke band heeft een accordeon. Rowwe Hèze, De Dijk, Pater Moeskroen, Doe Maar. Moet ik er nog meer opnoemen?”

Dan was het even stil aan de andere kant van de lijn. Gelukkig maar, want ik wist er niet meer op te noemen. Niet dat ik ze niet kende, maar ik ben slecht in namen onthouden.

Daarna bestookten ze met allerlei vragen, die ik lachend wegwuifde.

 

Toen kwam de teevee.

Ongevraagd, zo maar uit zichzelf.

BNN luisterde de radio’s blijkbaar af en hadden ook TV Brabant gezien. Ze belden, of ze even langs mochten komen, rond half zeven, want ze zaten in de buurt. In Waalwijk. Dan kon hun interview om acht uur nog uitgezonden worden.

Kom maar.

Ik ben er klaar voor.

 

Om tien voor half zeven vielen ze binnen.

Een voor mij onbekende presentator, T-shirt aan en gewapend met een microfoon, en een cameravrouw. Dat jonge BNN-gastje zit nu - na zeven jaar – bij het NOS-nieuws in pak, overhemd en stropdas, en is waarschijnlijk volwassen geworden.

Ik zat in de bank met – expres – een fles bier in de hand. Ik had overigens niet gedronken.

De jongeman probeerde me te interviewen, maar ik vroeg hem:

“Ok un fleske bier?” En deed aanstalten om omhoog te komen.

“Nee, dank u meneer, ik drink niet tijdens mijn werk.” Hij ging verder met zijn vragen over Hilversum en de accordeon. Ik gaf dan wel een of ander stom antwoord en vroeg telkens aan hem:

“Motte echt niks drinke?” Terwijl ikzelf een lekkere slok Amstel nam.

Hij voelde zich niet zo lekker bij dit gesprek. Een kwartier duurde deze komedie en toen verdween het stel met toch een bedankje.

 

“Da slaot hillemaol nergus op,” roept Riet, mijn vrouw, uit, toen de teeveeploeg verdwenen was. “as da op teevee komt, dan wit ik ut nimmer.”

“Och Riet,” antwoordde ik, “Omroep Brabant môkt irst un programma, da zo gemonteerd is, da’t nie weergift wè ik bedoel. ‘k Hè de rest un goeie veeg uit de pan gegéve. Dees komt toch nie op teevee.”

 

Toch zetten we tegen acht uur die avond even de teevee op Nederland 3, BNN dus.

Tot onze verbazing zien we onszelf op ons toestel!

Anderhalf minuut, van de vijftien minuten opname. Het gesprek in flarden geknipt. “Motte echt niks drinke?” eruit gelaten. Het flesje bier van mij wel in beeld.

Ik heb gelachen, maar Riet was er niet blij mee.

“Wa motte de meese welnie van oe denke meej da bier in oew haande,” zei ze bestraffend.

“Môkt me niks uit,” antwoordde ik, “mar ik ben op de laandelukke telleviesie gewiest.”

Dat wel, natuurlijk. Nou nog met mijn boeken.

 

© Henk M. van Oosterwijk

Goede daad in de Oertijd

Sommige mensen vinden de kleinste dingen.

Mijn vrouw Riet vond ook allerlei kleine dingen, zoals dubbeltjes of andere voorwerpen. Zij liep dan ook altijd naar de grond te staren, zelfs in een drukke winkelstraat. Tegenliggers moesten voor haar uitwijken, want die zag ze niet!.

Ik vind nooit niks.

Nee, ik moet zeggen: nooit iets. Want nooit niks is altijd wat. (Heb ik niet van mezelf).

Maar nu mijn verhaal.

 

Half februari dit jaar (2020) ben ik op vakantie met Ria en Peter. We hebben een huisje gehuurd op het park Hanzedal in Borger, gelegen in onze mooie Nederlandse provincie Drenthe. Van daaruit gaan we Veenhuizen (ik heb er even gezeten, op een stoel welteverstaan) bekijken, Kamp Westerbork bezoeken en natuurlijk de hunebedden in Borger bestuderen. Deze laatste staan een steenworp van ons vakantieadres vandaan.

Als we daar aankomen, krijgen we te horen, dat op deze plek ook de IJstijd en de Oertijd te bestuderen zijn. Nadat we het grootste Hunebed van Nederland en de bijbehorende museumhal bekeken hebben, best interessant overigens, gaan we eens kijken of er nog iets te leren valt over de IJstijd, het Bronzen Tijdperk en het IJzeren Tijdperk.

Bij onze rondgang in de Oertijd komen we bij een waterpomp, die overigens geen 20.000 jaar maar misschien honderd jaar oud is.

 

Plotseling bukt Peter zich en raapt een klein voorwerp op, dat verborgen ligt tussen hoog opgegroeid gras. In die tijd hadden ze waarschijnlijk nog geen grasmaaiers.

Als ik ooit iets zie liggen, schop ik er meestal eerst even tegenaan, zodat het wegrolt en ik beter kan zien of het waardeloos of waardevol is. Gelukkig doet Peter dat niet.

“Un hoorapperaot,” roept hij naar ons, Ria en mij. “Ja, echt, un hoorapperaot!”

Ik schiet in de lach. Een hoorapparaat? Wie verliest er nou zijn hoorapparaat!

“Zal wel kapot zijn,” zeg ik lachend, “en hèt de eigenaor ut hier gedumpt.”

“Neije, volges mijn is ie nog himmel heel.” Peter bekijkt het ding eens goed en steekt het apparaatje triomfantelijk omhoog.

“Wa mot ur nou meej?” Ik kijk hem vragend aan.

“Bij de receptie afgeve,” is zijn simpel antwoord en hij steekt het ding in zijn zak.

 

Als we ons rondje afgemaakt hebben, meldt Peter zich bij de receptie om zijn vondst af te geven.

“De man, die erover gaat, is er even niet,” legt de receptioniste uit, “maar ik zal het hem zo dadelijk geven.”

‘Afgewerkt. Daar horen we nooit iets meer van,’ denk ik bij mezelf. Naast de receptie bevindt zich een kantine, waar we een lekker warm bakske koffie kunnen drinken. Dat doen we dus, want het was best fris in die Oertijd!

 

Twintig minuten later lopen we het horecalokaal weer uit. Voordat we de draaideur in de ontvangsthal bereiken, horen we achter ons een stem.

“Bent u die meneer van het hoorapparaat?”

We blijven staan en Peter loopt terug naar de receptie, die nu door een man wordt bezet.

“De eigenaar van het hoorapparaat is u erg dankbaar, meneer,” hoor ik de receptionist zeggen. “Hij heeft deze morgen bij mij gemeld, dat hij het apparaatje kwijt was en heeft zijn telefoonnummer hier achtergelaten. Ik heb hem net gebeld en hij is dolgelukkig.”

Mooi toch, en begrijpelijk nu.

Als we weer naar de uitgang lopen zegt Peter: “Zo, ik heb mijn goede daad voor vandaag weer gedaan.”

En zo is het.

 

‘Ik zal toch ook een beetje beter op gaan letten,’ denk ik in mezelf. Maar of dat resultaat op levert? Ik weet het niet.

Sommigen zijn ervoor geboren om allerlei dingen te vinden! Zo ook Peter.

© Henk M. van Oosterwijk

Thee drinken

Het gebeurt op vrijdag 30 augustus in het jaar 2013.

Riet en ik zijn met onze boot de MS Dagaonogal op onze terugreis van de ruim drie maanden lange zomervakantie. De Maas afzakkend richting België hebben we in Frankrijk Dory en Ad opgepikt in het mooie stadje Charleville-Mezières. Van daaruit varen we door het mooiste stukje Maas, passeren bij Chivet de grens en uiteindelijk leggen we aan in Wallonië, in de mooie stad Dinant. Vanuit onze ligplaats kijken we tegen de prachtige Citadel op. Dit is een verdedigingswerk aan de Maas, dat in het begin van de 19e eeuw door onze koning Willem I nog geheel gerenoveerd is en verstevigd tegen mogelijke aanvallen van Franrijk of Duitsland.

 

We gaan de stad eens bekijken.

Bij een temperatuur van 26 graden Celsius lopen we op ons gemak langs de winkels van Dinant. We kopen ansichtkaarten en enkele kleinigheden.

Als ik even van ons groepje vandaan loop, je kent dat getreuzel van de dames voor en in de winkels wel, wordt ik in het Frans aangesproken door een blonde dame van middelbare leeftijd. Erg bijzonder of knap ziet ze er niet uit. Niet mijn smaak, tenminste.

Zij herhaalt de zin enkele malen in het Frans, maar ik begrijp er niets van.

“Nichts verstehen!” antwoordt ik haar en haal mijn schouders op.

Dan verandert ze van taal en zegt:

“Kommen sie mit? Bei mir thee trinken?”  Ze kijkt me vragend en een beetje verleidend aan.

“ik verstaoj oe nie,” zeg ik in plat Brabants.

Ze kijkt me vragend aan. Waarschijnlijk verstaat ze geen Brabants, dat ik natuurlijk misbruik om met haar te dollen.

Langzaam loop ik door, maar ze volgt me.

“Du, mit mir,” en ze wijst met haar vinger naar haar borst, “” mit kommen. Thee trinken?”

 Ik antwoord maar niet en loop sneller door. De dame geeft het op en nog geen twee meter verder kan ik mijn lach niet houden. Ik kijk om, maar het vrouwtje is al in het winkelende volk opgelost. Ik voel nog snel aan mijn kontzak, maar de portemonnee zit er nog. Dus loop ik glimlachend door.

“Wa moest da vrouwke van jou?” vraagt Ad aan mij, die de korte ontmoeting met de blonde heeft opgemerkt.

“Thee drinken,” antwoord ik en kijk hem lachend aan. “Maar ik drink nooit thee!”

Ad kijkt even niet begrijpend, maar dan moet ook hij grijnzen!

 

© Henk M. van Oosterwijk

Mijn achterlicht

Hoofdstuk 32: 50er jaren. (uit mijn boek "Mijn Jeugdherinneringen)

Mijn achterlicht en conditie.

 

Het is in de tweede helft van de vijftiger jaren.

De Rijense kermis ligt al een aantal weken achter ons en Sinterklaas heeft ook al gereje, zoals ze dat in ons dorp zeggen.

Het zijn dus de donkere weken voor Kerstmis, maar de winter is nog niet echt binnen gevallen. Mistig miezerig weer treitert de mensen, als ze tenminste buiten komen. Maar die blijven dan ook zo veel mogelijk binnen. Evenals wij zelf, want het begin van de winter lijkt op een heel koude herfst. Veel mensen lopen een verkoudheid op of worden geveld door een griep. Zo ook ons moeder.

Ze heeft dokter Van Ardennen langs laten komen en die constateert, dat ze een behoorlijke griep te pakken heeft.

“Daar zullen we eens gauw wat aan doen,” heeft ie tegen ons moeder gezegd. “Laat na zes uur maar iemand de medicijnen ophalen. Dan liggen ze klaar.” De dokter heeft een apotheek aan huis, zoals alle dorpsdokters in deze tijd. Hij woont ‘achter op de Rijen’, zeggen de mensen hier. Wel in de Hoofdstraat, maar net niet op de Dongense weg. Nog voorbij de molen van graan- en meelhandel Theeuwes.

De dokter zorgt dus, dat de medicijnen gereed liggen en zijn vrouw ontvangt de afhalers en deelt de pillen uit. Ik geloof, dat mevrouw van Ardennen voor doktersassistente of apotheker heeft gestudeerd. Zo gaat dat in ons dorp.

 

Ik ben ’s avonds meestal rond kwart voor zes thuis, omdat we na de schooluren ook nog anderhalf uur studieles hebben. Als ik die dag thuis de werft op fiets, staat het eten al op tafel. Zoals altijd overigens. Dat heeft ons moeder nog gauw even geregeld, voordat ze goed ziek onder de wol is gekropen.  Ik eet mijn warme maaltijd met smaak op. Ons ma kan goed koken, en ik lust zowat alles. Dus dat is goed aan mij besteed! 

“Ge mot drèk effe naor dokter van Ardennen fietse,” zegt onze pa tegen mij, terwijl ik de laatste aardappels naar binnen werk.  “D’r liggen pillen klaor veur ons moeder en daor mot ze gelijk meej beginne,” legt ie verder uit.  ”Des te irder is ze’t bed uit.”

Ik knik en pik met de vork ook nog even de laatste aardappels uit de pan.

“Ja pa, ik gaoj meteen,” antwoord ik, als mijn mond leeg is. “Mot ik nog iets aon de dokter vraoge of zegge?”

“Neije, alleen pillen haole,” bevestigt onze pa, terwijl hij zijn overall weer aan schiet. Voor het eten hangt ie die in de bijkeuken weg, maar daarna heeft hij hem weer nodig. Zijn werk is elke avond de varkens en duiven voeieren.

Ik haal mijn fiets weer uit de schuur en controleer, of de dynamo nog tegen de voorband zit. Het is al vroeg donker, dus ik ben ook met brandend licht van school naar huis gekomen. Ik fiets de dam uit en zie, dat het voorlicht prima werkt. Op straat gekomen kijk ik nog even achterom om te controleren, of m’n achterlicht brandt.

Geen rooi licht te zien! ‘Ach,’  denk ik, ‘als ik straks weer thuis ben, dan kijk ik wel wat er aan de hand is en repareer ik het wel.’

Ik fiets de Tuinstraat door en draai een stukske voorbij het patronaat de Hoofdstraat in richting Dongenseweg. Bij de kerk zie ik in het duister een politieagent staan. Met zijn fiets aan de hand, bijna tegen het ijzeren hek, dat rondom het Heilig Hart beeld staat.  De politie doet in ons dorp haar diensten op de fiets. Ik herken de agent aan zijn redelijk gezette figuur: die woont bij ons om de hoek, in de Tuinstraat. Mijn vrienden en ik zijn nog al eens met voetballen weggerend voor hem, als we in de Laagstraat aan het ballen waren. Dat mag nou eenmaal niet op de rijweg!

‘Mijn achterlicht, verdorie!’ schiet het door mij heen. Maar het is al te laat om nog van de fiets af te stappen!  

‘Ja, dan maar kijken, wat er gebeurt,’ flitst het door me heen.  Ik doe net of ik de agent niet zie en fiets hem in een rustig tempo voorbij. Als ik de politieman ben gepasseerd, hoor ik een harde stem roepen:  “Hé, van Oosterwijk, stop eens!”    

Ik kijk niet om, want ik weet toch wel , wie er geroepen heeft.  Maar ga hard op de trappers staan en voer mijn snelheid langzaam op. Ten slotte ga ik bijna sprintend door de Hoofdstraat.

‘Niet omkijken, doorgaan,’ zijn mijn gedachten en ik trap maar door!

 ‘Hij kan toch niet zo hard fietsen als ik. Ik moet hem voorblijven!’

Met een rotgang draai ik het tegelpad op naar de dokterswoning en gooi bijna mijn fiets tegen de zijmuur, waar de patiënten ingang is. Pas dan kijk ik hijgend terug de Hoofdstraat in. In de slecht verlichte straat  zie ik in de verte een lichtje aankomen. Hij is in ieder geval niet zo snel op zijn dienstfiets, als ik op mijn tweewieler! Snel controleer ik het achterlicht. D’n stroomdraad zit los! Stom, dat ik dat thuis niet gezien heb! Rap draai ik de koperen kabel aan het schroefdraadeindje van het achterlichtje en schiet bij dokter van Ardennen door de patiëntendeur naar binnen.

“Wat heb je een rood hoofd?” constateert mevrouw van Ardennen, die met medicijnenflesjes bezig is. Ze is een knappe vrouw!

“Kom je medicijnen halen?”

“Ja mevrouw,” antwoord ik op haar tweede vraag en probeer mijn adem weer onder controle te krijgen. “  ‘k Heb ‘n bietje te hard gefietst, denk ik. De medicijnen zijn veur ons moeder.”

Mevrouw van Ardennen geeft mij een papieren zakje met pillen, die ik in mijn jaszak laat glijden. Zijwaarts probeer ik door een klein raampje naar buiten te kijken, maar dat lukt niet echt. Ik zie daar buiten niet veel.

“Je moet tegen je moeder zeggen, dat ze meteen een paar pillen moet nemen, jongen,” legt mevrouw van Ardennen nog even uit.

Ik knik en met een “houdoe en bedankt, mevrouw” open ik de deur, stap naar buiten en sluit de deur weer achter me. 

Bij mijn fiets staat de politieagent! Met kaplaarzen en hoog leren gordel.

Nog hijgend van het harde fietsen; zijn conditie is ook niet alles! 

“Zo, van Oosterwijk,” en hij kijkt mij zeer dringend aan van onder zijn politiepet, haalt even diep adem en gaat verder: “heb je mij niet horen roepen?”

“Roepe? “ herhaal ik,  ”Neije. Ik was bij de dokter binnen.” Ik heb weer een normale ademhaling en kan dus rustig antwoorden.

“ ’t Was ook niet hier,” gaat de agent onverstoord verder. Weer zuigt hij flink wat lucht naar binnen. “Het was bij de kerk in de buurt. Ik heb je daar gesommeerd om te stoppen! Waarom reed je door?”

Ik kijk hem met een schuin gehouden hoofd vragend aan. Dat is trouwens een normale houding voor mij in moeilijke situaties.

“Bij de kerk? Ik heb niks gehord. Ik moest medicijnen veur ons moeder haolen, want die is nog al ziek. Daor maok ik me een bietje zurgen om.”

Ik kijk hem recht in de ogen en probeer niet te blozen, maar voel toch het bloed naar mijn hoofd stijgen. Gelukkig is het al behoorlijk donker en het enige licht komt van een buitenlamp, aan de muur van de dokterswoning geschroefd, die zijn zwakke schijnsel over ons heen werpt.  En ik sta met mijn rug naar de lamp, zodat de agent mijn gezicht nauwelijks kan onderscheiden. En dus ook niet ziet, dat ik rood aan loop!

“Je hebt geen achterlicht!” gaat de politieman rustig verder en wijst naar mijn fiets.

“Hoe kan dè nou”, reageer ik bijna oprecht.

Ik houd even de adem in en ga dan op besliste toon verder.  “Thuis braande ‘t nog.”

In gedachten prevel ik een schietgebedje: ‘Och God, laot ’t lampke nie kapot zijn. Laot ’t lampke nie kapot zijn!’

“Probeer het maar eens,” zegt de gerechtsdienaar, die er absoluut niet aan twijfelt, dat het echt niet zal branden.       “Draai maar eens aan je voorwiel.”

Ik til de voorzijde van mijn fiets aan het stuur omhoog en geef een slinger aan het voorwiel, waar de dynamo op draait.  Beide kijken we naar het kleine achterlichtje op het witgeschilderde spatbord.

Het licht op! Het lampje brandt!

De agent staat even perplex, kijkt me scherp aan, perst zijn lippen op elkaar en zegt even niets. Hij blijft me alleen strak aankijken, zeer strak! Dat even lijkt wel een uur! Ik meen in het duister te zien, dat het rooie politiehoofd van zonet helemaal donker rood is geworden. Ik houd mijn adem in.

‘Wat gaat er nou gebeuren?’ zijn mijn volgende gedachten.

“Rijden maar!”

De agent kucht er een beetje bij en knikt met zijn hoofd richting de straat.

De spanning is te snijden, als ik mijn rijwiel omdraai en langzaam wegfiets. “Schiet maar op, je moeder wacht op haar medicijnen.” Zegt hij nog.

“Houdoe meneer!” groet ik netjes.

Ik draai de Hoofdstraat in en weet niet hoe snel ik weg moet komen. Dat heb ik er goed afgebracht.  Geen verbaal, geen boete. Toch slim gedaan, hoewel ik behoorlijk in mijne piepzak zat!

 

Ik fiets recht naar huis, zet mijn rijwiel in de schuur en breng de medicijnen naar ons moeder boven, die op haar slaapkamer ligt. Met een glas water er bij natuurlijk om de pillen door te spoelen. Daarna loop ik de trap weer af, hang mijn jas in de gang op de kapstok en ga de woonkeuken in.  Mijn vader zit in zijn zurgstoel de krant te lezen.

“Pa, luister ‘s . Nou hè ‘k wa meegemokt!”

Ik ga aan de keukentafel zitten en vertel het hele verhaal,  in geuren en kleuren, aan ons vader. Die legt zijn krantje even weg en luistert aandachtig naar mijn relaas. Hij moet hartelijk lachen om mijn belevenissen. Zelf zou hij zulke streken zeker ook uithalen. Maar hij plaatst wel een kanttekening bij dit gebeuren.

“Ik ken dieje plisie,” zegt ie nog lachend, “kèk de komende tijd mar uit wè g’ammel doet. Hij hèt oe in de smieze! D’n dieje houd oe zeker in de gaote!”

 

En ons vader heeft gelijk!

Er gaan twee weken voorbij. Ik heb na het voorval met het achterlicht goed opgelet, dat ik geen verkeersfouten maak. Maar de aandacht begint een beetje te verslappen. Ik kom op ‘n avond van school gefietst, de Rijen door en de Laagstraat in. Tussen het tassenfabriekske van Beterhams, naast ons, en de boerderij van Leenaarts is de trottoirband verlaagd, omdat daar auto’s en karren d’n dam op moeten rijden. Dat is voor ons ook wel gemakkelijk, want dan kunde met de fiets daar het trottoir op rijden, dan twintig meter over het betegelde voetpad fietsen en onze gang indraaien zonder van oew rijwiel hoeven te stappen!

En dat doe ik nu ook.

En daar staat plotseling onze dorpsagent:  “Dag van Oosterwijk. “

Ik heb hem niet gezien en ben totaal verrast.

“Over het trottoir aan het fietsen? Ge weet, dat het niet mag, toch?”

Geen triomfantelijk gezicht! Nee hij vertrekt geen spier!

Maar hij trekt wel zijn boekje uit zijn borstzak en ik kan, contant, een boete van twee gulden vijftig betalen! Een riksdaalder! Die moet ik even bij ons moeder gaan lenen. Ja, het vrolijke triomfantelijke gevoel van twee weken terug is bij mij helemaal weg getrokken!

Potverdorie, die heeft mij te pakken!

De helft van mijn zakgeld kwijt!

“Houdoe meneer!” groet hij netjes en fietst verder.

 

Het is een rotstreek, vind ik. Maar desondanks heb ik die man daarna toch nog een heel toffe politieagent gevonden.

Maar ja, deze keer heb ik er om gevraagd!

© Henk M. van Oosterwijk.

 

 

Wat is geluk?

Het gebeurt in 1976.

In het begin van dat jaar openen Riet en ik een café aan de Dongense weg in Rijen. We besluiten dit jaar niet op vakantie te gaan om zo snel mogelijk te bekomen van onze investering.

Het wordt echter een hete en dorstige zomer, waardoor wij weekomzetten draaien, die boven onze verwachtingen liggen. Dus besluiten we er in september toch twee weekjes tussenuit te gaan. Naar Polen, eenvoudig op bezoek bij onze vrienden in Mikolow, dat in Ober-Slezie onder de rook van de steden Corzow en Katowice ligt. Onze voorgangers Anneke en Theo, intussen trouwe klanten geworden van ons, zijn bereid de honneurs tijdens onze afwezigheid waar te nemen, zodat we de zaak niet hoeven te sluiten.

 

We bezitten een negen jaar oude Mercedes 250 super, met benzine motor dus. Een oud beestje (in die tijd) , maar in prima staat. De heenreis rijden we in een keer. Wel om de twee uur even op er een parkeerterrein stoppen voor een bakske koffie en Riet voor een sigaretje. Onder het rijden rookt ze niet. Dan na een kwartiertje weer verder over de Duitse snelwegen, waar de Mercedes snelheden haalt van tegen de tweehonderd kilometer per uur. In Polen gaat het wat rustiger; snelwegen liggen hier niet en je moet er op rekenen, dat er plots een boer met paard en kar of een paar koeien na een bocht in de weg opduiken. We komen heelhuids bij onze vrienden Lucka en Bertek aan na een rit van twaalfhonderd kilometer in vijftien uren, meegerekend het enkele uren durende oponthoud bij de DDR en Poolse grenzen.

 

Na veertien leuke dagen bij onze vrienden vertoefd te hebben, waarmee we Krakau, Warschau en Zakopane bezoeken, sturen we onze auto weer richting Nederland. Nu in twee delen: we pakken een hotelletje in Hannover als ruststation. De uren durende controles bij de Pools/Oost-Duitse grens werkt vermoeiend, terwijl het passeren van het IJzeren Gordijn bij Helmstedt (DDR/West-Duitsland) slechts een half uur duurt, maar veel meer spanning te weeg brengt. Grenswachters lopen rond met stenguns en op de wachttorens zie je helmen en mitrailleurlopen boven het randje van de reling uitsteken.

Maar dan volgen we de West-Duitse snelwegen weer, waar we de 250 Super weer op zijn staart kunnen trappen.

 

Veilig rijd ik de Mercedes het achterterrein van ons café op.

We pakken uit en gaan wat eten. Daarna wisselen we zakelijke dingen uit met Anneke en Theo en bekijken we onze voorraden.

"Ik rij nog gauw even naar de Makro en ISPC voor wat boodschappen," zeg ik tegen mijn vrouw Riet, en stap in mijn auto. Ik steek de weg over en rij de Steenhovense baan op .

Nog geen honderd meter in deze straat valt de motor uit. Met veel gerammel en gekraak komt de Mercedes tot stilstand. Wel kan ik de wagen nog de berm insturen: door het intrappen van de koppeling drijft ie naar de kant van de weg.

Wat nou? Hoe kan dat?

Gelukkig is Jo Smulders thuis, die op de hoek van de Dongenseweg en de Steenhovensebaan woont. Hij rijdt ook Mercedes en is bereid om even naar de auto te kijken.

"Distributieketting gebroken," constateert hij, "waarschijnlijk zit heel de motor in elkaar!"

Totaal ontzet sta ik er bij.

Motor in elkaar?

Dat had niet in Polen of Oost-Duitsland moeten gebeuren. Sowieso hebben ze daar totaal geen Mercedes-onderdelen, laat staan een komplete motor, maar voor hun eigen wagenpark ontbreekt ook alles. Ik heb daar gezien, dat ze een goed rijdende vrachtwagen slopen om onderdelen te hebben voor hun andere wagens!

Wat een geluk, dat mijn auto het vlak bij mijn huis begeeft; je zal er maar in Polen of op de snelweg ergens mee staan! Dat had gemakkelijk kunnen gebeuren in die 3500 kilometer, die we totaal gereden hebben.

Wat een geluk dus.

 

Nou, geluk.

Ik krijg uiteindelijk honderd gulden terug voor het stuk schroot, dat nu is overgebleven. En ik hoef dan de sleepkosten niet te betalen. Maar er moet wel een andere auto komen.

Wat is geluk?

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Oos ma zeej aaltij

Ge hebt altijd van die uitdrukkingen uit je jeugd, die je bij blijven.

Vooral je ouders hebben een eindeloze put gezegden aan je overgebracht. Of je nou aan de eettafel zat, in de woonkamer verbleef of in de groentetuin rondliep, altijd werd je wel op de een of andere manier met een zelf ontwikkelde spreuk verrast. Misschien hadden ze het niet van zichzelf. Zeer waarschijnlijk zijn het gezegdes, die over generaties heen gebruikt zijn, en die ook wij aan onze kinderen doorgeven.

 

Zat ik als vier jaar oud manneke mijn boterhammetjes op te eten en probeerde ik de broodkorsten te laten liggen, hoorde ik steevast mijn vader, maar ook moeder, zeggen:"Oew kosjes ok op ete,dan kende zo fluite."

En verdraaid, toen ik de korsten mee naar binnen werkte, leerde ik vrij snel fluiten. Dat dit gebeurde, kwam natuurlijk door het vele oefenen na de broodmaaltijd, maar wist ik veel.

Om bij het eten te blijven: liet ik wel eens wat staan dat ik niet lekker vond (wat niet vaak voorkwam), dan zei mijn moeder:"Oew bordje leeg ete, Henkie. De kiendjes in Afrika zouwe ur blij meej zen."

En ook bij het soep eten:"De soep heet? G'et toch van God nun blaos gekrege!"

 

Dan waren er de bedreigingen, waarmee ze probeerden je aan het verstand te brengen, dat je gehoorzaam moest zijn en geen streken mocht uithalen.

"As ge zukke fratse bleft uithaole, gaode naor de hel!" Dit dreigement stamt af van de zo Roomse katholieke kerk. Hier werd en wordt hel en vagevuur gebruikt als stok achter de deur om het RK volk in het gareel te houden.

In november, in de aanloop naar 6 december, werden andere teksten gebruikt, zoals: "As ge zo deurgaot, douwt Zwarte Piet oe in dun zak en nimt oe mee naor Spanje!"

Of: "ge krijgt de roei, manneke, in plak van spulgoed!"

Was deze tijd weer voorbij, klonk uit moeders mond: "As ge nie goed luistert, dan komde van de kouwe kermis thuis, jongen!"

Of ook wel: "As ge de nog us doet, sluit de plisie oe op in 't kot."

En als je dan toch streken uithaalde of ongehoorzaam was, klonk de dreiging door de keuken: "Wacht mar, as onze pa straks thuiskomt. Die zal oe wel straffe. Daor helpt gin moederke lieve mir aon!"

Nou was ons vader niet iemand, die van straffen hield. Hij loste de dingen anders op. Zoals die keer, dat ik een buurjongen met een steen een 'gat in zunne kop' gooide.

Hij nam me mee naar de buurtwinkel van Tinus Smee. Daar mocht ik een kwatta (reep chocolade) uit kiezen. Echter niet voor mezelf, maar ik moest dat snoepgoed aan mijn slachtoffer geven. Mooi toch? De straf was dan, dat de buurjongen de reep chocolade lekker op zat te smikkelen, terwijl ik er alleen naar mocht kijken.

 

Er bestonden ook gezegdes, die op zieken of gehandicapten sloegen.

Als ik voor de spiegel stond en humoristisch gezichten stond te trekken, was steevast moeders advies: "Gin gekke bekke trekke vur de spiegel. Drek blijft oew gezicht zoo staon en zit ur hil oew leve meej."

Iets dergelijks werd ook gezegd, als je eens expres krom of kreupel liep: "Kijk uit, ventje, straks bende echt maank."

 

Ik kan nog wel een tijdje doorgaan' maar mIschien herinnert u ook nog wel oude gezegdes van je ouwelui.

 

© Henk M. van Oosterwijk

Lasse baste, pa!

Het is ongeveer midden 1945.
We zijn in Rijen al een dik half jaar bevrijd van het Duitse juk. In onze gemeente Gilze-Rijen zijn veel doden gevallen. Doordat de geallieerden de "Vlieghaai", door de bezetter een groot militair vliegveld van gemaakt, vanaf 1943 regelmatig bestookten met bombardementen, vielen er nog al eens verwoestende bommen op Gilze, Hulten en in mindere mate op Rijen.
De angst voor luchtaanvallen is nu weg. De Canadezen en Polen verjoegen de Duitsers uit onze gemeente. De meeste weerstand werd door de Moffen, zoals wij ze noemden, geboden in enkele dagen strijd om de Vijfeiken. De Canadezen kwamen in de Pastoor Gillisstraat tot aan het café/winkeltje van Tinus Smee (Smeekens, nu cafetaria Wagemakers), de Duitsers lagen nabij de steenfabriek. Vlak voor onze deur (nummer 146) stond een uitgebrande Canadese tank met de verkoolde lijken er nog in.
Het oude huisje van mijn grootouders aan de Vijfeiken, toen verhuurd aan de familie Manus Pijpers, werd helemaal plat geschoten. Gelukkig was de familie tijdig uit de woning vertrokken. Het nieuwe huis van mijn opa en oma was pal naast de kapot geschoten woning gebouwd en werd niet getroffen door de Canadese en Duitse schutterij. Wij zaten met onze familie, pa, ma en ik, en onze tante Cor met zoon Henk, in een schuilgat, door mijn vader gegraven in ingericht om er te slapen, achter in onze tuin. Tussen de twee vuurlinies in dus. Proficiat 
Uiteindelijk sloeg het Duitse leger op de vlucht met achterlating van hun munitie. Dat woog te veel om op een snelle ontsnapping mee te nemen. Daarom werd alles in de waterpoelen, oude leemputten waar de steenfabriek haar grondstoffen uit groef, gekieperd om het onklaar en onzichtbaar te maken.
 
Terug naar 1945.
De munitielozing in de leemputten is een publiek geheim in de Pastoor Gillisstraat. Dat de grote kanonskogels van koper zijn gefabriceerd is ook bij iedereen bekend. Dus ieder huisvader gaat manieren verzinnen om, na de winter 44/45, dat waardevolle metaal uit de poelen te krijgen. Grote harken, vastgemaakt aan een lang touw, worden in elkaar gelast. Zo'n hark wordt in het water gegooid en met het touw naar de kant getrokken. Daardoor komt er van alle soorten rotzooi uit het water.
Ook de koperen hulzen, soms bijna een halve meter lang, maar wel kompleet met de ontsteking, het kruit en de kogel!
Eerst moet de ontsteking verwijderd worden en dan kogel en kruit.
Een levensgevaarlijk karwei!
Maar het brengt goed geld op en dus doet mijn vader ook mee aan deze rage.
 
Luister goed, ik herinner dit niet allemaal zelf, maar heb het uit de verhalen van pa en ma. Zelf ben ik nog geen drie jaar oud.
 
Er komt echter een kink in de kabel.
De marechaussee krijgt lucht van de gevaarlijke koperjacht, maakt een verbod bekend op het verzamelen van munitie en zendt patrouilles uit om de kopervissers in de kraag te grijpen. Tevens worden er links en rechts huiszoekingen gedaan en 'visgereedschap' met koper in beslag genomen.
Ook bij ons.
Op een dag in het weekeinde treden er twee heren in groen uniform, platte petten op en hoge kaplaarzen aan (dat weet ik dan nog wel) via de achterdeur onze keuken in het achterhuis binnen.
"Goeie dag, here," zegt mijn vader tegen de twee lange marechaussees, "waormeej ken ik u van dienst zijn?" Hij weet natuurlijk allang, waar die mannen voor komen.
"Wij willen uw huis en tuin eens doorzoeken," zegt het ene uniform, terwijl hij mijn vader een stuk papier overhandigt.
"Da ken," antwoordt pa weer, "ge maag alles overhoop haole, as ge't mar wir netjes op de goeie plots t'rug legt."
De uniformen reageren niet en gaan het huis en onze schuur door kijken.
Een kwartiertje later staan ze weer in de keuken, hoog en rechtop. Tegenover hen mijn vader in zijn manchesterse broek, ophouden door een paar galgen: de handen in de zakken.
"En?" Kijkt hij vragend naar de marechaussees. "Gevonde we ge zocht?"
"Wij willen u waarschuwen," zegt steeds dezelfde woordvoerder, "geen koper verzamelen of we pakken u op."
Dan ga ik me ermee bemoeien, een turf hoog.
Ik schop de spreekbuis tegen zijn schenen, zijn kaplaarzen dus, en roep:
"Pa, lasse baste!"
Het heeft geen gevolgen.
Voor het eerst zie ik bij die ene een flauwe glimlach op zijn uitdrukkingsloos gezicht. Hij tikt aan zijn pet en beide uniformen verdwijnen door de keukendeur en bijkeuken naar buiten. Vader roept nog ' houdoe' en ik klamp me vast aan zijn manchesterse  broekspijp.
 
Henk M. Van Oosterwijk
 

Bij de Marine

Het is zo maar een zaterdag in het jaar 1960.

We zijn zestien jaar oud, mijn vriend Cor Aarts en ik. Cor heeft zijn definitieve levensloop vastgelegd door bij de Koninklijke Marine zijn handtekening te plaatsen. Zes jaar lang zal hij als beroeps voor Nederlands vlag en eer ’s werelds zeeën gaan bevaren.

Dit weekeinde is hij thuis. We besluiten we met z’n tweeën naar Dongen te gaan. Mijn vriend heeft zich in zijn marine-kleren gestoken. Een normale zaak voor deze tijd. We bezoeken een oom en tante in Dongen en daar gebeurt het volgende:

 

Terwijl we aan de koffie zitten, kijk ik bewonderend en eigenlijk een beetje jaloers naar Cor, die in zijn marine-pak een stoere uitstraling heeft. Plots krijg ik een idee.

“As we nou ’s van klere ruilen,” zeg ik tegen Cor. Ik probeer intussen de hete koffie op te slurpen. “Zo mar efkes. Ik wil d’r ok wel ’s as nun marineman uitzien!” Ik kijk hem vragend aan.

“Als ik daar maar geen problemen mee krijg,” brengt Cor er nog tegen in, maar ik weet hem te overtuigen. In de gang wisselen we van kleren. Cor heeft ongeveer hetzelfde postuur als ik, maar is enkele centimeters korter. En dat kunde goed aan mijn aangetrokken uniform zien, want zowel de mouwen als de broekspijpen zijn wat aan de korte klant.

Het geheel zit een beetje strak.

“Het past prima,” verzeker ik mijn vriend.

“En zeg nou mar ‘s, wè ge lust van de frietboer,” zeg ik tegen de familie en vriend.

“Je gaat toch niet de straat op in mijn kleren!!?” werpt Cor tegen.

Hij kijkt een beetje ongerust naar de marine-uniform, of er niet ergens een scheur begint te ontstaan.

“Ik gaoj irst wè te ete veur jullie haole,” werp ik tegen, “dan kan ik tenminste echt geniete van die klere! Ik trakteer!”

Na enig aarzelen stemt Cor toch in met mijn voorstel en spring ik even later op mijn fiets om een friettent te zoeken. Nou zoeken, tante Jo heeft aangegeven, dat er een snackbar in de Wilhelminastraat is. Vlakbij dus.

Ik rijd in de Wilhelminastraat het trottoir op, stap zwaaiend met m’n rechterbeen over het zadel van mijn fiets en plaats de tweewieler tegen de voorgevel van het bedrijfspand. Even zet ik mijn marine-pet wat scheef op mijn hoofd en stap de frietzaak binnen.

 

“Goeie n’aovond.”

“Ok zo!” Mijn groet wordt door het vrouwtje achter de toonbank beantwoord. Slechts één klant zit aan een tafeltje. Hij groet me terug met een lichte hoofdknik en bekijkt me wat mistroostig. Ik richt me tot het vrouwtje en doe mijn bestelling, inclusief een biertje. Daarna ga ik wat nonchalant op de toonbank/annex bar hangen, kijk wat zwijgend rond en opnieuw kruist mijn blik die van de klant.

“In dienst, jom?” begint de klant zijn gesprek.

“Ja! Bij de marine,” zeg ik wat overbodig. Het marine-pakje lijkt hierdoor nog strakker te gaan zitten dan toen ik het aantrok.

“Dè zie’k,” zegt de klant grinnikend. “Ge zeit nie van de laandmacht.”

Hij vindt het onderwerp schijnbaar interessant, want hij gaat verder met zijn korte vragen: “Dienstplicht?”

Hij kijkt mij nog steeds met een lach in zijn ogen aan, maar wacht het antwoord niet af.

“Ik heb ook achttien maonden gediend. Zestien te lang. Irst twee maanden opleiding en daarna de lapswaans uithange en fiste.  Tenminste, fiste a’k geld haai. Waant van ene gulde vijfentwintig per dag worde nie gauw zat!”

Hij kijkt me weer van top tot teen aan. Waarschijnlijk ziet hij wel, dat de broekspijpen en mouwen eigenlijk iets te kort zijn, denk ik. 

Nou is ’t mijn beurt, gaat het door mijn hoofd. Maar voor ik iets kan zeggen, vervolgt de klant zijn verhaal.

“Neie,  ’t was baole! En thuis konde ze best n’n goei kostganger gebruiken, die wè cente in de portemenee brocht. Oos moeder had ’t nie zo breed. Ik heij achttien maonden in mijn soldateklere motte lopen. Pas nadè ik afzwaaide, naam oos moeder me mee naor de stad om ’n goei pak te kope. Neije, verlore tijd, dieje dienst! Ik heb d’r meer kwaoie dan goeie dinge geleerd!”

Ja, wat moet ik hier nou mee, denk ik weer bij mezelf. Hoe moet ik nou dit gesprek verder laten gaan.

“Hoe lang nog?” was hij me opnieuw voor.

En nou ben ik aan de beurt!

 

“Vijf jaor en acht maonde!” zeg ik triomfantelijk.

Daar zal hij niet van terug hebben! En inderdaad: de klant kijkt mij verstijfd aan. Even weet hij niets te zeggen, maar dan hervat hij zich weer en vraagt:

“Ge wil toch nie zegge, dè ge veur beroeps getekend het, hè. Zo stom zulde toch wel nie zijn?”

De klant slaat zijn rechterbeen over z’n linkerknie, leunt achterover en neemt mij vorsend op, daarbij zijn wenkbrauwen naar beneden trekkend. Ik knik echter bevestigend.

“Jao, nao drie maonden opleiding heb ik veur zes jaor getekend.”

Ik zie een lichte ontzetting in zijn ogen en dat is voor mij het teken om door te gaan.

“Ik krijg nou een complete opleiding tot machinist en dan gaon we vaoren. Vanuit Den Helder de hele wèreld over. En as me dè goed bevalt, dan kan ik misschien straks wir veur zes jaor bijtekenen of wellicht veur vast bij de marine blijve!”

De klant is uit het veld geslagen en vergeet zelfs zijn korte vragen te stellen. Opnieuw een teken voor mij om door te gaan.

“ ’t Betaolt hartstikke goed en ’t is ok mee ’n goed veuruitzicht. Ge leert een vak, promotie volgt automatisch, dus ok meer geld in de knip! Deur ’t vaoren in de tropen worden die maonden nog ’s dubbel geteld en gaoj ik vruuger mee pensioen. Wè wilde nog meer?”

De klant is geheel verbouwereerd en weet niets anders te zeggen als: “tjonge, tjonge. Stom, stom. Tjonge.”

Ik weet trouwsens ook niets zinnigs meer naar voren te brengen.

 

Maar we worden gered door het vrouwtje.

“Oewe friet is klaor,” zegt ze, terwijl ze de klant aankijkt. “Twee frikadelle speciaol, n ’n nassibal en friet. Saome éénvijfenzeuventig.”

De klant grijpt naar zijn kontzak, haalt z’n portemonnee tevoorschijn en rekent af. Hij pakt zijn zak eten en draait zich naar de deur. Nog even kijkt hij me aan en loopt hoofdschuddend langs me heen.

“Tjonge, tjonge. In dienst een vak lere? Niks lere! lere om de lapswaans uit te hange!”

Hij stapt de deur uit en ik zie hem door het grote raam nog steeds hoofdschuddend zijn weg huiswaarts nemen. In gedachte hoor ik nog steeds de ‘tjonge tjonge!

Nog nagenietend van het gesprek fiets ik met mijn snacks weer terug naar tante Jo. Daar wordt nog even gelachen om mijn verhaal, terwijl Cor en ik weer van kleren verwisselen.

En zo ben ik toch even bij de Koninklijke Marine geweest!

 

© Henk M. van Oosterwijk 

Uit mijn boek: Mijn jeugdherinneringen.

Acrobatiek

We leven in 1957

Ik ben veertien jaar oud en geniet van de zomervakantie. Het is best een zwaar jaar geweest op de Dongense MULO St.Gerardus Majella. Van half negen ’s morgens tot ’s middags kwart voor vier de lessen volgen, dan ook nog op school studie van vier uur tot half zes en dan thuis nog wat huiswerk maken dat je in de studieles niet af kreeg.

En ook nog op zaterdagmorgen naar school!

Een heel ander studieleven dan de jeugd nu beleeft. Maar ja, wij deden in drie jaar evenveel dan ze nu leren in vier schooljaren. Wij gingen niet naar Parijs of Berlijn, of op stage in Denemarken. Het was studeren, studeren en nog eens studeren. Daarna ging je gewoon werken en leerde je het vak van je collega’s.

Hier wil ik het overigens niet over hebben, want studie heeft niets met acrobatiek te maken.

 

Ik ben dus veertien, puber al een beetje (dat woord kennen we nog niet) en sport is mijn hobby. Ik ben een aantal jaren lid van gymnastiekvereniging FIT in Rijen, voetbal bij RAC en maak op de MULO kennis met volleybal, basketbal en atletiek. Ik wil niet zeggen, dat ik de beste ben, maar kan aardig mee in de top.

Deze zomer heb ik weer een abonnement van mijn ouders gekregen op zwembad Surea, gelegen in de Dorstse bossen, en maak daar veel gebruik van. En de eerder gescheiden baden, dames en herenzwempoel, zijn nu net gemengd. Een kans dus om op de meiden indruk te maken.

Op de hoge duikplank maak ik een handstandje, blijf even ondersteboven stil staan, en laat me dan langzaam naar voren zakken, zet me zachtjes af met de handen en kom met een mooie duik in het water terecht. Dit heb ik al vele keren gedemonstreerd tot het op een minder goede dag fout gaat.

 

Als er op een mooie zomerse middag een aantal meisjes vlak bij de duikplank zitten te giechelen, wil ik mijn kunstje weer eens vertonen. Ik maak de handstand, zak naar voren en laat de plank los. Met een zachte plons doorklief ik het water, met gestrekte armen en handen tegen elkaar. Ik sla met een zwemslag mijn armen langs mijn lichaam.

Dan raak ik de zandbodem.

Ik heb me niet ver genoeg voorover laten zakken en niet afgezet aan de plank. Vlak onder de duiktoren is het erg ondiep!

Gelukkig voel ik alleen maar die tik tegen de grond, wend mijn hoofd omhoog en kom boven water.

Ik wrijf het water uit mijn ogen en open ze. Rondom mij verspreid zich een grote rode vlek.

Het zwemwater kleurt rood!

Ik voel voorzichtig met mijn hand aan mijn kin. Het bloed loopt tussen mijn vingers door!

“Je bent gewond,” gillen de meiden, terwijl ik het strand op loop. “Je hebt een snee in je kin!”

Twee meisjes brengen me naar de badmeester voor de eerste hulp. Eigenlijk had ik hun aandacht voor geheel andere dingen willen trekken, maar het noodlot bepaalde, dat ik op de Surea-bodem dook!

De badmeester bekijkt de wond, maakt hem schoon en schudt er een aardig flesje jodium in. Mijn gezicht vertrekt zich door de bijtende pijn in de wond. Er worden ook enkele vlinderpleisters op de snee geplakt. Daarna stuurt hij me meteen door naar een huisarts.

 

De meisjes zijn intussen verdwenen en eenzaam en alleen fiets ik door het Vijf Eikenbos naar dokter van Ardennen in Rijen. Die naait de wond, welke loopt vanaf mijn rechtermondhoek tot bijna onder mijn kin, met vier hechtingen dicht en legt me uit, dat het beter is om enkele weken niet met dit letsel in het Surea-water te komen.

Zo eindigt acrobatiek in een litteken.

Wel macho natuurlijk, zo’n litteken op je kin, maar ook het woord ‘macho’ kennen we nog niet.

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Hondenbeet

Het gebeurt in 1983.

Riet, de kinderen en ik wonen aan het Frederikplein in het Brabantse dorpje Rijen. Het is in de tijd, dat de dure wijk Atalanta nog niet is gebouwd en die grond nog begroeid is met een prachtig bos, wat is versneden door wandelpaden en zandweggetjes. Zelfs een weg, waar Napoleon zijn leger overheen stuurde.

We hebben een herdershond, Cesar genaamd, die een gedegen politieopleiding heeft gehad. Hij reageert daarom alleen maar op goede commando’s, een feit, dat we goed in de gaten moeten houden. Hij is intussen de tien jaar al gepasseerd en een grommerig oud beestje geworden. Toch blijft hij zich als huisdier goed gedragen. Hij heeft gen eigen kooi, maar vertoeft zonder problemen gewoon bij ons in het gezin.

Eens heeft hij mij in mijn hand gebeten, in de beginperiode, dat hij bij ons was en ongeveer vier jaar oud was. Hij zat op de achterbank van de auto en ik wilde hem bij de halsband pakken om hem uit de wagen te trekken.

Fout!

Ik had hem gewoon een commando moeten geven. Voor ik de halsband bereikte, beet hij in mijn rechterhand. Een flinke beet, die door een huisarts (naam zal ik niet noemen) weer dichtgenaaid werd.

Ook fout!

Een hondenbeet mag je niet dichten! Alleen elke dag schoonmaken en opnieuw verbinden!

Dus ik kreeg een flinke ontsteking, mijn hand werd twee keer zo groot en de arts stuurde me enkele dagen later snel door naar het ziekenhuis. Daar werd de wond open gemaakt en gezuiverd.

Uiteindelijk kwam het allemaal goed.

 

Terug naar het Frederikplein.

Het is een zonnige zomerse zondag.

We hebben onze tuinstoelen voor ons huis neergezet om gezellig over het pleintje heen te kunnen kijken. Een biertje erbij en wie doet ons wat?

Ook Cesar komt naast mijn stoel liggen, na een goed commando. We zitten gezellig met de buren te praten, als er een dame met een dwergpoedeltje langs komt. Het kleine hondje blaft naar ons huisdier, denkend dat het stalen lage hekje, dat op onze erfscheiding staat, hem voldoende zal beschermen. Hij komt er net met zijn bekje net bovenuit, als hij zijn kop schuin omhooghoudt.

Wat nooit gebeurt en Cesar nooit doet als hij het commando “Liggen” gekregen heeft, geschiedt nu: onze herder schiet omhoog en stapt over het hekje richting de poedel. De eigenaresse schrikt zo, dat ze met een ruk haar poedeltje aan de riem naar haar toe trekt. Cesar volgt grommend deze beweging, waarbij de vrouw in een poging haar lievelingsdiertje te redden, het aan de riem rondslingert, alsof het in een zweefmolen zit. Zelf met korte pasjes om haar as draaiend.

Ondanks mijn roepen en commando’s blijft Cesar achter het vliegende hondje aan springen.

Het is een situatie, waarmee je in een film zou kunnen lachen, maar dit is doodernstig!

Natuurlijk ben ik intussen opgesprongen en stap richting Cesar. In een poging hem te pakken, grijpt de hond mijn linkerhand en laat die niet meer los.

Ik voel de pijn van de snijdende tanden niet.

Ik druk zijn kop tegen mijn rechter oksel en sla de rechterarm om zijn nek heen. Zo sleep ik mijn hond door de voortuin, hij lopend op zijn achterpoten, de gang van ons huis in, de keuken door naar de achtertuin. Daar laat de hond me los en ik hem. Op twee meter afstand van mij gaat hij zitten, met hangende oren en een ‘sorry-blik’ in zijn ogen.

 

Het bloed loopt uit mijn hand, alsof er een waterkraan open staat. Ik loop de keuken in, pak de dichtbij zijnde handdoel en wind die om mijn hand als drukverband.

Intussen is Riet mij na gekomen en doet de buitendeur van de keuken dicht, zodat Cesar niet weg kan uit onze afgesloten achtertuin. Ze wijst naar het bloedspoor, dat vanaf de voor- naar de achterdeur loopt.

“We gaon meteen naor dun dokter,” terwijl ze een paar schone theedoeken pakt. “Doe die vuile handdoek mar weg.”

Ze kijkt me met een bezorgd blik aan.

“Neije, nie naar dun dokter,” wijs ik af, denkend aan die eerste hondenbeet van mij. “Direct naor de irste hulp van het Ignaotius ziekenhuis! Hoe ist meej dieje poedel?”

“Ammel goed,” antwoordt Riet. “Die vrouw is flink geschrokken, mar ut hondje mankeert niks.”

 

In het Ignatius ziekenhuis te Breda wordt op de spoedeisende hulp de wond goed schoon gemaakt. Tussen duim en wijsvinger, net in de handpalm, heeft Cesar dwars door mijn hand heen gebeten. Hij heeft een klein stukje bot geraakt, maar geen spieren of pezen.

Ik breng het er goed af dus, maar moet wel een hele week elke dag terug naar het hospitaal om de wond te laten zuiveren en opnieuw laten verbinden.

 

Als we uit Breda terugkomen stap ik onze tuin in, waar Cesar nog steeds zit.

“Doe da nou nie,” waarschuwt Riet me, “misschien pakt ie oe wir!”

Maar ik luister niet.

Als ik de keukendeur open, zit Cesar midden in de tuin naar mij te kijken met zijn oren recht overeind. Ik loop naar hem toe en sta een halve meter voor hem stil. Ik haal mijn verbonden hand uit de draagdoek en houd die voor zijn neus. De hond draait zijn kop weg, laat zijn oren hangen en kijkt me met een verontschuldigend blik schuin aan.

Hij begrijpt het.

Met mijn andere hand aai ik hem over zijn kop, doe zijn halsband aan en ga met hem het bos in.

We zijn weer dikke vrienden.

 

Na dit voorval zien we de oude Cesar toch nukkiger en grommig worden. Op een morgen staat hij onder aan de trap en laat de kinderen niet meer naar beneden komen. Als Raymond of Susanne het proberen, laat hij grommend zijn tanden zien.

Dan moeten we, in overleg met de dierenarts, besluiten hem een spuitje te laten geven. Moeilijk, maar het kan niet anders; hij wordt een gevaar voor de kinderen.

Ikzelf breng hem weg. Als hij de slaapinjectie heeft gehad, dommelt de hond langzaam weg. Met tranen in mijn ogen zie ik hem in slaap vallen. Een slaap, waaruit hij niet meer al ontwaken. IK heb de moed niet meer om zijn halsband van zijn nek halen.

Voor mij was hij, ondanks de beet, een grote vriend.

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Het Plekkie van het Lege Bekkie

Watersport.

Als je een plezierjachtje koopt, dan heet het, dat je aan ‘watersport’ doet.

Wat wij doen, en velen met ons, is geen sport op of in het water, maar vertier op het water en soms in het water.

Elk weekeinde een plaatsje zoeken in onze Biesbosch om er gezellig met anderen te vertoeven. Lekker vissen, of met je rubberen of polyester bijbootje varen. Een boek lezen, naar de radio luisteren of teevee kijken. Of gewoon onder elkaar wat kletsen onder het genot van een drankje.

Ook is watersport voor ons op vakantie gaan met je bootje; Nederland door of zelfs het buitenland in.

Je kunt je voorstellen, dat in die ruim twintig jaren, dat we nu varen, wel het een en ander is gebeurd.

Hier een waar gebeurde belevenis  - uit de negentiger jaren - van ons, watersporters.

 

  ‘t Plekkie van ‘t Lege Bekkie!

Biesbosch vaarders hebben hun eigen benamingen voor hun favoriete aanlegplaatsen in de Biesbosch. Zo kennen wij het ’Eerste Gatje’ en het ‘Tweede Gatje’. Het eerste heeft een smalle invaart op Spijkerboor (die uitloopt op de Amer), maar het tweede is een zijarmpje van het Middelgat van de Plomp.

Om bij het Tweede Gatje te komen, moet je vanuit Spijkerboor de Sloot van St. Jan door varen en bakboord de Plomp in en dan weer het eerste stroompje aan bakboord in.

 

Zo kennen wij ook het plaatsje bij ‘D’n Boom’.

Ja, er staan honderdduizenden bomen in de Biesbosch. Maar als we elkaar via het bakkie (27MC-bak) oproepen en meedelen , dat we bij ‘D’n Boom’ liggen aangemeerd, weten we precies waar we moeten zijn.

Zo heb je ook nog ‘Koetjeboe-eiland’.  Dit is een plek in het Middelgat van de Plomp, waar sinds mensenheugenis Kiske Ligtvoet zijn boot ‘Koetjeboe’ aanmeert. Op deze manier krijgen naamloze oevers, stroompjes of eilandjes hun namen.

Voor ons is er een bijzonder aanlegplaatsje in het Middelgat van de Plomp, dat zijn naam dankt aan een leuke gebeurtenis tijdens een druk weekend.

 

Het is vrijdag avond.

We liggen met een viertal boten bijeen: de Dagaonogal, Don Pedro, Christa en de Thebo. Voor de pinnen in  de grond, achter de ankers uit. De loopplanken zijn goed bevestigd op de oevergrond, zodat we gemakkelijk van boord kunnen.

Rietje en Peter met de Don Pedro, Aaf en Christ met hun Christa, Thea en Bob met de Thebo en wij (Riet en ik) met onze Dagaonogal.

De werkweek zit er op en de ontspannende Nederlandstalige muziek weerklinkt uit een van de boten. Een flesje wijn wordt ontkurkt, bier schuimt tot diep in de glaskraag en ook een Portje wordt met genot achterover geslagen. Het is dus een gezellige en rustige avond.

En daarvoor zoeken we de rust van de Biesbosch op.

En dan gebeurt het wel eens dat het enorm gezellig wordt.

De tijd vliegt en de ochtend kondigt zich al aan, voordat wij zin hebben om onze kooien op te zoeken. De slaap is allang over.

Het is half vier in de ochtend en de zon verspreidt zijn eerste lichtstralen al over de vredige Biesbosch.

Bij een sanitaire pauze wordt gebruik gemaakt van het scheepstoilet. Maar mannen ‘wateren’ soms ook in de vrije natuur of kortweg over boord.

Zo ook heeft Peter last van een behoorlijke druk op zijn blaas.

Hij gaat naar buiten en we horen hem wat stommelen op het voordek van zijn schip. Dan komt ie terug, gaat op de bank zitten en zegt verwonderd: “Wa’k nou mee maok! M’n taande zèn in ‘t waoter gevalle!”

Wij lachen! Ge kent Peter: altijd goed voor een grap!

Er wordt al door verschillende personen – ik zal ze niet bij naam noemen – een gebit aangeboden. Maar die vrijgevigheid slaat Peter toch maar af.

“Neije,” vervolgt ie, “echt waor! Ik ben m’n taanden kwijt!  Ze zèn echt in ’t waoter gevalle!”

Hij opent demonstratief zijn mond en wijst naar zijn boven en onderkaak.

“Ge zieg’t toch: helemaal leeg!”

Wij lachen ons te pletter. Een van de twee heeft hij bijna nooit in. Boven of ondergebit, dat weten we zo gauw niet.

Maar Peter gaat ons precies vertellen wat er gebeurd is:

“Ik liep over ’t gangboord, prutste wa aon m’ne gullup om ‘m open te krijge en keek nie goed uit. Struikelde over ‘n touw, probeerde me mee m’n haanden nog op te vangen, mar kwaam mee m’n kin op de railing terecht. En ploeps: m’n gebit in ’t water!”

Ploeps! We komen niet meer bij.

Ja, die Peter, da’s  n’n mooie!  Daar kunde mee lachen!

Peter zelf blijft echter zeer ernstig kijken.

Hij meent wat ie vertelt. En als we eindelijk bijkomen uit de slappe lach, beseffen we dat hij bloed serieus is. Wij worden ook wat ernstiger.

“Dan motte we ’t op gaon duike,” stelt er ene uit de groep voor.

Wie, weten we niet meer.

Ja,  inderdaad. Opduiken!

Het is begin mei en de temperatuur van het water is niet erg hoog!  Maar een nieuw gebit kost ook een paar centjes.

Dan maar met een paar man het water in.

 

We gaan met z’n allen naar buiten.

Peter wijst de plek aan, waar hij met zijn baard de railing raakte en zijn gebit in het Noordergat van de Plomp verdween.

Ons Riet, Peter en Christ trekken kousen en schoenen uit (in omgekeerde volgorde) en lopen vanaf de walkant het water in. Zij betasten met hun blote voeten de drassige bodem van de Plomp. Gelukkig is het hier niet zo diep. Telkens als ze denken iets te voelen, halen ze met hun handen het ontdekte voorwerp boven water. Meestal is het hout, steen of een mosselschelp.

Ze zijn intussen door en door nat.

Koud hebben ze het niet, waarschijnlijk omdat ze goed van de ´antivries´ voorzien zijn!

`Hebbes!` klinkt plots de stem van Riet over het water.

Triomfantelijk houdt ze de tanden omhoog.

Wij met z’n allen juichen, alsof er een doelpunt gescoord is.

Peter reikt naar de uitgestoken hand van Riet, pakt het gebit en zet het meteen op zijn plaats in z´n mond.

’t Past!

`´t Lag op de bodem in een rottende vis!` roept Riet nog, maar Peter hoort niets meer. Hij is te blij dat hij zijn tanden terug heeft.

Wij ook blij natuurlijk. Iedereen blij!

Eerst de ´duikers´ handdoeken aangereikt en dan zo snel mogelijk proosten op het terugvinden van de tanden.

We praten nog een half uurtje na en dan zoekt iedereen zijn bed op. Het was een goede afsluiting van een gezellige avond.

 

En dat mooie aanlegplaatsje in het Noordergat van de Plomp heeft gelijk zijn definitieve naam van ons gekregen: ’t Plekkie van ’t Lege Bekkie’ !!!

 

Copyright Henk M. van Oosterwijk

Uit mijn boek: De spuigaten uit.

Link:  http://www.boekenbestellen.nl/boek/de-spuigaten-uit/9789082020328 

 

Olypisch Goud op de Rije

In een zoektocht naar sportprestaties van Rijenaren kom ik slechts één naam tegen, die ‘Goud” veroverde: Janus Theeuwes. Voluit geschreven: Adrianus Cornelis Theeuwes, geboren in Rijen op 4 april 1886.

Zijn hobby is handboogschieten en daarom sluit hij zich aan bij Vriendenkring Rijen. Hij beoefent zijn sport heel serieus en in 1920 wordt hij uitverkoren door de het Nederlands Olympisch comité om met nog zeven andere boogschutters deel te nemen aan de Olympische zomerspelen. Deze worden dat jaar gehouden in Antwerpen, dus bijna een thuiswedstrijd voor de boogschutters.

 

Het complete team bestond uit Jo van Gastel uit Tilburg, Tiest van Gestel uit Goirle, Janus van Merriënboer uit Oud-Gastel, Theo Willems uit Uden, Piet de Brouwer uit Gestel, Driekske van Bussel uit Asten, Joep Packbiers uit Nuth en onze Rijense favoriet Janus Theeuwes.

Het acht man sterke team zet zich in op het onderdeel ‘Bewegend Vogeldoel’ en zij schieten vanaf een afstand van 28 meter.

De Nederlandse boogschutters hebben in deze zomerspelen alleen geduchte tegenstand van het gastland België, maar winnen uiteindelijk toch de Gouden Medaille met een totaal van 3087 punten. Onze zuiderburen eindigen op de tweede plaats (zilver) met 2924 punten. Frankrijk wordt, met een vrij grote achterstand en 2328 punten, derde (brons).

 

Het is in 1920 een mooie prestatie van onze plaatsgenoot.

Janus is 34 jaar oud, als hij aan de spelen deelneemt. Hij overlijdt op 89-jarige leeftijd in Tilburg in het jaar 1975.

 

© Henk M. van Oosterwijk

 

Bronnen: Sport Reference LLC en Wikipedia.

Onze huiskrekel

 

Het gebeurt in het jaar 2004.

Het is de maand oktober en het vaarseizoen zit erop voor Riet en mij. De boot is ‘winterklaar’ gemaakt en onze rubberboot hebben we laten leeglopen, ingepakt en opgeslagen in onze logeerkamer. Helaas is onze berging, die bij het appartementje hoort, te klein om hem te herbergen.

We kunnen de winter in.

 

Op een nacht word ik wakker van een vreemd geluid. Ik richt me op in bed om beter te kunnen luisteren. Het is een korte, trillende en piepende toon, die uit de gang vandaan komt. Het lijkt wel de roep van een krekel.

“Dat zou kunnen,” denk ik in mezelf. “Het wordt wat kouder buiten en die beestjes zoeken warmte op.”

Ik laat me uit bed glijden (een bejaarden bed is vrij hoog, weet je) en loop voorzichtig – om het beestje niet weg te jagen - naar de gang.

Het geluid is weg.

Zou ik toch te rumoerig zijn geweest?

Ik draai me om en wil de slaapkamer weer in lopen, als de krekel zich opnieuw laat horen.

“Rrrrriee, rrrrriee.”

Komt de roep nu uit de logeerkamer?

Op mijn tenen sluip ik die kamer in, maar het diertje heeft me blijkbaar in de smiezen en laat zich niet meer horen.

Teleurgesteld zoek ik mijn bed weer op en trek het dekbed over me heen.

“Wè bende ammel aon’t spoke?”

Riet is wakker geworden van mijn zoektocht en draait zich naar me toe.

“Ik hôr nun krekel in huis, mar kan ‘m nie veine,” antwoord ik. “Hedde gij ‘m nie gehôrd?”

“Ikke nie.” Riet draait zich om en even later ligt ze te snurken.

Nee, natuurlijk heeft ze dat trillende geluidje niet gehoord: haar linkeroor is stokdoof en haar rechter, daar slaapt ze op! Bovendien heeft ze haar gehoorapparaten ’s nachts niet in.

Ik hoor de krekel nog een paar keer roepen, maar dwing mezelf in slaap te vallen.

 

Deze scène herhaalt zich nog enkele nachten en onze huiskrekel begint voor mij een obsessie te worden.

Voor ik naar bed ga, loop ik al een paar keer de gang in om te luisteren of onze huisvriend al wakker is. Meestal hoor ik niets. Maar steeds, als we te bed zijn gegaan en ik in slaap wil vallen, begint die krekel aan zijn concert.

“Rrrrriee, rrrrriee, rrrrriee, rrrrriee!”

Ik zoek elk begin van de nacht alle ruimten door, om het krekeltje te ontdekken. De badkamer, het washok, de toiletruimte en de logeerkamer. Het beesje is echter heel slim. Als ik hem (of haar) hoor roepen, trippel ik bijvoorbeeld voorzichtig naar het washok en blijf gespannen staan luisteren.

Maar dan houdt hij zich stil!

Dat rotbeest is slimmer dan ik dacht.

 

Na de vijfde nacht bedenk ik me plots iets: de rubberboot!

Bij het inpakken van de boot in de haven is het diertje natuurlijk in de boot gekropen en hebben we het meegenomen naar ons appartementje.

“Rietje,” zeg ik tegen mijn vrouw, “schuif de meubels in de kaomer aon de kaant, dan sjouw ik de rubberboot hiernaortoe en rolle we ‘m uit. Ik mot en zal die krekel veine!”

Ik sleep de toch nogal zware boot over de betegelde vloer de logeerkamer uit en door de gang de woonkamer in, waar Riet intussen ruimte heeft gemaakt. We pakken samen de boot uit.

“Goed oplette, dè ge da bist van de boôt ziet springe,” waarschuw ik mijn vrouw. Voorzichtig rollen we de rubberboot uit, kijken in alle hoekjes en gaatjes maar ontdekken geen krekel.

Als de boot weer opgerold en ingepakt is, breng ik hem weer naar de logeerkamer. Daarna laat ik me met een plof in mijn zorgstoel vallen. Ik ben doodop van dit karwei en Riet natuurlijk ook.

“Ge bekijkt het vôrtaon mar meej oewe krekel,” zegt ze zuchtend. “Ik doei nimmer meej!”

 

Diezelfde avond zit ik in de logeerkamer te werken op mijn computer, als ik de krekel weer hoor. Nu echter kan ik vrij precies de plaats van het geluid bepalen. Ik loop zachtjes naar de boekenkast en hoor opnieuw de roep: “rrrriee, rrriee.”

De trillende klanktoon komt uit een doosje!

Ik wacht even in spanning.

Als het timbre weer uit het doosje klinkt, til ik snel de deksel eraf en houd mijn hand op de opening. Gespannen kijk ik door mijn vingers heen of ik de krekel kan ontdekken.

Niets.

Voorzichtig schuif ik mijn hand van het doosje af, til het ronde ding eruit, maar krijg mijn aartsvijand niet te zien.

Teleurgesteld zet ik het vermeende krekelhuis weer terug.

“Rrrrriee, rrrrriee,” klinkt uit de doos.

Ik snap er niets meer van, pak de doos en haal het apparaatje eruit. Het is een rookmelder! Dat ding heb ik anderhalf jaar geleden gekregen van zoon Raymond. We hebben het toen nog uitgeprobeerd.

Maar in dat doosje kan toch geen rook gekomen zijn?

Ik pak de gebruiksaanwijzing en lees uiteindelijk:

‘Als de batterij bijna leeg is, hoor je een trillerig piepend geluid!”

Die batterij heb ik erin laten zitten!

Daar heb ik nou vijf dagen lang mijn huis voor over hoop gehaald!

 

© Henk M. van Oosterwijk